Kerklatijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Kerklatijn is het Latijn zoals dat wordt gebruikt in de boeken van de Katholieke Kerk: de vertalingen in het Latijn van het Oude en het Nieuwe Testament, de gebedenboeken en de liturgische boeken. Het was tot het Tweede Vaticaans Concilie ook de enige taal die gebruikt werd in de liturgie en wordt ook nu nog veel in de liturgie gebruikt.

Omschrijving[bewerken]

Kerklatijn verschilt vooral van het klassieke Latijn door de woordenschat en het idioom. Wat de syntaxis en de grammatica betreft zijn er eigenlijk geen wezenlijke verschillen met het klassieke Latijn. De christelijke schrijvers schreven niet anders dan de klassieke. Vele van hen zoals onder meer Hiëronymus, Ambrosius van Milaan en Augustinus van Hippo waren trouwens klassiek geschoold, de laatste is zelfs nog leraar in de Retorica geweest. Algemeen kan men zeggen dat teksten in Kerklatijn direct en ongekunsteld zijn en bijgevolg verstaanbaarder dan de klassieke teksten. De klassieke schrijvers maakten hun werken voor een hoog gecultiveerd publiek en waren dikwijls meer begaan met de mooie stijl dan met de inhoud.

Kerklatijn kan men niet tot een bepaalde periode rekenen, het is een taal die ontstaan is in de late Latijnse periode maar dan mee evolueerde met het middeleeuws Latijn en zelfs nog beïnvloed werd door het Neolatijn van na de Renaissance. Het is uiteraard zo dat het idioom dat gebruikt werd door de eerste kerkvaders schatplichtig was aan hun tijd en dat het idioom gebruikt in de 15e eeuw even goed eigentijds was. Dat we van beiden zeggen dat ze Kerklatijn schreven wil dus niet zeggen dat het Kerklatijn niet evolueerde en dat is misschien een van de grootste verschillen met het klassieke Latijn: Kerklatijn bleef veel langer een evoluerende taal dan klassiek Latijn.

Geschiedenis[bewerken]

Voor de oorsprong van het Kerklatijn moet men terug naar de geschiedenis van het Latijn en van de vroege kerk. Origineel sprak de bevolking van Rome de taal van Latium het prisca latinitas genoemd. Deze taal kan gezien worden als de voorouder van zowel het vulgair Latijn (vulgair hier in de betekenis van het gewone volk) als van het litteraire Latijn. Litteratoren zoals Livius Andronicus (ca. 284-207 v.Chr.), Naevius (ca. 270-201 v.Chr.), en Plautus (ca. 250-184 v.Chr.), in de 3e eeuw v.Chr, zijn de eersten die de taal voor literaire doeleinden gaan gebruiken en met hen ontstaat er een breuk tussen het gesproken Volkslatijn en het Latijn dat voor literaire doeleinden wordt gebruikt, maar het is natuurlijk maar een begin en staat nog ver af van de taal van Horatius (65-8 v.Chr.) en Vergilius (70-19 v.Chr.). Het zijn vooral schrijvers van Griekse origine en Grieks geschoold, zoals Livius Andronicus, Ennius (239-169 v.Chr.), Accius (170-85 v.Chr.) en Pacuvius (ca. 220-130 v.Chr.) die Griekse toneelstukken, zowel drama’s als komedies, gaan vertalen en het Latijn gaan helleniseren. Ze introduceren zowel nieuwe woordenschat als een veel striktere structuur en grammatica naar model van het Grieks. Deze beweging had de steun van hogere klasse in Rome en het was trouwens ook voor die hogere klasse dat die schrijvers werkten. Zo ontstond het klassieke Latijn, dat we kennen van de werken van Caesar (ca. 100 -44 v.Chr.), Cicero (106-43 v.Chr.), Vergilius en Tacitus (ca. 56-117), onder invloed van de politieke en intellectuele aristocratie. De gewone Romeinen bleven uiteraard hun volkse Latijn spreken en de twee versies bestaan naast elkaar, de sermo urbanus en de sermo vulgaris vanaf de 3e eeuw v.Chr. Uit de noodzaak van de onderlinge communicatie ontstaat daarop een spreektaal die elementen van beide bevat en die men de sermo cotidianus noemt.

Het klassieke Latijn ging vanaf de tijd van Augustus (63 v.Chr. – 14 n.Chr.) achteruit, het verloor zijn suprematie met de teloorgang van de republiek. De aristocratie in Rome, die de drager was van de taal, ging sterk achteruit onder meer door de burgeroorlog en de nieuwe machthebbers waren gegroeid uit de plebejers of waren vreemdelingen zoals Trajanus en Hadrianus. Keizerlijke bescherming werd belangrijker voor een goede functie dan familie en taal, men moest geen briljant retoricus meer zijn om verkozen te worden voor een belangrijke functie. Het Volkslatijn evolueert natuurlijk verder naar wat men het late Latijn noemt rond de derde eeuw na Christus.

Het is in die periode dat de christelijke gemeenschap het Latijn begint te gebruiken voor haar boeken. Zij hebben een Latijn nodig dat niet alleen de hogere klassen aanspreekt, maar dat een taaleigen heeft dat door het volk begrepen wordt, maar vreemd genoeg is het niet in Rome dat het Kerklatijn zal ontstaan. De christen gemeenschap in Rome was Grieks sprekend, de liturgie werd in het Grieks gevierd en de eerste theologen en kerkvaders spraken en schreven Grieks tot in de tijd van Hippolytus die in 235 stierf. Essentieel was de situatie in Gallië dezelfde.

In de Afrikaanse provincie van het Romeinse Rijk was Grieks ook de taal van de intelligentsia, maar in de derde eeuw sprak het grootste deel van de gelovigen Latijn en dat werd dan ook stilaan de taal van de Afrikaanse kerk. Tertullianus (ca. 160-230) begint nog in het Grieks te schrijven maar zijn latere werk is in het Latijn. Door de nood aan Latijnse versies van de heilige boeken ontstaan de eerste christelijke boeken in het Latijn die we kennen. Het zijn een aantal Latijnse versies van (delen van) de Bijbel die meestal de “Vetus Latina” genoemd worden. Het zijn meestal zeer letterlijk uit het Grieks vertaalde teksten die onderling zeer sterk kunnen verschillen. Bij het begin van de 3e eeuw circuleert er een versie in Carthago die we terugvinden in de Codex Bobbiensis (4e eeuw). Een versie die circuleerde in Gallië en Italië is terug te vinden in de Codex Veronensis (eind 5e eeuw), volgens Metzger zou dit het type van tekst zijn waarop Hiëronumus zich baseerde voor de Vulgaat.[1] Een andere versie die men de “Itala” noemt is terug te vinden in de Codex Brixianus. Deze vertalingen waren gemaakt op basis van de Septuagint. Er circuleerden zodanig veel versies dat Paus Damasus I aan Hiëronymus de opdracht gaf om een standaard vertaling te maken, dit werd de Vulgaat.[2]

Maar naast de anonieme schrijvers die de Griekse Septuagint vertalen in het Volkslatijn beginnen ook meer erudiete schrijvers in het Latijn te schrijven. De eerste onder hen is Tertullianus die aan de wieg staat van het Kerklatijn. Een groot aantal nieuwe woorden die in het Latijn niet voorkwamen worden toegevoegd, dikwijls zijn het gelatiniseerde Griekse termen zoals baptisma, charisma, extasis, idolatria, prophetia, martyr, etc. of wettelijke termen maar in een andere betekenis gebruikt zoals ablutio, gratia, sacramentum, saeculum, persecutor, peccator. Maar er worden ook veel nieuwe woorden toegevoegd die afgeleid zijn van Latijnse termen zoals annunciatio, concupiscentia, christianismus, coeaeternus, compatibilis, trinitas, vivificare. Ook Cyprianus schrijft in het Latijn en hij houdt zich meer aan de klassieke stijl, wat ook het geval is voor Augustinus die vooral door zijn prediking veel heeft bijgedragen tot het Kerklatijn.[3]

Hiëronymus levert op zijn beurt een substantiële bijdrage aan het Kerklatijn met zijn geschriften en met de publicatie van de Vulgaat. Hiëronymus zou de Hebreeuwse Bijbel vertaald hebben naar het Latijn, maar volgens Nunn baseerde hij zich hierbij sterk op de Vetus Latina en deed hij geen poging om het Latijn te gebruiken dat we van hem kennen uit zijn originele geschriften. Zijn versie is dus eerder een revisie van de Vetus Latina dan een nieuwe vertaling[4] en het taalgebruik is in de Vulgaat zeer sterk gebaseerd op het vernaculaire Latijn. Ook voor het Nieuwe Testament maakte hij geen nieuwe vertaling, maar beperkte zich tot een revisie van de Vetus Latina.

Merk op dat deze Vulgaat voor de meeste middeleeuwers de voornaamste bron van Latijn zal zijn en zelfs de tekst waarmee velen Latijn zullen leren want andere teksten in het Latijn waren maar bekend bij een zeer klein aantal geleerden. Deze versie van het Kerklatijn heeft dus een zeer grote invloed gehad op het Latijn gedurende de middeleeuwen.

Met de val van het westerse Romeinse rijk komt er een einde aan het literaire Latijn. Het Volkslatijn evolueert stilaan naar de Romaanse talen in Zuid-Europa en wordt vervangen door de Germaanse talen in Noord-Europa. Door de doorbraak van de christelijke religie blijft het Kerklatijn in gebruik in de liturgie en in de kerkelijke geschriften en blijft daar eigenlijk een levende taal. Uiteindelijk zijn het de humanisten van de renaissance, die met hun afkeer van het “gotische” Latijn van de middeleeuwen en hun eindeloze verering voor het Latijn van Cicero dat al meer dan 1300 jaar dood was, van het Latijn een dode taal maken in hun poging om de doden op te wekken.

Huidig gebruik[bewerken]

Het Kerklatijn was tot 1965 de taal van de liturgie maar verloor sindsdien die status. De liturgie kan nu ook gevierd worden in de volkstaal, wat bijna overal de regel is geworden. Maar de rooms-katholieke Kerk publiceert nog altijd zijn officiële liturgische teksten in het Latijn en vaste gezangen in de mis (Kyrie, Gloria,Credo, Sanctus, Pater Noster, Agnus Dei enz.) worden nog wel vaak in het Latijn gezongen. Ook de teksten betreffende canoniek recht, encyclieken en dergelijke worden nog steeds in het Latijn gepubliceerd.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen

Referenties

  1. Bruce M. Metzger, The Text of the New Testament: Its Transmission, Corruption, and Restoration, Oxford University Press 2005, p. 102.
  2. Ref. H. P. V. Nunn, M.A., An introduction to Ecclesiastical Latin, 1958 Oxford, Basil Blackwell, pp.3-4
  3. Ecclesiastical Latin, Catholic Encyclopedia, 1913
  4. Nunn, 1958, p.5