Graankafje
Om een graankorrel zitten vier kafjes: twee kelkkafjes en twee kroonkafjes. Bij méér graankorrels spreekt men van kaf, zowel in samenhang met de graankorrels, als daarvan gescheiden.
Met een dorsvlegel wordt het graan gedorst dat wil zeggen de korrels worden uit de aren losgeslagen. Bij tarwe en rogge komen ook de kafjes vrij. Met een wan, een platte mand, wordt dit graan omhoog geworpen, om het kaf van het koren te scheiden: Het kaf wordt door de wind weggeblazen. Bij gerst, spelt en rijst zijn de kafjes echter vergroeid met de graankorrel. Deze graankorrels moeten na het dorsen gepeld worden.
Blies [bewerken]
Een blies is het kafje van de gerstkorrel. De gerst werd in een pelmolen gepeld, om het kaf van het zaad te scheiden. Het resultaat is gort.
Het is bij het schroten belangrijk dat het kaf heel blijft. Uit het kaf komt namelijk als het fijn vermalen is veel tannine vrij, dat het bier een wrange, bittere smaak geeft. Verder is het kaf ook van belang tijdens het filteren van het wort, zodat na het maischen een helder wort wordt verkregen.. Het zetmeel moet wel zo fijn mogelijk verdeeld worden, want dan lost het beter op. Mout wordt daarom niet fijn gemalen, maar heel grof gemalen of met speciale walsmolens (schrootmolens) platgewalst. Dat proces noemt men schroten.