Kasteel van Vincennes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Kasteel van Vincennes (Frans: "Château de Vincennes") is de voornaamste nog bestaande Franse koninklijke burcht. De 52 meter hoge donjon is, met de donjon te Crest die ook 52 meter meet, de hoogste van Europa. Het kasteel werd gesticht tussen de 14e en 16e eeuw.

Middeleeuwen[bewerken]

Donjon en buitenmuur

Het jachthuis dat Lodewijk VII rond 1150 in het woud van Vincennes had opgetrokken, werd in de 13e eeuw door Lodewijk de Heilige veranderd in een landhuis. Van hieruit vertrok Lodewijk voor een kruistocht waarvan hij niet zou terugkeren.

Halverwege de Middeleeuwen werd het kasteel belangrijker: Filips de Stoute en Filips de Schone trouwden er en drie 14e-eeuwse koningen werden er geboren. Daarnaast werd er enige tijd de doornenkroon (destijds beschouwd als relikwie) bewaard, voor hij naar de Sainte-Chapelle in Parijs werd overgebracht. Voor een fragment van de relikwie die in Vincennes achterbleef, werd een nieuwe kapel gebouwd.

Rond 1337 besloot Filips VI van Valois de plek te versterken met een donjon ten westen van het gebouw. Met 52 meter is het het meest imposante middeleeuwse verdedigingsbouwwerk van Europa. De Valois bouwden rond 1410 ook een monumentale omwalling van meer dan een kilometer lengte met drie poorten en negen veertig meter hoge torens.

Van Renaissance naar Restauratie[bewerken]

Een van de onvrijwillige gasten van het kasteel was Hendrik IV, toen hij hier gevangen werd gezet tijdens de Godsdienstoorlogen tussen katholieken en protestanten. In de 17e eeuw bouwde de architect Louis le Vau voor Lodewijk XIV vleugels voor de koning en de koningin. Daarmee werd het kasteel de derde koninklijke residentie. De reconstructie werd echter niet doorgezet omdat het Kasteel van Versailles alle aandacht opeiste. Er zijn niettemin in het gebouw enkele kenmerken van de Lodewijk XIV-stijl bewaard gebleven. Een veel beter voorbeeld daarvan is echter het Kasteel van Vaux-le-Vicomte, gebouwd in opdracht van Lodewijks schatbewaarder Nicolas Fouquet, die vervolgens de eer genoot tot zijn dood in Vincennes gevangen te zitten. Naderhand werden ook de Markies de Sade, Mirabeau en Denis Diderot hier gevangengezet.

In 1796 werd het kasteel een arsenaal, en in 1815 werd het door de napoleontische generaal Pierre Daumesnil met nog geen 200 man vijf maanden lang met succes verdedigd tegen Russische en Pruisische troepen. Pas op bevel van Lodewijk XVIII gaf hij het fort uiteindelijk over.

Moderne tijd[bewerken]

Gezicht van de noordkant

Het park werd in de 19e eeuw omgewerkt in de stijl van de Engelse parktuin. Napoleon III gaf Eugène Viollet-le-Duc de zorg over de restauratie van de kapel en de donjon; het Bois de Vincennes (10 km²) werd vermaakt aan de stad Parijs. Op 15 oktober 1917 werd Mata Hari op beschuldiging van spionage gefusilleerd op het kasteelterrein. In 1964 wenste Charles de Gaulle van het Élysée te verhuizen naar Vincennes, omdat hij het Parijse paleis niet prestigieus genoeg vond; van het plan kwam echter niets.

Huidige renovatie[bewerken]

Het kasteel valt zowel onder het Ministerie van Cultuur (als historisch monument) als onder het Ministerie van Defensie. Sinds 1988 is het gebouw intensief gerestaureerd. In 2007 is het gebouw weer opengesteld voor publiek. Het gebouw is ook een locatie geweest voor talrijke films.

Bronvermelding[bewerken]

Dit artikel of een voorgaande versie ervan is vertaald uit de Franse wikipedia, aut. Rinaldum, patrick.charpiat e.a.

Externe links[bewerken]