Limburgs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Kenmerken van het Limburgs)
Ga naar: navigatie, zoeken
Limburgs
Nederfrankische taalvariant
Het Limburgs in kaart gebracht
Het Limburgs in kaart gebracht
Gesproken in Nederland, België en Duitsland
Taalgebied Het overgrote deel van Belgisch en Nederlands Limburg, de Platdietse streek (Provincie Luik) en aangrenzende gebieden in Noordrijn-Westfalen
Aantal sprekers
circa 2 miljoen
Streekdialecten Zuidoost-Limburgs, Platdiets
Stadsdialecten Maastrichts, Geleens, Hasselts, Roermonds, Sittards, Venloos, Weerts
Taalcodes
ISO 639-1 li
ISO 639-2 lim
ISO 639-3 lim
Portaal  Portaalicoon   Taal
Nederlands

Het Limburgs (Limburgs: Limbörgs, Lèmbörgs of officieuzer Plat) is een van de drie door het Europees Handvest erkende minderheidstalen in Nederland (naast het Fries en Nedersaksisch). Sinds 19 maart 1997 is het Limburgs als zodanig erkend. Volgens een andere definitie is het Limburgs de zuidoostelijke dialectgroep van het Nederlands taalgebied.

Het Limburgs valt uiteen in meerdere dialectvarianten met elk hun eigen kenmerken, zonder dat er sprake is van een overkoepelende standaardvorm (het AGL in dit geval buiten beschouwing gelaten). Deze dialecten worden gesproken in het overgrote deel van zowel Belgisch als Nederlands Limburg. Het precieze spraakgebied is niet duidelijk afgebakend en afhankelijk van wat er taalkundig precies onder Limburgs wordt verstaan. Enkele in de aangrenzende gebieden in Duitsland traditioneel gesproken dialecten behoren ook tot het Limburgs, maar deze dialecten groeien sinds de 19e eeuw steeds meer naar de Duitse cultuurtaal toe.[1]

Definitie[bewerken]

Het Limburgs-Nederrijnse dialectcontinuüm.

De term "Limburgs" slaat taalkundig op de Nederfrankische dialecten gesproken tussen de Benrather linie (maken/machen) en de Uerdinger linie (ik/ich), die hoofdzakelijk worden gekenmerkt door een beperkte deelname aan de Tweede Germaanse klankverschuiving en het gebruik van stoot- en sleeptonen; beide unieke ontwikkelingen binnen het Nederfrankisch.

In het dagelijks taalgebruik wordt met de geografische term Limburgs onder meer verwezen naar de dialecten van Belgisch- en Nederlands-Limburg als zodanig, hoewel niet elke taalvariëteit in deze gebieden in taalkundig opzicht Limburgs te noemen is. Zo worden de dialecten in het noorden van Nederlands-Limburg weliswaar Noord-Limburgs genoemd ("Kleverlands" op de hier rechts getoonde kaart), maar in wezen betreft het hier overgangsdialecten met taalkundig vooral Brabantse en daarnaast enkele Limburgse kenmerken.

Nuvola single chevron right.svg Zie ook Brabants-Limburgse overgangsdialecten

Ook in het westen van Belgisch-Limburg worden dialecten gesproken die taalkundig tot het Brabants behoren (met de Uerdinger linie als uiterste isoglosse van het Limburgs), terwijl in Nederland de dialecten in het uiterste zuidoosten van Noord-Brabant taalkundig juist weer Limburgs zijn. In het zuidoosten behoren het Kerkraads en het Vaalser dialect taalkundig gezien eigenlijk tot de Ripuarische dialecten, hoewel ze met name door de sprekers zelf vaak gewoon "Limburgs" genoemd worden.[2]

Binnen de Nederlandse taalkundige traditie worden de Zuid-Limburgse dialecten traditioneel gezien als Nederfrankische taalvariëteiten met een Middelduitse invloed.

Alternatieve definities[bewerken]

Verbreiding van het Limburgs volgens verschillende definities.

Afhankelijk van de criteria die gehanteerd worden, wordt Limburgs in verschillende (gedeeltelijk overlappende) gebieden gesproken:

1. Politieke definitie: Limburgs is alle streektaal die binnen de provinciegrenzen van de beide Limburgen wordt gesproken.
2. Limburgs volgens Jo Daan (1969), die de associatieve pijltjesmethode van het Meertens Instituut gebruikt.
3. Zuidnederfrankisch, de isoglossendefinitie tussen de Uerdinger en Benrather linies volgens Wenker (1877), Schrijnen (1902,1907) en Goossens (1965).
4. Westelijke grens van tonaliteit, zijnde de grootste lexicale afstand van het Standaardnederlands (Hoppenbrouwers, 2001)
5. Zuidoostlimburgs volgens Wintgens (1998) en Frins (2009), dat een gedeelte van het Ripuarisch in Duitsland bevat.

Positie binnen het Nederlands[bewerken]

Wie de positie van het Limburgs binnen het Nederlands wil bepalen, dient eerst aan te geven wat er onder "het" Nederlands wordt verstaan. In groter verband is het Nederlands een van de vier talen die tezamen het continentaal West-Germaans worden genoemd, met Duits, het Engels en het Fries. Binnen het Nederlands zijn ook weer onderverdelingen mogelijk, waardoor het woord ten minste twee betekenissen krijgt.

  • Enerzijds bedoelt men met het Nederlands veelal: het Standaardnederlands, dat wil zeggen de standaardtaal zoals die vanaf de zestiende eeuw in het Nederlandse taalgebied ontstond. Deze standaardtaal is grotendeels een construct: een samenstel van elementen uit dialecten, waarbij de dialecten met het grootste prestige de grootste inbreng kregen toebedeeld. De Limburgse dialecten staan naar verhouding relatief ver van deze Nederlandse standaardtaal af. Dit komt doordat zij ten tijde van de conceptie van het Standaardnederlands te weinig prestige genoten, en zo een zeer beperkte invloed op de vorming ervan hebben gehad.
  • Anderzijds wordt met het Nederlands bedoeld: dat samenstel van dialecten die samen de Nederlandse taal vormen, waarbij sprake is van 28 hoofddialecten.[3]

Maar zoals hierboven bij Definitie reeds werd aangegeven, maken de Limburgse dialecten onderdeel uit van de Rijnlandse waaier, die onder Keulse dominantie is ontstaan.[4] Ook vanuit het Duitse taalgebied gezien, maken de Limburgse dialecten deel uit van een dialectcontinuüm.
Het is dan ook uit taalkundig oogpunt niet goed te bepalen of de Limburgse dialecten tot het Duitse, het Nederlandse of tot een eigen taalgebied behoren. Historische reconstructie heeft weinig zin, aangezien er vóór de zeventiende eeuw geen sprake was van het Nederlands. Wel worden de Middelnederlandse dialecten doorgaans ingedeeld als Vlaams, Brabants, Hollands, Limburgs en oostelijk Nederlands,[5] maar aangezien "het" Middelnederlands een projectie terug in de tijd is van het begrip "Nederlands", zegt ook die indeling niet heel veel over de huidige Limburgse dialecten.

Vanuit taalkundig oogpunt heeft de vraag of het Limburgs een taal is of een dialect, weinig zin; er zijn geen vaste onderscheidende criteria. Taalkundigen maken dan ook wel een pragmatisch onderscheid, dat weliswaar weinig taalkundig is: dan worden al die dialecten als Nederlands beschouwd die worden gesproken waar het Nederlands de officiële standaardtaal is.[6] De vraag of het Limburgs nu een (groep) dialect(en) is dan wel een "inheemse niet-dominante taal", is dan ook vooral een kwestie van taalpolitiek.[7]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook Status

Geschiedenis[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook Geschiedenis van het Nederlands en Geschiedenis van Nederland#Middeleeuwen

In het Oudnederlandse taalgebied ontstond rond de 8e eeuw een scheiding. De reden hiervoor was dat het Oudnederlands in het zuidoosten van het huidige Nederlandse taalgebied onder invloed van het Merovingische en vooral ook het Karolingische hof kwam. Het zwaartepunt hiervan lag rondom Aken, Luik en Keulen. Hier werden geen Oudnederlandse, maar Oudhoogduitse dialecten gesproken.

In het Oudnederlandse taalgebied bevonden zich destijds (zeker na de ondergang van Dorestad in het midden van de 9e eeuw) geen steden die het politiek-economische belang (en het daarbijhorende prestige) van deze nederzettingen konden evenaren, een situatie die zich tot de opkomst van de Vlaamse steden in de late 10e en vroege 11e eeuw zou handhaven, en hierdoor vond er een verspreiding plaats van bepaalde Hoogduitse kenmerken onder de Oudnederlandse dialecten, waarvan de resulterende vorm het Oud-Oost-Nederlands is. De Oudnederlandse dialecten - waar deze ontwikkelingen (ook wel de Keulse expansie genoemd) niet of nauwelijks plaatsvonden - worden West-Oudnederlands genoemd. Het Oud-Oost-Nederlands is de directe voorloper van de huidige Zuid-Limburgse en Midden-Limburgse dialecten.

In de 12e eeuw was de Hoogduitse invloed gestopt. In de loop van de twee voorgaande eeuwen hadden typisch Middelnederlandse klankontwikkelingen (zoals eindklankverscherping ofwel de verdoffing van uitgangen, assimilatie en reductie) zich langs de afnemende Hoogduitse invloeden doorgezet. Desalniettemin (en ondanks het feit dat de plaatselijke woordenschat vrijwel geheel Nederfrankisch van aard bleef) is het Limburgs uit deze periode over het algemeen eenvoudig te onderscheiden van de overige Middelnederlandse hoofdgroepen (het Hollands, Vlaams, Brabants en Oost-Middelnederlands).

De vroege Middeleeuwen eindigden met nieuwe ontginningen, bevolkingsgroei en een sterk verbeterde infrastructuur die interactie over langere afstanden makkelijker maakten. In deze periode heroriënteerde de Limburgse regio zich; in plaats van zich te blijven richten op de nabij gelegen Duitse steden verschoof het zwaartepunt van de economische en culturele betrekkingen naar het westen, waar de bloeiende steden Gent, Brugge en Ieper lagen.

Toen in 1288 het Hertogdom Limburg na de Slag bij Woeringen onder bestuur van de Brabantse hertog kwam en in de daaropvolgende eeuw de Brabantse stad Antwerpen de Vlaamse steden voorbijstreefde, begon ook in Limburg de Brabantse expansie; de overname van Brabantse kenmerken door omliggende dialecten. In het geval van het Limburgs waren in het begin vooral de dialecten in het huidige Belgisch-Limburg hierbij betrokken, al kregen op den duur vrijwel alle Limburgse varianten hiermee te maken.

Toen rond het begin van de 16e eeuw de eerste verregaande pogingen werden gedaan om het Nederlands te standaardiseren, was de basis vooral het Brabants. Toen tijdens de Tachtigjarige Oorlog Antwerpen viel, verschoof het culturele, politieke en economische zwaartepunt naar de Noordelijke Nederlanden, in het bijzonder het gewest Holland. Het gevolg was dat het Hollands een grote invloed kreeg op de vorming van de Nederlandse standaardtaal, meer in het bijzonder op de uitspraak. Hierdoor zijn er tegenwoordig relatief weinig sporen van de Limburgse dialecten terug te vinden in de Nederlandse standaardtaal.

De oudst bekende in het Limburgs geschreven tekst dateert uit de 18e eeuw. Dit is een in het Maastrichts geschreven tekst getiteld Sermoen.

In de twintigste eeuw was er, mede door de opkomst van radio en televisie, een groot verschil ontstaan tussen het dialect in België, Nederland en Duitsland. In België verloor het Zuidnederfrankisch dialect terrein aan het Verkavelingsvlaams, in Duitsland werd er steeds meer het Rijnlands regiolect gesproken[8]. Alleen in Nederlands Limburg blijft het aantal dialectsprekers tot op heden constant, mede door het gebruik van dialect op de regionale radio en tv. Een uitzondering is Heerlen, waar het Heerlens Nederlands overheerst.

Kenmerken[bewerken]

De Limburgs-Ripuarische tonaliteit. Deze kaart brengt het verspreidingsgebied in beeld van wat linguïstisch het hoofdkenmerk van het Limburgs is: het betekenisdragend verschil in toonhoogte.

Stoot- en sleeptonen[bewerken]

Evenals het naburige Ripuarisch maken veel Limburgse dialecten gebruik van een verschil in toonhoogte als distinctief kenmerk, dat wil zeggen om een verschil in betekenis uit te drukken.[9] Het Limburgse woord bein kan bijvoorbeeld zowel 'been' (enkelvoud) als 'benen' (meervoud) betekenen. Deze woorden verschillen alleen in de toonhoogte waarop ze worden uitgesproken: het enkelvoud heeft een hoge vlakke sleeptoon, het meervoud een dalende stoottoon. Toonverschillen in het Limburgs worden verder onder andere gebruikt om verschillende vormen van het bijvoeglijk naamwoord te maken, maar ook om woorden te onderscheiden die in het Nederlands gelijkluidend zijn. Zo wordt in veel Limburgse dialecten het voorzetsel bij onderscheiden van de naam van het insect doordat de eerste een sleeptoon heeft en de tweede een stoottoon. Een ander goed voorbeeld van deze tonaliteit zijn de Maastrichtse woorden voor 'steen' en 'stenen'. Deze worden allebei geschreven als sjtein. Alle klanken zijn bij beide woorden hetzelfde, alleen is de ei onderhevig aan tonaliteit:[10]

Eine sjtein [ʃtɛ́íːn²]? 'een steen'; hierin is de ei-tweeklank lang, en gaat de hoogte licht omhoog aan het einde van de sleeptoon.
Twie sjtein [ʃtɛ́ìn¹]? 'twee stenen'; hierin is de ei-tweeklank bijzonder kort, en daalt de stoottoonhoogte snel naar beneden.

Het betreft hier een voor de West-Europese talen unieke eigenschap. Het Limburgs lijkt hiermee een beetje op bekende toontalen als het Chinees, maar is wat minder extreem. Waar Chinese dialecten vier, vijf en volgens sommigen wel zes verschillende tonen onderscheiden, heeft het Limburgs er maar twee. Bovendien worden de tonen in het Limburgs alleen gerealiseerd op de lettergreep met de hoofdklemtoon in het woord. Limburgs is dus - net als bijvoorbeeld het Lets, Servo-Kroatisch, Sloveens en Zweeds - geen echte toontaal, maar een taal met toonaccent. De noordelijke isoglosse van het gebied waar tweetonigheid voorkomt ligt over Weert, onder Meijel en met een bochtje over Venlo en Arcen heen. Venray ligt dus buiten dat gebied; mede daarom wordt het Venrays meestal niet tot het Limburgs, maar tot de Brabants-Limburgse overgangsdialecten gerekend. Naar het westen toe loopt de tonaliteitslijn over Budel en Maarheeze heen en snijdt ze Lommel, de neus van West-Limburg en het gebied rond Sint-Truiden af.

Zo scherp als ze vaak getekend wordt is de grens in werkelijkheid niet. Bijna steeds is er buiten het tonaliteitsgebied een strook waar men de twee tonen wel kent, maar waar ze niet in oppositie gesteld worden (dus geen betekenisverschil uitmaken). Ook zijn er gebieden waar de twee tonen de kwaliteit van de klinkers zelf zo hebben veranderd, dat de woorden die oorspronkelijk alleen door sleeptoon en stoottoon uit elkaar gehouden werden nu steeds andere klinkers hebben. Dit vindt men ten zuiden van Maastricht (in de gemeenten Riemst en Eijsden-Margraten), en ook het Weerts heeft zijn toonoppositie ingeruild voor een oppositie tussen verschillende klinkers.

Onderzoek van José Cajot uit 2001 wees uit dat in enkele dialecten ten zuidwesten van Maastricht het onderscheid tussen stoot- en sleeptoon niet langer distinctief is en dat in Belgisch-Limburg het onderscheid tussen stoot- en sleeptoon niet meer bestaat in het dialect van Riemst.[11]

Oorsprong van de tonaliteit[bewerken]

Er bestaan verschillende theorieën over de precieze manier waarop dit verschijnsel in het Limburgs is ontstaan. In het algemeen is men het er wel over eens dat de oorsprong in het spraakgebied in en rond Keulen gezocht moet worden. Een mogelijke verklaring is dat het toonverschil is ontstaan toen in de Middeleeuwen in het Keulse dialect in sommige woorden de sjwa aan het eind wegviel. Deze verklaring is echter problematisch; woorden die nu een stoottoon hebben, zouden op deze manier eerder een sleeptoon hebben moeten krijgen als gevolg van de grotere lettergreeplengte. Een recentere en iets meer voor de hand liggende verklaring is dan ook, dat de Limburgse sleeptoon oorspronkelijk een imitatie is van de gedeeltelijke klinkerverlenging in het enkelvoud van sommige woorden die in de aangrenzende Ripuarische dialecten plaatshad. In de uitspraak van woorden als Tal werd een volledige klinkerverlenging - zoals die in de Duitse standaardtaal wel plaatsvond - in Keulen en omgeving vermoedelijk gemeden, omdat in deze zelfde dialecten de eindsjwa van het meervoud toen net was verdwenen. Enkel- en meervoud zouden zo anders volledig zijn samengevallen. Deze verklaring wordt des te aannemelijker doordat de articulatie van de aldus ontstane halflange klinker in het enkelvoud heel dicht komt bij wat nu de sleeptoon heet.[12]

Klinkers[bewerken]

Het Limburgs heeft meer klinkers dan het Nederlands. Het klinkerarsenaal vertoont grote overeenkomsten met de Nedersaksische dialecten, in het bijzonder het Achterhoeks en het Twents. Het hier gestelde heeft geen betrekking op de West-Limburgse dialecten. De spelling in het overzicht is de Veldekespelling.

Korte klinkers[bewerken]

klank voorbeeld uitspraak IPA
a kat als in het Ndl. /ɑ/
e bel tussen Ndl. a en e /æ/
e de sjwa /ə/
è sjtèl tussen Ndl. e en i /ε/
i hin ("kip") als in het Ndl. /ı/
o kop als in het Ndl. /ɔ/
ó sjtóp ("stoep") geronde en meer gesloten o /o/
ö dörp als de oe in het Fr. oeuf /œ/
u un ("ui") als in het Ndl. /ʏ/

Lange klinkers[bewerken]

klank voorbeeld uitspraak IPA
a(a) aaf ("af") als in het Ndl. /a:/
ae gaere ("graag") tussen aa in paar en ai in fair in /æ:/
ao maon ("maan") benadert de oo uit oor /ɒ:, ɔ:/
äö sjäöp ("schapen") als de oe uit het Fr. soeur (lange ö) /œ:/
ee leef ("lief") Ndl. ee zonder naslag /e:/
èè/ei trèèn ("trein")* als de è uit het Fr. mère /ε:/
eu geut ("goot") Ndl. eu zonder naslag /ø:/
ie wies ("wijs") als in het Ndl.; dikwijls langer /i(:)/
oe hoes ("huis") als in het Ndl.; dikwijls langer /u(:)/
o(o) good ("goed") Ndl. oo zonder naslag /o:/
uu kruus ("kruis") als in het Ndl.; dikwijls langer /y(:)/

*: De klank èè komt maar beperkt voor (komt in Maastricht relatief gezien vaker voor, en wordt daar geschreven als "ei"), als dialectische variant op ei/ij.

Tweeklanken[bewerken]

N.B. Veel van deze tweeklanken komen slechts in een beperkt aantal dialecten voor; sommige sluiten elkaar uit (dat wil zeggen komt de ene tweeklank voor dan kan de andere, daarop lijkende klank niet optreden). Dit is het geval met de ieë, en , met de oeë, oa en wa en met de , en .

Ook valse diftongen (als aw en ej) zijn opgenomen.

klank voorbeeld uitspraak IPA voorkomen
aaj vlaaj ("vlaai") aa met j [a:j]? vrij algemeen
aoë raoëd ("raad") ao met naslag [ɒ:ə]? Midden-Heuvelland
äöj dräöj ("draden") äö met j [œ:i]? vrij algemeen in NL-Limburg
au paus als in het Ndl. [ɑu]? algemeen
aw klaw ("klauw") a met halfvocaal w [ɑw]? vrij algemeen
ei, ij bein ("been") als in het Nederlands [εi]? algemeen
ej hej ("had", conj.) e met j [æj]? vrij algemeen
ew vewke ("vouwtje") e met halfvocaal w [æw, εw]? vrij algemeen, maar niet frequent
ieë Wieërt ("Weert") ie met naslag [i:ə]? Maaskant, noorden en zuidoosten van NL-Limburg
hièr ("heer") vloeiende overgang i naar è [iε]? Valkenburg e.o.
kjès ("kaas") valse tweeklank; lijkt op [jε]? Meerssen e.o.
oa sjoan ("mooi") vloeiende overgang o naar a [ɔɑ]? Valkenburg en Geleen e.o.
oea sjoeal ("school") oe met a-naslag [u:ɑ]? o.a. Montfort
oeë broeëd ("brood") oe met naslag [u:ə]? noorden en zuidoosten van NL-Limburg
oj mojl ("bek") o met j [ɔj]? vooral Maastricht
ou oug ("oog") als in het Ndl., vaak richting ow [ɔu, ɑu]? algemeen
kuël ("kool [plant]") uu met naslag [y:ə]? Maaskant, noorden en zuidoosten van NL-Limburg
huèr ("hoor") u gevolgd door è [yε]? Valkenburg en Geleen e.o.
ui huid ("hoofd") als in het Nederlands, maar met j-naslag yi]? algemeen, maar weinig frequent
wa dwad ("dood") valse tweeklank, lijkt op oa [wɑ]? Meerssen e.o.
wjè grwjètsj ("trots") valse tweeklank, lijkt op [wε]? Meerssen e.o.

Umlaut[bewerken]

Zoals hierna toegelicht zal worden komt in alle Limburgse dialecten veel umlaut voor, gewoonlijk met een grammaticale achtergrond. Er zijn vaste umlautpatronen, hieronder gegeven en toegelicht aan de hand van een verkleinwoord.

klank voorbeeld
a > e man - menneke
aa > ae aap - aepke
ao > äö haor ("haar") - häörke
o > ö pot - pötje
ó > u sjtóp - sjtupke
oe > uu hoes - huuske
ou > ui droum ("droom") - druimke

In sommige dialecten is de umlaut van aa in bepaalde of zelfs alle gevallen ee (vb. Maastrichts aap - eepke)

Medeklinkers[bewerken]

Deze wijken belangrijk minder van het Nederlands af dan de klinkers. Om die reden zullen slechts de bijzondere klanken hier worden weergegeven.

klank voorbeeld uitspraak
ch ach ("acht") stemloze velare fricatief ("zachte g")
g good stemhebbende velare fricatief
gk zègke ("zeggen") g als in En., Du. of Fr.
r raad ("wiel") keel-r, behalve in Stein e.o.
w wae ("wie") een halfvocaal, tussen Ndl. en En. w in

In het gebied tussen Weert, Reuver, Bocholt en Sittard komt bovendien mouillering voor. Dat wil zeggen dat de t en de d aan het eind van een woord vaak wat palataler worden uitgesproken: als tj en dj. De eindklank -nt/nd kan dan ook in -nj veranderen: Roermondenaren noemen hun stad Remu(u)nj.

T-deletie[bewerken]

In de meeste Limburgse dialecten doet zich t-deletie voor. Dit komt erop neer dat de t wegvalt na de medeklinkers ch, f, g, k, p en s. Bij een m en een ng is assimilatie vereist tot p resp. k.

In aanzienlijke delen van het Limburgse taalgebied gaat deze klankwet niet op en wordt de t (vaak gemouilleerd, zie boven) wel uitgesproken. Dit is bijvoorbeeld het geval in het Weerts of de westelijke 'Dommellandse' dialecten (Overpelt, Neerpelt, Achel).

Regressieve assimilatie[bewerken]

Waar in het Nederlands progressieve assimilatie heerst, doet het Limburgs in veel gevallen aan regressieve assimilatie. Dat wil zeggen dat een harde (stemloze) medeklinker in een zachte (stemhebbende) verandert als er een klinker of zachte medeklinker op volgt. Woordgroepen als "pak aan" worden door een Limburger - vaak ook in zijn Nederlands - als "pagk aan" uitgesproken. (Dit geldt ook in het Luxemburgs en in de centraal-westelijke dialecten van het Duits.) Een veel duidelijker voorbeeld vindt men in de vervoeging van zwakke werkwoorden: de kofschip-regel is in het Limburgs volkomen onbekend, alle zwakke werkwoorden vormen hun verleden tijd met -de. Als de voorgaande stammedeklinker stemloos is, wordt hij stemhebbend. Make ("maken") heeft dus als verleden tijd maagkde, vatte wordt vadde (in de meeste gevallen, soms wordt het "maagket" of "vattet"). De regressieve assimilatie wordt trouwens niet uitgeschreven.

Voorbeeldzinnen[bewerken]

De volgende zinnen:
Ik praat thuis dagelijks Limburgs. Deze taal moeten we zien te behouden door haar overal in Limburg te gebruiken. Doe jij ook mee?
worden hieronder in diverse Limburgse dialecten weergegeven:

  • Maastrichts: Iech praot toes edersdaags Limburgs. Dees taol mote v'r zien te behawwe door ze euveral in Limburg te gebruke. Deis diech ouch mèt?
  • Vaals: Iesj moel/kal heem jiddere daag plat. Dees sjpraorch mosse vier zieë tse behalte dursj 'r uvveral ì Limburg tse jebroeeche. Deesse òch miet?
  • Valkenburgs: Iech kal thoes ederen daag Limburgs. Dees taal moete v'r zeen te behoute door ze euveral in Limburg te gebruke. Deis doe ouch mèt?
  • Doenraads: Ich kal toes/heem jieëkere/iddere/jedere daag Limburgs/plat. Dees taal/sjpraok motte vier zieën te behoute doer ze uuëveral in Limburg te gebroeke. Dees doe/se ooch mèt?
  • Roermonds: Ich kal toes ederen daag Limburgs. Dees taal mótte v'r zeen te behaje door ze euveral in Limburg te gebroeke. Duis se ouch mit?
  • Venloos: Ik praot thóes idderen daag Limburgs. Dees taal môtte we zeen te behalde door ze euveral in Limburg te gebróeke. Duis dich ouk mei?
  • Weerts: Ich kal thoês ederen daâg Plat. Dees taal mótte ve zeen te behaoje door ze overâl in Limburg te gebroêke. Doojae ouch mej?
  • Hasselts: Iech klap töes idderen dag Limburgs. Dees taal mutte vie zien te behage doeër ze èvveral in Limburg te gebrööke. Dou dzjie euch bè?
  • Montforts: Ich kal heim ederen daag plat. Dees taal mótte v'r zeen te behaje door 't euveral in Limburg te broeke. Duis se-n ouch mit?
  • Sittards: Ich kal thoes jedere daag plat. Dees taal motte veer zeen te behauwte door höör euveral in Limburg te gebroeke. Deis te auch mit?
  • Geleens: Ich kal thoes jedere daag Limburgs. Deze taol motte veer zeen te behouwen door ze euveral in Limburg te gebruuke. Deis te auch mit?
  • Thorns: Ich kal thoes ederen daag Limburgs. Dees taal mótte wae zeen te behaoje door 'm uueveral in Limburg te gebroeke. Duis se ouch mèt?
  • Heerlens: Ich kal heem gikker daag plat. Dees sproach mótte v'r ziën te behaote durch ze uueveral i Limburg te gebroeke. Dees te och mit?
  • Kerkraads: Ich kal heem jiddere daag plat. Dis sjproach mósse vier ziëe tse behaode durch ze uvveral i Limburg tse jebroeche. Dees-te óch mit?
  • Koersels: Ich klap thues alle daag plat/Limburgs. Dees taoël motte wö ziejn te (be-)hooën dor ze euveral i(n) Limburg te gebrueke. Doew der ooch mee?

Grammatica[bewerken]

Ook de grammatica van het Limburgs wijkt aanzienlijk van die van het Nederlands af. Oostelijke en zuidelijke invloeden doen zich nadrukkelijk gelden, en de hierboven beschreven aspecten van de klankleer hebben een nadrukkelijke functie in de morfologie. Vooral het overvloedige gebruik van umlaut valt op.

Woordgeslachten en lidwoorden[bewerken]

Het Limburgs heeft drie woordgeslachten, die door alle sprekers worden aangevoeld en geëerbiedigd. Dit komt duidelijk tot uiting in de lidwoorden.

De bepaalde lidwoorden stammen af van de aanwijzende voornaamwoorden: dae voor het mannelijk, die voor het vrouwelijk en het meervoud en dat (of dèt) voor het onzijdige geslacht. In hun lidwoordfunctie worden die gewoonlijk verkort. Het lidwoord voor mannelijke woorden is de, in het noorden en westen (tot aan Maastricht) vaak d'n voor sommige klanken (zie bdht-klinker-regel). In het Heuvelland zegt men d'r. Het lidwoord voor vrouwelijk en meervoud is altijd de en het onzijdige lidwoord (tevens voor alle verkleinwoorden) is 't. Achter een voorzetsel gebruikte men vroeger vaak g'nne of g'n. Deze vorm komt nog voor in straat- en huisnamen: i g'nne caffie (in het café, in het Limburgs mannelijk); a g'n keerk (nabij de kerk); a g'n ing (aan het eind, aan de rand van het dorp). Thans is dit alleen nog in het oostelijke Heuvelland in levendig gebruik.

Het onbepaalde lidwoord is gebaseerd op het telwoord ein (net als in het Nederlands). Het heeft als vormen eine(n) voor het mannelijk, ein voor het vrouwelijk en ei voor het onzijdig geslacht. Bij de onzijdige vorm vindt dus n-apocope plaats. In veel dialecten is dit verschijnsel onder invloed van het Nederlands echter bezig te verdwijnen of al verdwenen. Bovendien wordt de -n niet afgekapt als er een klinker op volgt. Onbetoond worden de vormen ne(n), n en e.

Meervoudsvorming[bewerken]

De meervoudsvorming van zelfstandige naamwoorden in het Limburgs verloopt in grote lijnen volgens vertrouwde regels, maar kent heel veel uitzonderingen. Deze onregelmatige meervouden worden op een redelijk gecompliceerde manier gevormd.

Een regelmatig meervoud eindigt op een -e, voor alle geslachten. Meervoud op -s komt wel voor, maar niet zo vaak als in het Nederlands. Het meervoud van lepel bijvoorbeeld luidt in het Limburgs lepele. Bij woorden op -er, verkleinwoorden en veel Franse leenwoorden wordt die -s wel gebruikt.

Veel onregelmatige meervouden, met name van mannelijke woorden, gebruiken umlaut in de meervoudsvorming. Vergelijk de paren appel - eppel, man - men, sjtool ("stoel") - sjteul, voot ("voet") - veut. Heeft het woord in het enkelvoud een sleeptoon dan verandert deze in het meervoud in een stoottoon. Ook vrouwelijke en onzijdige woorden kunnen een dergelijk meervoud krijgen: bank - benk; book ("boek") - beuk. In de westelijke dialecten kan een eind-d of -t in een -j veranderen: zie bijvoorbeeld het Maastrichtse draod - dräöj (Roermonds: draod - dräöd).

Onzijdige woorden hebben vaak een meervoud op -er; dit komt veel vaker voor dan -eren in het Nederlands. Het is dan ook niet alleen kind(j) - kinder/kinjer/kinger en blaad - blaojer, maar ook dörp ("dorp") - dörper, glaas ("glas") - glazer en sjtök ("stuk") - sjtökker.

Het meest in het oog springende meervoud is echter dit type meervoud dat alleen van zijn enkelvoud te onderscheiden is door verandering van toon. Het enkelvoud heeft de sleeptoon, het meervoud de stoottoon. Volgens eus mojertaol, een beschrijvende grammatica van het Maastrichts, zijn er in dat dialect tien woorden die deze manier van meervoudsvorming kennen: bein ("been"), berg, derm ("darm"), erm ("arm"), körf ("mand"), peerd ("paard"), stein ("steen"), vörm ("vorm"), weeg ("weg") en wörm ("worm"). Veel dialecten kennen meer van dat soort paren, andere juist minder. Bij verke ("varken") verandert het meervoud zelfs niet eens van toon. Een soort meervoud dat hier zeer op lijkt is rink ("ring") - ring, maar hier verandert behalve de toon ook de slotklank.

Verkleinwoorden[bewerken]

Verkleinwoorden worden in de meeste gevallen gevormd met het suffix -ke, zoals in het Brabants. Na een d of een t volgt de uitgang -je, in sommige dialecten -sje. Zoals reeds hierboven aangegeven krijgen verkleinwoorden consequent umlaut op de beklemtoonde medeklinker, indien dat mogelijk is. Dit gebeurt ook in vreemde woorden, en zelfs nog rigoureuzer dan in bijvoorbeeld het Duits. Onderzoek van Pierre Bakkes leverde op dat het woord radio in het Roermonds zelfs twee umlauten kreeg: raedieuke, omdat er een bijklemtoon ligt op de laatste o.

Er zijn slechts enkele onregelmatige verkleinwoorden. Kind(j) wordt kinneke of kiendje, "een beetje" kan behalve e bitje ook e bitteke zijn. In sommige dialecten hebben klankinterne processen voor meer gevallen gezorgd die zich niet aan de regels houden. Zo maakte diftongering in het Maastrichts dat het verkleinwoord van hoes huiske werd (en niet huuske bleef, zoals oostelijker), en werd door ontronding het Hasseltse boek ("boek") tot biekske (niet *buukske, wat het ooit geweest moet zijn).

Oude naamvalsvormen[bewerken]

Het Limburgs is een behoudende Germaanse taal en het kent veel verbuigingen, meer dan bijvoorbeeld het Duits. Er zijn vijf naamvallen en twee andere hebben nog wat sporen achtergelaten. Oorspronkelijk kende het Limburgs er vier: nominatief, genitief, datief en accusatief. Verder waren er nog wat sporen van de instrumentalis. Later zijn er twee naamvallen bijgekomen, de locatief en de vocatief.

  • Instrumentalis

De instrumentalis komt nog in één geval voor, namelijk met dèstö (dèstö baeter, 'des te beter'). De instrumentalis is vervangen door de datief.

  • Vocatief

De vocatief is een dode naamval. Zij ontstond door verzwakking van woorden in een uitroep. Ze komt nog bij een tiental woorden voor. De bekendste vormen zijn hèr (van hieër, 'heer'), miens ('meneer', van miensj, 'man/mens') en vrèwme ('mevrouw', van vrówmès, 'vrouw'). De vocatief is voor de rest vervangen door de nominatief/accusatief.

  • Locatief

Een overblijfsel van locatief vindt men in heives ('naar huis').

Bijvoeglijke naamwoorden[bewerken]

De Limburgse bijvoeglijke naamwoorden worden op een geheel andere manier verbogen dan de Nederlandse. Laten we Venlo e.o., waar het Nederlandse systeem wel gewoon in gebruik is, buiten beschouwing, dan kan er het volgende over gezegd worden.

Om te beginnen maakt het Limburgs geen verschil tussen sterke en zwakke verbuiging. In het Nederlands dient na aanwijzende voornaamwoorden en bepaalde lidwoorden ook bij onzijdige woorden een -e toe te voegen ("dat oude huis"), terwijl er bij onbepaalde lidwoorden en afwezigheid van lid- of voornaamwoorden bij het onzijdig die -e moet weglaten ("een oud huis"). In het Limburgs daarentegen is het in alle gevallen verplicht om bij onzijdige woorden in het enkelvoud geen uitgang aan te plakken.

Dat awd hoes
'n Awd hoes

Treedt er wel een geval van zwakke verbuiging op dan heeft men te doen met een spreker die (onbewust) Nederlandse elementen door zijn Limburgs mengt.

Belangrijker is het bestaan van twee klassen bijvoeglijke naamwoorden. Leden van de eerste klasse krijgen als ze bij een mannelijk zelfstandig naamwoord horen een uitgang -e(n) (de -n verschijnt onder dezelfde omstandigheden als eerder bij het lidwoord besproken), bij vrouwelijke en meervoudige woorden een uitgang -e, en bij onzijdige woorden geen uitgang. Als voorbeeld volgt hier het adjectief sjterk ("sterk"):

  • 'ne Sjterke mins ("mens")
  • 'n Sjterke leefde ("liefde")
  • E sjterk verhaol
  • Sjterke buim ("bomen")

In de tweede klasse echter wordt bij vrouwelijke en meervoudige woorden de -e afgekapt. Daardoor is de vorm gelijk aan die van onzijdige woorden. Er is vaak echter nog wel een toonsverschil: de vrouwelijke/meervoudige vorm heeft altijd de stoottoon, de onzijdige vorm kan ook een sleeptoon hebben. Het afkappen van de -e vindt plaats als de stam van het adjectief uitgaat op een f, j, l, m, n, ng, r of w, en vaak ook na een g of s. Een (Maastrichts) voorbeeld met het woord sjoen "mooi":

  • 'ne Sjoène maan
  • 'n Sjoèn vrouw
  • E sjoên keend
  • Sjoèn lui

(De accenten geven de tonen aan; een accent grave voor de stoottoon, een accent circonflexe voor de sleeptoon. Die worden gewoonlijk niet uitgeschreven.)

Voornaamwoorden[bewerken]

De aanwijzende en betrekkelijke voornaamwoorden zijn, zoals boven gezegd, dae, die en dat. In veel dialecten, waaronder de meeste van Nederlands Limburg, kent men traditioneel een naamvalsonderscheid bij het mannelijk woordgeslacht: de datief en accusatief van dae is daen. Meer naar het westen wordt deze bijvorm gebruikt als er een klinker op volgt, ongeacht de naamval (bijvoorbeeld dee-deen in het Maastrichts).

Het vragend voornaamwoord is wae, ook dit heeft in het oosten een datief/accusatiefvorm, namelijk waem.

Het wederkerend voornaamwoord zich is in de meeste Limburgse dialecten aanwezig en wordt dus niet vervangen door z'n eige. Het woord elkaar bestaat juist weer niet: hiervoor gebruikt men constructies als zich óngerein.

In de persoonlijke voornaamwoorden valt het bestaan van doe "jij" op. Behalve in het westen van het Limburgse taalgebied is dit algemeen aanwezig, hoewel men vaak ook de voorwerpsvorm dich voor het onderwerp gebruikt. In de zuidelijke helft van Belgisch Limburg kent men het woordje dzjië voor ofwel jij of jullie; het gebruik komt overeen met dat van het westelijkere, Brabantse gij, oorspronkelijk een meervoudsvorm.

Voor het Nederlandse jullie (2de persoon meervoud) wordt in veel Limburgse dialecten of gèr (gij) gebruikt, in het westen van het Limburgse taalgebied is dit het Brabantse gèllie (gij-lieden) omdat men er de -vorm zoals in het nabije Brabants al voor het enkelvoud gebruikt.

Tenslotte gebruiken de meeste Limburgse dialecten het in de nominatief en häöm in de datief/accusatief voor de derde persoon vrouwelijk enkelvoud, voor zij en haar dus. Dit gebeurt dan alleen met vrouwen waarmee men goed vertrouwd is en tegen wie men doe en dich zou zeggen. Naar onbekende vrouwen en vrouwen voor wie men ontzag wil tonen, inclusief de eigen moeder, wordt wel met zie en häör verwezen. Vergelijk:

  • Maria van der Hoeven is in Meersje gebore, meh ze woont dao allewiel neet mjè.
  • Ich zoog gister mien zöster nog, 't haet mich dich de groete laote doon.

Een uitzondering op deze eigenaardigheid vormt het Maastrichts, waarin het als onbeschoft geldt met een onzijdig woord naar een vrouw te verwijzen.

Werkwoorden[bewerken]

Het Limburgse werkwoord kent over het algemeen een rijker paradigma - d.w.z. meer vormen - dan het Nederlandse. Bovendien kent de vervoeging een paar belangrijke beginselen die in het Nederlands ontbreken of geheel anders liggen.

Een Limburgs werkwoord heeft in de tegenwoordige tijd de volgende kenmerken:

  • geen uitgang voor de eerste persoon enkelvoud
  • -s (-st bij dialecten die geen t-deletie kennen) voor de tweede persoon enkelvoud
  • -t voor de derde persoon enkelvoud (tenzij de wet van de t-deletie dat niet toestaat, dan komt er geen uitgang)
  • -e voor de eerste en derde persoon meervoud, -t voor de tweede persoon meervoud (ook hier geldt uiteraard dat de klankwetten dit moeten toestaan).

Als voorbeelden volgen hier het Roermondse heure "horen" en pakke "pakken".

heure
  • ich heur
  • doe heurs
  • hae heurt
  • veer/zie heure
  • geer heurt
pakke
  • ich pak
  • doe paks
  • hae pak
  • veer/zie pakke
  • geer pak

Bij de vervoeging van sterke werkwoorden in de tegenwoordige tijd treedt geregeld umlaut op in de tweede en derde persoon enkelvoud. Deze umlaut verloopt niet volgens de strakke regels die voor verkleinwoorden gelden. Als voorbeeld volgt valle "vallen".

valle
  • ich val
  • doe vils
  • hae vilt
  • veer/zie valle
  • geer valt

Verder bestaan er nog veel werkwoorden met onregelmatigheden in hun tegenwoordige tijd, veel meer dan in het Nederlands. Vergelijk bijvoorbeeld zègke ("zeggen") - hae zaet. Geheel onregelmatig is het werkwoord zeen/zien "zijn", net als in alle Germaanse talen. Als voorbeeld volgen hier het Maastrichts en het Sittards, waaruit ook de grote onderlinge verschillen blijken.

zien
  • iech bin
  • diech bis
  • heer is
  • veer/zie zien
  • geer zeet
zeen
  • ich bön
  • doe bös
  • hae is
  • veer/zie zint
  • geer zeet

De meeste Limburgse dialecten kennen twee onvoltooide deelwoorden, een voor bijvoeglijk en een voor bijwoordelijk gebruik.

Het onvoltooid deelwoord voor bijvoeglijk gebruik kent geen afwijkingen ten opzichte van het Nederlands en wordt gevormd op -end. De verbuiging kent geen afwijkingen ten opzichte van gewone bijvoeglijke naamwoorden.

De zjweitenden atleet rende nao de finish direk in de erm van zien vrouw.
't Vervoelend febrik mót euver twie jaor gesjlote waere.

Hiernaast hebben de meeste Limburgse dialecten dus nog een onvoltooid deelwoord, dat niet op -end, maar op -entaere eindigt. Dit deelwoord - het wordt in sommige dialectgrammatica's gerundium genoemd - geeft aan dat het onderwerp van de zin een doorgaande handeling verricht tegelijk met de handeling die in het gezegde genoemd wordt. Deze handeling is dus feitelijk een nevenactiviteit.

Zingentaere kaom hae toes ("Zingend kwam hij thuis")
Kinder mótte sjpaelentaere liere ("Kinderen moeten spelend leren")

Dit gerundium ontbreekt in een noordelijk deel van het Limburgs taalgebied, dat Venlo, Weert en Roermond als definiërende punten heeft. In Belgisch Limburg is het daarentegen zeer algemeen verspreid, ook in het westen, waar veel andere Limburgse taalkenmerken een voor een verdwijnen naarmate men verder in westelijke richting gaat. In sommige dialecten eindigt het door de noodzaak die de klankwetten oplegt niet op -entaere maar op -entere (zo heet een Maastrichtse spellingsgids Speu-len-te-re spelle).

In de onvoltooid verleden tijd vormen alle regelmatige werkwoorden hun persoonsvormen op -de, zoals reeds hierboven betoogd. Hier worden grotendeels dezelfde persoonsuitgangen als bij de tegenwoordige tijd gebruikt, maar niet bij de derde persoon enkelvoud: die krijgt hier net als in alle andere Germaanse talen geen uitgang. Tegenwoordig raakt ook de -t bij de tweede persoon meervoud in onbruik.

Er is een aanzienlijke groep onregelmatig zwakke werkwoorden met in de verleden tijd een stam op -t, bijvoorbeeld heure - ich hoort en veule ("voelen") - ich voolt.

Het voltooid deelwoord wordt gevormd op -d. Als de wetten van de t-deletie dit niet toestaan verdwijnt ze, om bij de verbogen vorm weer op de duiken: make - gemaak, maar gemaakde (uitspraak gemaagkde).

De gebiedende wijs kent twee vormen: een voor het enkelvoud (de stam alleen) en een voor de beleefdheidsvorm en het meervoud (stam + t, indien mogelijk). Onregelmatige werkwoorden hebben dikwijls zeer afwijkende vormen voor beide varianten. De gebiedende wijs meervoud wordt niet alleen door iedereen nog gebruikt, ze wordt, in het doe-gebied althans, ook nog goed gescheiden van de gebiedende wijs enkelvoud gebezigd.

Woordenschat[bewerken]

De woordenschat van het Limburgs komt grotendeels overeen met die van het Nederlands, maar heeft - met name in de meer zuidoostelijke streken - ook veel overeenkomst met die van de Duitse dialecten, zonder dat dit aan een rechtstreekse invloed van het Duits toe te schrijven hoeft te zijn. Vooral in de omgeving van Maastricht, maar sporadisch ook wel noordelijker heeft het Frans invloed gehad. Soms worden woorden afkomstig uit het Frans en Duits samen met hun "verlimburgste" Nederlandse vertaalequivalent door elkaar heen gebruikt worden. Zo zijn er bijvoorbeeld in het Maastrichts vier woorden voor "helemaal" (hielemaol (een neerlandisme), gans, gaar en gaaroets (weinig gebruikt).

Een goed voorbeeld van een met het Duits overeenstemmend woord is ummer (altijd), wat correspondeert met D. immer (het substantief ummer betekent overigens emmer). Anders dan bij ontlening uit het Frans is het vaak niet eenvoudig vast te stellen of een Duits-klinkend woord wel echt ontleend is of dat het misschien al van vroeger uit tot het Limburgs taaleigen behoort. Een goed voorbeeld van een uit het Frans afkomstig woord is versjèt (vork), wat ontleend is aan het Franse fourchette. Het is ook in Midden-Limburg bekend, en in Noord-Limburg als vorkèt. Zo wordt ook een krant nog vaak een gezèt genoemd, naar het Franse gazette.

Gezien de ligging tussen drie Europese culturen, de Nederlandse, Franse en Duitse, is het niet verwonderlijk dat de plaatselijke dialecten hier sporen van laten zien. In de loop van de geschiedenis werden verschillende delen van het moderne Limburg opgedeeld of behoorden toe aan vorstendommen waarvan het grootste deel zich niet in de Nederlanden bevond.

In Belgisch Limburg en Maastricht werd tot ver in de 20e eeuw Frans gesproken door de hogere burgerij. In het uiterste zuidoosten langs de Duitse grens (Heerlen en Kerkrade) kende men beter Standaardduits dan Standaardnederlands. Veel Limburgse termen hebben een Franse of Duitse oorsprong. Wel moet worden opgemerkt dat deze termen steeds vaker vervangen worden door inheemse (Nederlandse) termen, door de aanwezigheid van Standaardnederlands sind het begin van massa-onderwijs in de 18e en 19e eeuw.

Enkele voorbeelden van Duitse en Franse invloeden:

  • (Maastrichts) avvencere (Frans) avancer - opschieten
  • (Maastrichts) versjèt, (Frans) fourchette - vork
  • (Maastrichts) huie, (Frans) aujourd'hui - vandaag
  • (Maastrichts) kuusj, (Frans) cochon - varken
  • (Maastrichts) rappelere, (Frans) rappeler - herinneren
  • (Maastrichts) sjomaasj (Frans) chômage - werkloosheid
  • (Kerkraads) tsiedónk, (Duits) Zeitung - krant
  • (Kerkraads) Wainachte, (Duits) Weihnachten - kerstmis

In Belgisch Limburg is de Franse invloed ook na 1839 (splitsing van Limburg) blijven bestaan en zelfs versterkt. Dit hangt samen met de sociaal zwakke positie van het Nederlands als standaardtaal en de sterke positie van het Frans als belangrijkste (en lange tijd enige) officiële taal van België tot aan de Tweede Wereldoorlog. Daardoor telt het Belgisch Limburgs net als het Maastrichts een groot aantal Franse leenwoorden, vooral op het vlak van nieuwe technologieën en de administratie. Algemene voorbeelden zijn remorque voor aanhangwagen, compteur voor elektriciteitsmeter, embrayage voor koppeling, kader voor fietsframe, camion voor vrachtwagen, facteur voor postbode, madame als aanspreking voor mevrouw, maar ook samenvoegingen zoals vitessebak voor versnellingsbak.

Deze Franse invloed is het sterkst in het Zuidwestlimburgs, bijvoorbeeld in de dialecten van St. Truiden en Tongeren op de taalgrens, mede omdat veel Limburgers nog tot ruim de tweede helft van de twintigste eeuw gingen werken in het industriecentrum rond Luik. Ook kende de provinciehoofdplaats Hasselt nog lang een Franstalige bourgeoisie.

Spelling[bewerken]

Vanaf de negentiende eeuw werden er steeds meer teksten in het Limburgs geschreven, waarin nieuwe schrifttekens werden uitgeprobeerd en sommige Nederlandse spellingsregels aan het Limburgs werden aangepast. Zo verdween de voor de spelling-De Vries en Te Winkel karakteristieke -sch aan het woordeinde, omdat er anders een in het Limburgs onjuiste uitspraak zou worden gesuggereerd. In 1927, een jaar na het oprichten van de Vereniging Veldeke, werd er voor het eerst een aparte spellingregeling voor het Limburgs vastgelegd, de zogeheten Veldekespelling. Sindsdien zijn er in 1952, 1983 en 2000 aanpassingen van deze spelling geweest.[13]

In 2003 publiceerden dr. Pierre Bakkes, dr. Herman Crompvoets, Jan Notten en Frans Walraven een spellinggids voor het Limburgs die goedgekeurd is door de Raod veur 't Limburgs.[14]

Eenheid en verscheidenheid[bewerken]

Het Limburgse taalgebied wordt doorsneden door verschillende isoglossen, zowel in horizontale als in verticale richting, en vormt in beperkte mate een eenheid. De belangrijkste van deze isoglossen is de Panninger linie die ruwweg een scheiding vormt tussen de westelijke en de oostelijke Limburgse dialecten. De dialectgrenzen zijn daarnaast, mede onder invloed van nationale televisie, steeds meer gaan samenvallen met de staatsgrenzen. In Belgisch Limburg neemt men Vlaamse leenwoorden over, in Nederlands Limburg Nederlandse, terwijl in Duitsland het dialect zeer sterk aan het vergrijzen is; de Duitse jeugd gaat over op het Rijnlandse regiolect.

Nederlands Limburg[bewerken]

De dialectische verscheidenheid binnen de Nederlandse provincie Limburg is groot. De variëteiten die in Noord-Limburg worden gesproken, zoals het Venloos en het Venrays (dat taalkundig niet tot het Limburgs behoort maar tot het Kleverlands), hebben veel gemeen met de Brabantse en Zuidgelderse dialecten en wijken daarin sterk af van de (geografisch) Zuid-Limburgse dialecten (zoals het Maastrichts en het Sittards) en ook van de (geografisch) Midden-Limburgse (zoals het Weerts en het Roermonds). Deze beide laatstgenoemde groepen, in de dialectkunde deels tot het Centraal Limburgs en deels tot het Oost-Limburgs gerekend, nemen binnen de Nederlandse dialecten een bijzondere positie in door hun fonologie (onder andere, zoals hierboven aangegeven, toon als betekenisonderscheidend kenmerk) en andere Rijnlandse elementen. Het Zuidoost-Limburgs moet zelfs (geheel dan wel gedeeltelijk) tot het Middelfrankische Ripuarisch worden gerekend.

Belgisch Limburg[bewerken]

In Belgisch Limburg wordt geen Oost-Limburgs gesproken (op een gedeelte van de Voerstreek na), maar wel West-Limburgs en Centraal Limburgs. Vanwege de aanwezigheid van tonaliteit wordt ook het West-Limburgse taalgebied zonder meer tot het grotere taalgebied van het Limburgs gerekend. In het midden van de provincie ligt een groep van dialecten die de overgang naar het Zuid-Brabants aankondigt. Zo verdwijnt naarmate men meer naar het westen trekt het woordje doe/dich, transformeert de sj- naar sch- en krijgen de klinkers andere waarden (een belangrijke uitzondering is de Belgisch-Limburgse ontronding). Tenslotte verdwijnt ook het verschil tussen sleeptoon en stoottoon en uiteindelijk de woorden ich en mich. Het Genks, Tongers, Hasselts, Truierlands, Tienens en Lommels laten een geleidelijke afname van Limburgse kenmerken zien.

Duitsland[bewerken]

Ondanks het bestaan van dialectclubs neemt het aantal dialectsprekers sterk af. Onder invloed van de Keulse omroep WDR is er een opmars van Ripuarische accenten merkbaar op de linker Rijnoever, ten koste van de traditionele Limburgse en Kleverlandse dialecten.

Status[bewerken]

De taalpolitiek ten opzichte van het Limburgs kan worden beschouwd vanuit het standpunt van de taalgebruikers en vanuit het standpunt van de overheid.

Overheid[bewerken]

Op 19 maart 1997 ging de Nederlandse overheid over tot erkenning van het Limburgs als streektaal onder Deel II van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden.[15] Het Limburgs geniet hierbij dezelfde status als het Nedersaksisch (dit laatste sinds 1995). Onomstreden is dit besluit echter niet gebleven.[16]

In Vlaanderen, waar de discussie na de erkenning van het Limburgs in Nederland ook op gang kwam, werd door de politiek om taalkundig advies bij onder meer de Nederlandse Taalunie gevraagd. Het verzoek om ook hier het Limburgs te erkennen, werd uiteindelijk afgewezen.[16]

Algemeen Geschreven Limburgs[bewerken]

Een aantal Limburgers heeft eind 20e eeuw het initiatief genomen om de Limburgse dialecten te standaardiseren. Zo heeft de werkgroep Algemeen Geschreven Limburgs een gelijknamige schrijftaal ontwikkeld (vaak afgekort tot AGL), die bedoeld is om het prestige te verhogen en daarmee de terugloop van het aantal sprekers tegen te gaan.[17] Deze schrijftaal is bewust zo ontwikkeld dat ze met geen enkel Limburgs dialect volledig overeenkomt. Het initiatief heeft tot nu toe weinig weerklank gevonden. Een voorstel om het op provinciaal niveau te gebruiken werd niet aangenomen. Werkgroeplid Paul Prikken schreef een aantal jaar lang in een Limburgse krant columns in deze taal. Ook stelde hij een AGL-woordenboek met de titel De Taal van de Maas samen.[18]

Media-aandacht[bewerken]

In het NRC Handelsblad verscheen in 2006 een bijlage over het grensoverschrijdende "toontaal"-karakter van het Limburgs.[19]

Taxonomie[bewerken]

Linguistische taxonomie[20][bewerken]

Zuidelijk-centrale groep (Tussen jij/gij-isoglosse, Uerdinger linie en gete-linie)
Kleverlands
Zuid-Gelders Limburgs (mich-kwartier)
Blericks
Venloos
Zuidnederfrankisch (Tussen Uerdinger linie en Benrather Linie)
Verspreiding en onderverdeling van de Zuid-Nederfrankische dialecten in Duitsland, Nederland en België. 1 Oost-Limburgs-Ripuarisch 2 Oost-Limburgs 3 Centraal Limburgs 4 West-Limburgs 5 Truierlands 6 Getelands
Getelands (wordt meestal bij het Brabants ingedeeld)
Tiens
Truierlands
West-Limburgs
Hasselts
Centraal Limburgs
Weerts
Maastrichts
Oost-Limburgs
Krefelds
Noordelijk Oostlimburgs
Tegels
Zuidelijk oostlimburgs
Sittards
Oost-Limburgs-Ripuarisch
Bergisch
Zuidoostlimburgs
Geullands of Platdiets
Ripuarisch
Kerkraads

Geografische taxonomie van Nederlands Limburg[bewerken]

Dialecten van Noord-Limburg
Kleverlands
mich-kwartier
Dialecten van Midden-Limburg
Centraal Limburgs
Oost-Limburgs
Dialecten van Zuid-Limburg
Centraal Limburgs
Maastrichts
Oost-Limburgs
Zuidelijk oostlimburgs
Sittards
Oostlimburgs-Ripuarisch
Zuidoostlimburgs
Heerlens Nederlands
Ripuarisch
Kerkraads
Vaals

Zie ook[bewerken]

Bronnen en verwijzingen

Voetnoten

  1. Jan Segers (red.), Taalgrensvorming in Zuid-Limburg, Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde, Nr. 26, Hasselt 1983 online
  2. Vaalser Weekblad 28 maart 2008
  3. Tussen deze dialecten bestaan doorgaans geen abrupte, plotselinge afgrenzingen: de overgangen vormen veeleer in alle gevallen een dialectcontinuüm, en geleidelijke overgangen zijn ook binnen de 28 hoofddialecten gemakkelijk aan te geven. (De enige werkelijke uitzonderingen zijn de verschillende hoogontwikkelde stadsdialecten en de dialectgrens tussen het Noordwest-Brabants en het Zeeuws.) Tegelijkertijd behelst deze definitie ("Nederlands, dat zijn de Nederlandse dialecten") een kringredenering, die het geenszins gemakkelijk maakt te benoemen waar het Nederlands ophoudt en een aangrenzende taal, met name het Duits, begint.
  4. Zie bijvoorbeeld Winfred P. Lehmann, Historical Linguistics. An introduction, New York etc. 19732:117.
  5. Marijke van der Wal en Cor van Bree, Geschiedenis van het Nederlands, Houten 20085:109
  6. Scholtmeijer p. 19. Een dialectkaart uit 1974 bijvoorbeeld, waarop het gehele Nederlandstalige gebied in kaart werd gebracht, nam ook het Limburgs op; te midden van de 28 dialecten neemt het de 17e plaats in, uit oogpunt van zijn afstand tot het Standaardnederlands. (Nr. 1, Zuid-Hollands, staat zeer dicht bij, nr. 28, Bildts, Stadsfries etc. zeer ver af van het Standaardnederlands.) Ook de Reeks Nederlandse Dialectatlassen bevat een deel Dialektatlas van Belgisch-Limburg en Zuid-Nederlands-Limburg (1962).
  7. Rieks Smeets, Talen en taalpolitiek in de Europese Unie", in: Nicoline van der Sijs, red., Taaltrots. Purisme in een veertigtal talen, Amsterdam/Antwerpen 1999:395
  8. Georg Cornelissen, Meine Oma spricht noch Platt, Greven Verlag, 2008, ISBN 9783774304178
  9. Ben Hermans, The representation of the 'tonal' accents of Limburg and Ripuarian, Meertens Instituut, Amsterdam
  10. N.B.: De ei klinkt hier niet als een Nederlandse korte ei, maar meer als de i in het Franse woord vin 'wijn'
  11. R.Belemans en R. Keulen, 2004:33
  12. Rachel Fournier, Carlos Gussenhoven, Jörg Peters, Marc Swerts, Jo Verhoeven, De tonen van het Limburgs online
  13. Bakkes, p. 43
  14. Spelling 2003 voor de Limburgse dialecten
  15. Elise Roders, Europees Taalbeleid - Een onderzoek naar de totstandkoming, de inhoud en de implementatie van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden, Doktoraalscriptie KUB, 2000
  16. a b Taalvariatie en taalbeleid, J. De Caluwe. Blz. 112-113/127.
  17. Limburgish Academy Foundation, Nieuwlimburgs: taal en gebruik
  18. Paul Prikken en Wim Kuipers, Een toelichting op het AGL, brief aan de fracties van de Provinciale Staten van Nederlands Limburg
  19. nrc.nl, Limburgse hoogten, 09-09-2006
  20. R. Belemans, J. Kruijsen, J. Van Keymeulen

Literatuur

  • Pierre Bakkes, 2002, Taal in stad en land: Venloos, Roermonds en Sittards, ISBN 90-12-09014-8
  • R. Belemans, R. Keulen, 2004, Taal in stad en land: Belgisch-Limburgs, ISBN 90 209 5855 0
  • R. Belemans, J. Kruijsen, J. Van Keymeulen (1998) Gebiedsindeling van de zuidelijk-Nederlandse dialecten, Taal en Tongval jg 50, 1 online
  • Jo Daan en D. Blok, 1969, Van Randstad tot Landrand. Bijdragen en Mededelingen der Dialectcommissie van de KNAW XXXVI. Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, 54 pagina's met kaart en grammofoonplaat.
  • Jean Frins, 2009, Karolingisch-Frankisch: De bijzondere volkstaal rondom het Vaalser Drielandenpunt, 2006 Vertaald uit het Duits door Rob van der Heijden, Historische en Heemkundige studies in en rond het Geuldal 19; 2009, 232-249. online
  • Jan Goossens, 1965, Die Gliederung des Südniederfränkischen, in Rheinische Vierteljahrsblätter, 30: 79-94
  • C en G Hoppenbrouwers, 2001, De indeling van de Nederlandse streektalen, Dialecten van 156 steden en dorpen geklasseerd volgens de FFM, van Gorcum, ISBN 9789023237310 website
  • Jos. Schrijnen, 1902, Benrather-, Uerdinger- en Panningerlinie. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21. E.J. Brill, Leiden 1902
  • Jos. Schrijnen, 1907, Taalgrenzen in Zuidnederland. - het Mich-kwartier. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 26. E.J. Brill, Leiden
  • Georg Wenker, 1877, Das Rheinische Platt (Herdruk in: Sammlung deutsche Dialektgeographie Heft 8, Marburg, 1915.)
  • Leo Wintgens, 1998, Et Hat van os Plat, Montzen website

Externe links

Wikibooks Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Cursus Limburgs (in opbouw).
Wikipedia-logo-v2.svg Zie de Limburgse uitgave van Wikipedia.