Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck I
| Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck I | ||
| Partijen | RKSP, ARP, CHU | |
| TK-zetels | 30 + 13 + 7 = 50 | |
| Premier | Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck | |
| Van | 9 september 1918 | |
| Demissionair | 18 juli 1922 | |
| Tot | 18 september 1922 | |
| Voorganger | Cort van der Linden | |
| Opvolger | Ruijs de Beerenbrouck II | |
| Nederlands kabinet | ||
Dit artikel geeft een overzicht van alle ministers die actief waren tijdens de regeerperiode van het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck I.
Ministers[bewerken]
- Minister van Buitenlandse zaken: Herman Adriaan van Karnebeek (lib.-partijloos)
- Minister van Justitie: Theodorus Heemskerk (ARP)
- Minister van Binnenlandse zaken: Charles Joseph Marie Ruijs de Beerenbrouck (RKSP) (tevens minister-president)
- Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen: Johannes Theodoor de Visser (CHU)
- Minister van Financiën:
- Simon de Vries Czn (ARP), van 9 september 1918 tot 28 juli 1921
- Dirk Jan de Geer (CHU), van 28 juli 1921 tot 18 september 1922
- Minister van Oorlog:
- George August Alexander Alting von Geusau (RKSP), van 9 september 1918 tot 5 januari 1920
- Charles Joseph Marie Ruijs de Beerenbrouck (RKSP) a.i., van 5 januari 1920 tot 31 maart 1920
- Willem Frederik Pop (partijloos), van 31 maart 1920 tot 28 juli 1921
- Jannes Johannes Cornelis van Dijk (ARP), van 28 juli 1921 tot 18 september 1922
- Minister van Marine:
- George August Alexander Alting von Geusau (RKSP), van 9 september 1918 tot 16 september 1918
- Willem Naudin ten Cate (partijloos), van 16 september 1918 tot 20 februari 1919
- Charles Joseph Marie Ruijs de Beerenbrouck (RKSP) a.i., van 19 februari 1919 tot 19 april 1919
- Hendrik Bijleveld (ARP), van 17 april 1919 tot 5 januari 1920
- Hendrik Albert van IJsselsteyn (partijloos) a.i., van 5 januari 1920 tot 31 maart 1920
- Willem Frederik Pop (partijloos), van 31 maart 1920 tot 28 juli 1921
- Jannes Johannes Cornelis van Dijk (ARP), van 28 juli 1921 tot 18 september 1922
- Minister van Waterstaat: Adrianus Antonie Henri Willem König (partijloos)
- Minister van Arbeid: Petrus Josephus Mattheüs Aalberse (RKSP), van 25 september 1918 tot 18 september 1922
- Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel:
- Hendrik Albert van IJsselsteyn (partijloos), van 9 september 1918 tot 13 september 1922
- Charles Joseph Marie Ruijs de Beerenbrouck (RKSP) a.i., van 13 september 1922 tot 18 september 1922
- Minister van Koloniën:
- Alexander Willem Frederik Idenburg (ARP), van 9 september 1918 tot 13 november 1919
- Charles Joseph Marie Ruijs de Beerenbrouck (RKSP) a.i., van 13 augustus 1919 tot 13 november 1919
- Simon de Graaff (conservatief protestant), van 13 november 1919 tot 18 september 1922
Kabinetsformatie[bewerken]
Het kabinet-Ruijs I volgde op de eerste verkiezingen die volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging met algemeen kiesrecht voor mannen waren gehouden op 3 juli 1918. Niet langer bestond de Tweede Kamer uit twee blokken; ook kleinere ongebonden partijen hadden hun intrede gedaan, zoals de SGP, de "Neutrale Partij" van de artiest Henri ter Hall en de communist David Wijnkoop
Winnaar was de katholieke RKSP, die onder het districtenstelsel altijd de zetels van Limburg, Brabant en Zeeuws-Vlaanderen had bezet, maar onder het nieuwe stelsel ook een factor in het noorden was geworden. Haar leider Mgr. Nolens was als priester niet aanvaardbaar voor het ministerschap en was daarom aanvankelijk niet beschikbaar als formateur. De koningin had een voorkeur voor Shell-directeur Colijn, maar de RKSP wilde geen "petroleumkabinet". Uiteindelijk vormde Nolens een confessionele coalitie met de gouverneur van Limburg Ruijs de Beerenbrouck als minister-president.
Regeringsperiode[bewerken]
Kort na zijn aantreden moest het kabinet het hoofd bieden aan een greep naar de macht door de sociaal-democratische leider Pieter Jelles Troelstra. De sociale agenda van de regering werd daarna versneld uitgevoerd: verkorting van de werkweek en invoering van een Invaliditeitswet en een Ziektewet.
Ruijs I had de erfenis van de Eerste Wereldoorlog: schaarste en economisch verval, spanningen met de geallieerden na het politiek asiel voor de Duitse ex-keizer Wilhelm II en pogingen van België om Zuid-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen te annexeren. Vanaf 1921 tenslotte trad internationaal een economische recessie op, wat ook in Nederland werd gevoeld.