Karel Justus Constant Rijnen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Karel Justus Constant Rijnen

Karel Justus Constant Rijnen (Batavia, 29 december 1869 - Apeldoorn, 16 december 1915) was een Nederlands majoor der infanterie van het Indische leger, ridder in de Militaire Willems-Orde en begiftigd met de Eresabel.

Loopbaan[bewerken]

Karel Justus Constant Rijnen

Rijnen volgde de Koninklijke Militaire Academie en werd in 1890 benoemd tot tweede luitenant. Hij werd vervolgens ingedeeld bij het zevende regiment infanterie en bij Koninklijk Besluit van 16 mei 1891 nummer 28 in rang en anciënniteit overgeplaatst bij het wapen der infanterie van het leger in Oost-Indië. Hij vertrok op 12 september van dat jaar met de Nederland naar Batavia en vervolgens met de Carpentier naar Semarang. Hij werd daar aangekomen geplaatst bij het tweede bataljon te Magelang. In april 1894 werd hij overgeplaatst bij het vierde depotbataljon te Padang, overgeplaatst naar Atjeh ter nadere indeling en in december 1894 bevorderd tot eerste luitenant.

Benteng Anak Galoeng[bewerken]

De oude Nederlandse benting Anak Galoeng, door Atjehnezen weer bezet, was 's nachts door het Korps Marechaussee te voet en een sectie met repeteergeweren gewapende manschappen omsingeld. Om half vijf in de morgen van de 29ste juni 1896 begon de bestorming van Anak Galoeng van drie kanten en ontstond er een hevig gevecht van man tegen man. Rijnen was daarbij commandant van een peloton van het derde bataljon. Hij raakte gewond tijdens deze bestorming, net als de kapiteins G.J.W.C.H. Graafland en L.D.C. de Lannoy en de eerste luitenants G.K. Dijkstra en C.F.A. Wagener en 31 minderen (6 minderen werden gedood), en werd van Atjeh geëvacueerd naar Batavia.

Sloep op de Atjeh-rivier

Rijnen kreeg twee schoten in de lies en een klewanghouw in de rug. In het Bataafs Nieuwsblad stond: Een treffend gezicht leverde zaterdag de aankomst van de van Atjeh geëvacueerde eerste luitenant Rijnen op. Hoezeer men met het lot van de dappere officier begaan was bewees de zorg die men aan zijn overbrenging besteed had. Al vanaf 's morgens 10 uur bevond zich een der officieren van gezondheid te Tandjong Priok, terwijl de boot pas na twee uur in zicht kwam. Belangstellenden bleven hun ontroering nauwelijks meester bij het zien der begroeting met de zuster van de officier, die de komst van haar broer op het perron had afgewacht.[1] Hij verkreeg bij Koninklijk Besluit van 24 mei 1897 nummer 59 de Militaire Willems-Orde voor zijn verrichtingen te Atjeh in 1896. Dat was omdat Rijnen op de 17de april 1896 bij de opheffing der tijdelijke posten Lam Soet en Senelop als commandant van een sectie bij de bestorming van een door de vijand verdedigde zwaar versperde versterking het eerste binnengedrongen was. Hij had zich verder op de 23ste mei bij het vermeesteren van de heuvelstelling bij de Toean Tiot Tjako als sectie-commandant door kalmte en onverschrokkenheid onderscheiden en was de eerste geweest die onder moeilijke omstandigheden de door de vijand bezette top bereikt had. En als laatste had hij op 29 juni 1896 bij de verovering van Anak Galoeng als peloton-commandant zijn peloton bij de aanval met beleid aangevoerd en had gedurende het gevecht zeer veel moed betoond.

Latere loopbaan[bewerken]

Datzelfde jaar kreeg hij een jaar verlof naar Nederland. Op de Ceintuurbaan te Amsterdam werd de Militaire Willems-Orde hem tijdens een parade uitgereikt door kolonel P.A. KLercq. Deze sprak: Deze jeugdig officier heeft bij verschillende gelegenheden getoond en bij de laatste door het storten van zijn bloed dat hij bloed en leven veil had voor Koningin en Vaderland. Vanaf heden prijkt op zijn borst de Militaire Willems-Orde, de schoonste onderscheiding voor de rechtgeaarde soldaat omdat zij alleen wordt toegekend waar de hoogste en edelste eigenschappen zich verenigen.[2] Het verlof van Rijnen werd met zes maanden verlengd en op 8 juli 1899 vertrok hij per Koning Willem I terug naar Batavia. Bij zijn aankomst werd hij geplaatst bij het vierde depotbataljon en vervolgens gedetacheerd bij het korps marechaussee. In oktober 1902 werd hij binnen dat korps van de eerste naar de tweede divisie overgeplaatst. Bij Koninklijk Besluit van 5 augustus 1904 nummer 13 verkreeg Rijnders de Eresabel (gelijktijdig en voor hetzelfde als eerste luitenant F. Darlang) voor zijn verrichtingen te Atjeh gedurende het eerste halfjaar van 1903. Datzelfde jaar werd hij benoemd tot kapitein en overgeplaatst bij het dertiende bataljon.

In maart 1905 werd hij overgeplaatst bij het garnizoensbataljon van Celebes, Menado en Timor (korpsgedeelte Balang Nipa) en raakte tijdens de krijgsverrichtingen op Celebes (expeditie naar Boni) lichtgewond. Wegens ziekte kreeg hij vervolgens een verlof naar Europa, wat later twee keer met zes maanden verlengd werd. Voor zijn verrichtingen tijdens de Boni-expeditie gedurende het tijdvak van 12 juni 1905 tot 1 augustus 1906 werd Rijnen bij Koninklijk Besluit van 28 maart 1907 eervol vermeld. Bij terugkeer in Indië werd hij geplaatst bij het derde depotbataljon en in augustus 1909 overgeplaatst bij het tweede bataljon. In juli 1910 werd hij aangesteld als instructeur bij het legioen van Mangkoe Negoro te Soerakarta en in verband daarmee voor memorie bij het leger gevoerd. Hij werd met ingang van 3 oktober 1911 op zijn verzoek eervol uit de dienst wegens lichamelijke ongeschiktheid voor de verdere waarneming van de dienst ontslagen met de titulaire rang van majoor. Rijnen werd vervolgens belast met de waarneming der betrekking van divisie-commandant eerste klasse bij het korps gewapende politie (divisie West-Java). Hij vertrok op 15 april 1915 per Rembrandt naar Nederland, waar hij op 16 december van dat jaar overleed.

Portal.svg Portaal KNIL
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Het Nieuws van de Dag (11-09-1896)
  2. Algemeen Handelsblad (30-06-1897)