Kenniseconomie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Kenniseconomie (ook wel informatiemaatschappij) is een vrij abstract begrip uit de economie waarmee wordt bedoeld dat een significant deel van de economische groei in de samenleving voortkomt uit (technische) kennis. Het is een maatschappij waarin de productiefactor kennis een steeds belangrijkere plaats in neemt ten opzichte van arbeid, natuur en kapitaal (de drie traditionele productiefactoren). Dit past binnen de algemene verschuiving van arbeid in de landbouw via industrie naar diensten.

Door het toepassen van kennis is innovatie mogelijk. Op haar beurt leidt deze innovatie tot nieuwe producten of diensten en maakt daarmee economische groei mogelijk.

Een van de speerpunten van de Europese Unie en daarmee ook van Nederland en België, was om Europa in 2010 de meest kennisintensieve economie van de wereld te laten zijn. Deze doelstelling is in 2000 vastgelegd in de Strategie van Lissabon.

Nederlandse context[bewerken]

Kennis en creativiteit zijn een steeds belangrijkere rol in de kenniseconomie gaan spelen. Scholing en opleiding bepalen de kansen die mensen hebben om vooruit te komen in deze wereld[bron?]. Landen die voldoende talent weten voort te brengen en aan te trekken blijven overeind in de mondiale concurrentie. Bètatechnisch talent wordt een bijzondere rol toegedicht. Techniek en wetenschap vormen in Nederland niet een vanzelfsprekend onderdeel van de algemene ontwikkeling. Er is sinds de jaren zestig sprake van een sterke oriëntatie op alfa en gamma.

Innovatieplatform en Platform Bèta Techniek[bewerken]

In Nederland werd in 2003 een innovatieplatform opgericht door het tweede kabinet Balkenende. Een platform van vertegenwoordigers van de Nederlandse kenniseconomie dat innovatie en ondernemerschap in Nederland wil stimuleren.

Het Kabinet Balkenende IV heeft het Platform Bèta Techniek de opdracht gegeven voor een goede ontwikkeling en benutting van bètatechnisch talent te zorgen. Om zo een voldoende aanbod van goedopgeleide bètatechnici veilig te stellen. Dat kan door meer mensen een bèta- of technische studie te laten afronden. Maar ook door te werken aan de vraagzijde: een verbeterde aansluiting van het onderwijs met het bedrijfsleven en de capaciteit om deze mensen aan te trekken en vast te houden in bèta- en technische functies. De aanpak hiervoor staat in het Nationale Actieplan Bèta/techniek. Dit zogeheten Deltaplan is vastgesteld in 2004.

Volgens een verwachting van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt van de Universiteit van Maastricht was er sprake van een vervangingsvraag van 300.000 bètatechnici en dreigde er in 2010 een netto tekort van 77.000 bètatechnici op de arbeidsmarkt. De aanleiding voor het Deltaplan was daarmee nog steeds actueel.

Zie ook[bewerken]