Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck I

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck I
Partijen RKSP, ARP, CHU
TK-zetels 30 + 13 + 7 = 50
Premier Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck
Van 9 september 1918
Demissionair 18 juli 1922
Tot 18 september 1922
Voorganger Cort van der Linden
Opvolger Ruijs de Beerenbrouck II
Nederlands kabinet

Dit artikel geeft een overzicht van alle ministers die actief waren tijdens de regeerperiode van het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck I.

Ministers[bewerken]

Kabinetsformatie[bewerken]

Het kabinet-Ruijs I volgde op de eerste verkiezingen die volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging met algemeen kiesrecht voor mannen waren gehouden op 3 juli 1918. Niet langer bestond de Tweede Kamer uit twee blokken; ook kleinere ongebonden partijen hadden hun intrede gedaan, zoals de SGP, de "Neutrale Partij" van de artiest Henri ter Hall en de communist David Wijnkoop

Winnaar was de katholieke RKSP, die onder het districtenstelsel altijd de zetels van Limburg, Brabant en Zeeuws-Vlaanderen had bezet, maar onder het nieuwe stelsel ook een factor in het noorden was geworden. Haar leider Mgr. Nolens was als priester niet aanvaardbaar voor het ministerschap en was daarom aanvankelijk niet beschikbaar als formateur. De koningin had een voorkeur voor Shell-directeur Colijn, maar de RKSP wilde geen "petroleumkabinet". Uiteindelijk vormde Nolens een confessionele coalitie met de gouverneur van Limburg Ruijs de Beerenbrouck als minister-president.

Regeringsperiode[bewerken]

Kort na zijn aantreden moest het kabinet het hoofd bieden aan een greep naar de macht door de sociaal-democratische leider Pieter Jelles Troelstra. De sociale agenda van de regering werd daarna versneld uitgevoerd: verkorting van de werkweek en invoering van een Invaliditeitswet en een Ziektewet.

Ruijs I had de erfenis van de Eerste Wereldoorlog: schaarste en economisch verval, spanningen met de geallieerden na het politiek asiel voor de Duitse ex-keizer Wilhelm II en pogingen van België om Zuid-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen te annexeren. Vanaf 1921 tenslotte trad internationaal een economische recessie op, wat ook in Nederland werd gevoeld.