Karel van Lotharingen (1712-1780)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Karel van Lorreinen)
Ga naar: navigatie, zoeken
Karel van Lorreinen
Standbeeld van Karel aan zijn paleis
Medaille door Theodoor Victor van Berckel met de beeltenis van Karel van Lorreinen op latere leeftijd (1778)
Hardstenen wapenschild grootmeester Karel van Lotharingen aan de rentmeesterwoning te Diepenbeek

Karel Alexander (Lunéville, 12 december 1712Tervuren, 4 juli 1780), hertog van Lotharingen en Bar, genoemd Karel van Lorreinen, was landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden tussen 1741-1744 en 1749-1780.

Biografie[bewerken]

Hij was de zoon van Leopold van Lotharingen en een broer van keizer Frans I Stefan, die in 1736 getrouwd was met keizerin Maria Theresia van Oostenrijk.

In 1744 trad hij in het huwelijk met aartshertogin Maria-Anna, zuster van Maria Theresia van Oostenrijk. Hij werd reeds in 1741 landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden als adjunct van aartshertogin Maria Elisabeth van Oostenrijk, doch verklaarde zich "verhinderd" om naar de Nederlanden af te reizen. Hij arriveerde ten slotte toch op 26 maart 1744 en nam zijn intrek in het Paleis van Nassau te Brussel en op het kasteel van Tervuren. Hij verliet de stad echter reeds in mei van datzelfde jaar om het bevel te voeren over de Oostenrijkse strijdkrachten in de Oostenrijkse Successieoorlog. In 1745 bezetten de Fransen de stad Brussel omdat zij de erfopvolging van Maria-Theresia, die in 1740 Karel VI had opgevolgd, betwistten. Karel kwam pas terug op 23 april 1749, nadat de Vrede van Aken (18 oktober 1748) ook onderschreven was door Oostenrijk.

Tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756 - 1763) moest hij het onderspit delven tegen Frederik de Grote (Leuthen, december 1757). Hij verliet het leger en keerde terug naar de Nederlanden, waar hij zou blijven tot aan zijn dood in 1780. In 1761 trad Karel in de geestelijke stand (hij was sinds 1744 weduwnaar) toen hij gekozen werd tot grootmeester van Duitse Orde. Deze functie bekleedde hij tot zijn dood.

Het in hardsteen gehouwen wapenschild van de grootmeester prijkt boven de voordeur van de vroegere rentmeesterwoning van Diepenbeek, waar deze laatste dit ambt waarnam voor de landcommandeur van Alden Biesen. Het wapen is gekroond, gedeeld in vieren en doorsneden zodat het acht kwartieren omvat. Over deze acht kwartieren voerde de hertog als teken van zijn waardigheid als grootmeester van de Duitse Orde, een breedarmig kruis met zilveren zoom, beladen met een smal gouden kruis, eindigend op een lelie. In het gouden schildhart een zwarte adelaar: Lorreinen. De zwarte adelaar draagt in het middelpunt een gekroond gouden schild met een rode schuinbalk.

Zijn betekenis voor kunst en cultuur[bewerken]

Als landvoogd en militair bevelhebber is zijn betekenis eerder gering geweest maar hij was wel een geliefd figuur omdat hij hield van feesten, de goede dingen van het leven en hij kunst en cultuur in Brussel bevorderd heeft. Hertog Karel en Karl Johann Philipp, graaf van Cobenzl, gevolmachtigd minister, stelden alles in het werk om jongelingen met talent, die hun werden voorgedragen, aan te moedigen en te helpen om weer tot een eigen Vlaamse kunst te komen. Voor beeldhouw- en schilderskunst werden jonge kunstenaars gevonden, die met subsidies gesteund, genegen waren hun studies voort te zetten. Voor de penningkunst werd de uit 's-Hertogenbosch afkomstige Theodoor Victor van Berckel aangetrokken.

Nog tijdens zijn leven kreeg Karel van Lorreinen twee standbeelden: het eerste in 1752 op de gevel van het Brouwershuis op de Grote Markt, en het tweede in 1774, midden op het Koningsplein in de bovenstad. Het laatste, in brons uitgevoerd, werd in 1794 door de Fransen verwijderd en omgesmolten.

Tijdens zijn regering ontstond op het vroegere Balieplein een nieuw classicistisch juweeltje, het eerder vermelde Koningsplein. In de benedenstad werd het Sint-Michielsplein aangelegd (nu het Martelaarsplein) en bouwde men de Nieuwstraat uit.

Zijn residentie, het Paleis van Karel van Lorreinen te Brussel werd in 1757 gebouwd op de plek waar vroeger het paleis van Nassau stond. Het is thans ingericht als een museum (Museumplein 1, 1000 Brussel). Hier staat ook een standbeeld voor hem.

Vrijmetselaarschap[bewerken]

Jean de Win bewijst in zijn boek Bruxelles maconnique: Faux mystères et vrais symboles dat van Lotharingen geen vrijmetselaar geweest is. Dat dit zogenaamde feit sedert 1854 gemeengoed was, is volgens hem te wijten aan het boek van Adolphe Cordier uit dat jaar, L'Histoire de l'Ordre Maçonnique en Belgique. Hierin werd gesteld dat hij vrijmetselaar was op basis van zeer bedenkelijke bronnen. De Win ontkracht dit. Alle navolgende bronnen baseren zich steeds op de referentie van Cordier, tot op heden. Ook de loges die door hem zouden zijn opgericht, Saint-Charles Bruxelles en L'Unamimité Tournai zijn mythische creaties van Cordier. [1]

Externe link[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. van Win, Jean, Bruxelles maçonnique, Editions Cortext, Marcinelle, 2007, ISBN 9782874300479
Voorganger:
Maria Elisabeth van Oostenrijk
Landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden
1744-1780
Opvolger:
Albert Casimir van Saksen-Teschen
Voorganger:
Clemens August van Beieren
Grootmeester van de Duitse Orde
1761-1780
Opvolger:
Maximiliaan Frans van Oostenrijk