Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck II
| Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck II | ||
| Partijen | RKSP, ARP, CHU | |
| TK-zetels | 32 + 16 + 11 = 59 | |
| Premier | Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck | |
| Van | 18 september 1922 | |
| Demissionair | 1 juli 1925 | |
| Tot | 4 augustus 1925 | |
| Voorganger | Ruijs de Beerenbrouck I | |
| Opvolger | Colijn I | |
| Nederlands kabinet | ||
Dit artikel geeft een overzicht van alle ministers die actief waren tijdens de regeerperiode van Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck II.
[bewerken] Ministers
- Minister-president en minister van Binnenlandse Zaken: Charles Joseph Marie Ruijs de Beerenbrouck (RKSP)
- Minister van Buitenlandse zaken: Herman Adriaan van Karnebeek (lib.-partijloos)
- Minister van Justitie: Theodorus Heemskerk (ARP)
- Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen: Johannes Theodoor de Visser (CHU)
- Minister van Financiën:
- Dirk Jan de Geer (CHU), van 18 september 1922 tot 11 augustus 1923
- Hendrikus Colijn (ARP), van 11 augustus 1923 tot 4 augustus 1925
- Minister van Oorlog: Jannes Johannes Cornelis van Dijk (ARP)
- Minister van Marine: Evert Pieter Westerveld (lib. Partijloos)
- Minister van Waterstaat: Gerardus Jacobus van Swaaij (RKSP)
- Minister van Arbeid: Piet Aalberse (RKSP)
- Minister van Koloniën: Simon de Graaff (conservatief protestant)
Het kabinet was in wezen een voortzetting van het vorige kabinet, Ruijs de Beerenbrouck I, dat demissionair was geworden na de Tweede Kamerverkiezingen van 1922. Hoewel het kabinet op 18 september 1922 aantrad, werd het eerst op 21 september 1922 beëdigd vanwege afwezigheid van de koningin, die op reis was naar de scandinavische landen. Zij was ook op Prinsjesdag-1922 niet aanwezig. Wel aanwezig waren daar twee onbeëdigde ministers, Van Swaaij en Westerveld, die niet in het vorige kabinet hadden gezeten.
Bij het aantreden van het kabinet werd geen aparte minister van Landbouw, Nijverheid en Handel benoemd, hangende een voorgenomen reorganisatie. De functie van minister werd ad interim waargenomen door Ruijs de Beerenbrouck. Op 1 januari 1923 werd het departement gesplitst: het ministerie van Binnenlandse Zaken werd omgevormd tot het ministerie van Binnenlandse Zaken en Landbouw; het ministerie van Arbeid werd omgevormd tot het ministerie van Arbeid, Handel en Nijverheid.
Op 26 oktober 1923 diende het kabinet zijn ontslag in nadat de Tweede Kamer het wetsontwerp inzake de vlootwet had verworpen. Er werd gepoogd een nieuw kabinet te vormen, maar deze pogingen mislukten. Uiteindelijk werd door de koningin op 7 januari 1924 het verzoek om ontslag niet ingewilligd en bleef het kabinet aan. De vlootwetcrisis had 73 dagen geduurd.