Karolingische kunst

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Karolingische rijk 768-811

De Karolingische kunst was terug te vinden in West-Europa rond de regeerperiode van Karel de Grote. Hij zorgde niet alleen voor staatkundige eenheid maar ook voor culturele eenheid. Tijdens zijn heerschappij bloeide de klassieke kunst weer op. Deze heropbloei van de klassieke kunst wordt ook wel de Karolingische renaissance genoemd.

Geschiedenis[bewerken]

De hofmeier Karel Martel, zoon van Pepijn van Herstal, versloeg de oprukkende Islamieten die via Spanje, Europa binnen trokken in 732 bij de slag van Poitiers in Frankrijk. Zo trad Karel Martel aan als eerste koning van de Karolingische dynastie. Zijn zoon Pepijn De Korte werd door de paus in 751 tot koning van het Frankenrijk uitgeroepen. Maar het was vooral zijn zoon, Karel de Grote, die door vele oorlogen erin slaagde om bijna alle verbrokkelde delen van het vroegere Romeinse rijk te verenigen. In het jaar 800 werd hij door de paus tot keizer gekroond van het nieuw Heilig Roomse rijk.

Helaas hadden de opvolgers van Karel de Grote niet zo’n groot gezag waardoor het rijk uiteen viel. Door het Verdrag van Verdun (843) werd het rijk opgesplitst in 3 grote delen: West-Francië, Oost-Francië en het Middenrijk.

Opkomst en kenmerken van de Karolingische kunst[bewerken]

Als keizer beschouwde Karel de Grote zich gelijk aan de Keizers van het Oost-Romeinse rijk. Naast de typische germaanse invloeden, waren er dan ook heel wat invloeden van de Oost-Romeinse kunst, evenals invloeden van de vroeg christelijke kunst en van de oud Romeinse kunstvormen.

Twee typische uitingen van Karolingische kunst zijn: De zin voor monumentaliteit en de grotere aandacht voor het gebruik van de menselijke vorm.

Geleidelijk aan echter verlieten de Karolingische kunstenaars deze klassieke vorm van kunst en begonnen ze zaken op andere manieren uit te beelden waardoor ze de grondslag legden voor de Romaanse kunst vanaf het midden van de 10de eeuw.

Bouwkunst[bewerken]

Sint-Ursmaruskerk in Lobbes
binnenzicht van de Kapel in Aken.
grondplan kapel Aken
1rightarrow blue.svg Zie Karolingische bouwkunst voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Mede door de herontdekking van de documenten van Romeinse architecten, en ook door de instroom van Visigotische en Byzantijnse kunstenaars verkreeg de Karolingische bouwkunst de kennis en de techniek die nodig was om monumentale bouwwerken op te richten. Zo wilde Karel de Grote opnieuw een krachtig imperium opbouwen die in zijn architectuur schitterde. Maar hun bouwwerken gingen verder dan alleen het kopiëren van bouwwerken uit de oudheid.

In de Karolingische periode werden vooral kerkelijke gebouwen opgericht in twee soorten bouwstijlen.

Basilicabouw[bewerken]

De architectonische plan van deze kerken is altijd hetzelfde en omvat een centrale plan of basiliek uit de oudheid, maar met enige aanpassing. Een koepel overstijgt het gebouw. Het portaal is gewelfd. De versieringen stellen vegetatie, bladeren, vlechten en cirkels van verschillende kleuren voor. De oorspronkelijk T-vormige plattegrond van de basiliek wordt aangevuld met een groot koor en een dwarsbeuk, en krijgt zo de vorm van een Latijns kruis.

De ramen werden uitgevonden rond het jaar 800. De Merovingers hadden de gewoonte om glas in hun kerken te plaatsen. Maar het was in de Karolingische architectuur dat voor het eerst gekleurd glas gebruikt werd. Het thema was altijd geïnspireerd op de bijbel en diende om het schip van de kerk te verlichten in overweldigende kleuren.

De enige bewaarde Karolingische abdijkerk bij ons is de St. Ursmaruskerk in Lobbes (omstreeks 900 gebouwd).

Centraalbouw[bewerken]

Karel de Grote koos de Duitse stad Aken als hoofdplaats van zijn rijk. Daar liet hij zijn paleis (“palts” afgeleid van het Latijnse woord palatium) bouwen. Dit bevatte een centraal opgevatte slotkapel, naar het model van de Byzantijnse koepelkerk van San Vitale in Ravenna (Italië).

Het plan (zie afbeelding) was complex, omdat het bestaat uit een centrale achthoek van 16,54 meter in diameter die dan uitbreid naar een zestienhoek aan de buitenmuur. Tussen deze muur en de centrale achthoek, zijn er acht zeshoekige nissen. De overgang van het achthoekig centrum naar de zestiendelige buitenwand gebeurd door driehoekige gewelven. In het oosten was nog een rechthoekig deel waar ook het koor gevestigd was, maar dat is nu verdwenen.

De kapel bestond ook uit drie niveaus: Onder, midden of de tribune en het niveau van de ramen.

De troon van Karel de Grote stond op het tribune niveau in het oosten en domineerde zelfs de de altaren gewijd aan de Maagd Maria en Sint-Pieter. De betekenis hiervan was dat Karel de Grote aangeduid was door God om te regeren en daardoor de gelijke was van de heiligen.

De sint-Donaaskerk in Brugge was ook in centraalbouw opgetrokken maar met uitzondering van de grondvesten is deze kerk verdwenen.

Edelsmeedkunst[bewerken]

Altaar in de Sint Ambrosiuskerk in Milaan

Karel de Grote deed de edelsmeedkunst weer opleven toen hij een gieterij opende in Aken om de bekleding van de deuren van zijn kapel te gieten en te bewerken, naar het voorbeeld van de Romeinen. In de kapel stond ook een verloren gegaan levensgroot kruis met de figuur van christus in goud.

Ook belangrijke Karolingische manuscripten werden voorzien van een beschermende kaft in edelmetaal en ivoor, bezet met edelstenen. Jammer genoeg zijn niet veel voorbeelden overgebleven van deze kaften.

Een voorbeeld van bronsgieterij die we terugvinden is dit van een kleine ruiterstandbeeld van Karel de Grote, die terug te vinden is in het Louvre (zie ook de link onderaan, foto is copyright). Dit werd gegoten uit een voorbeeld van een Romeinse ruiter maar de kunstenaar paste het aan naar de tijd waarin hij leefde. Zo zijn de kledij en het hoofd van Karel de Grote duidelijk germaans.

Het grootste nog bestaande Karolingisch edelsmeed werk is de zogeheten “paliotto” of de altaarbekleding van de St.-Ambrosiuskerk in Milaan. De vier zijden van het altaar zijn bekleed met zilveren reliëfs. Aan de voorzijde zien we het leven van Jezus met in het midden de Byzantijnse voorstelling van Christus op zijn troon. Op de achterwand het leven van de H. Ambrosius, bisschop van Milaan (339-397). Op de twee zijwanden zien we de verering van het H. Kruis.

Ivoorsnijkunst[bewerken]

ivoorsnijkunst kerk van Genoels-Elderen (einde 8ste eeuw)

De ivoorsnijkunst van de karolinginsche periode was ook sterk geïnspireerd door de laat klassieke periode. Dit blijkt duidelijk uit de kenmerken die deze vorm van ivoorsnijkunst heeft:

  • de afbeeldingen hebben een menselijke gestalte
  • de kleding en de houding
  • de ornamentale motieven

De afbeeldingen waren geïnspireerd op beschrijvingen uit de bijbel, meestal ging het om een triomferende christusfiguur, een verchristelijkte weergave van de verheerlijking van de keizer. Deze kunstwerken zijn vooral terug te vinden op de kaften van evangelische boeken en op de deksels en wanden van reliekkistjes. Soms ook in de kanten van de altaren in de kerken van die tijd.

Op het einde van de 9de eeuw werd de ivoorsnijkunst in het Duitse gebied meer volks en in de Ottoonse periode werden ook de onderwerpen vrijer, er kwamen voorstellingen van plaatselijke legendes en gebeurtenissen op voor. Uiteindelijk zou deze ivoorsnijkunst een aanzet geven naar de Romaanse beeldhouwkunst.

Schilderkunst[bewerken]

De evangelist Marcus (800) Trier.

De meeste schilderwerken van de Karolingische renaissance zijn verloren gegaan. Toch kunnen we nog twee soorten onderscheiden, ,nl de miniatuurschilderkunst en de muurschilderingen.

Miniaturen[bewerken]

De voornaamste centra van de miniatuurschildering onder de Karolingers waren de scriptoria van de keizerlijke hoven, bisdommen en abdijen in het gebied tussen de Loire en Rijn. Namelijk:

Elk scriptorium voegde zijn eigen kenmerken toe aan de miniaturen. Ook hier traden dezelfde kenmerken als in de ivoorsnijkunst opnieuw naar voren. Centraal waren er menselijke figuren omgeven door fauna en flora. Ook de Byzantijnse invloed is merkbaar: de plastische opstelling van de figuren en de gedrapeerde gewaden. Een overvloed aan kleuren met een levendige en vlotte tekening zijn duidelijk een erfgoed van de Franken.

Fresco Müstair, Zwitserland

Muurschilderingen[bewerken]

De Muurschilderingen uit de tijd van de Karolingen zijn schaars te vinden en diegenen die nog overblijven zijn dikwijls beschadigd of er zijn enkel nog fragmenten van over. Ook hier gaat de Karolingische renaissance over in de ottoonse renaissance, waar ook muurschilderingen te vinden zijn. Een voorbeeld hiervan is te vinden in de Sint-georgkerk in Reichenau-Oberzell. Hierna wordt de overgang gemaakt naar de Romaanse kunst.

Externe bronnen[bewerken]