Kernlexicon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het kernlexicon van een taal - bijvoorbeeld het Nederlands -, ook wel de centrale woordenschat genoemd, is de verzameling van die begrippen die tot de dagelijkse menselijke belevingswereld behoren, ongeacht de omstandigheden of de cultuur waarin die mensen leven. Dit kernlexicon bestaat grotendeels uit woorden die nog rechtstreeks vallen te herleiden tot vormen in het Proto-Indo-Europees, de gereconstrueerde voorouder van de Indo-Europese talen. Deze woorden, die dus deel uitmaken van het kernlexicon en waarvan in de meeste Indo-Europese talen nog cognaten terug te vinden zijn, worden ook wel erfwoorden genoemd.

Dit kernlexicon, en met name de erfwoorden, weerspiegelen uiteraard de leefwijze van een oudere maatschappij, al is niet duidelijk wélke maatschappij die "Indo-Europese" precies was.

Betekenisgebieden[bewerken]

  • Er moet echter landbouw zijn beoefend, want woorden die met de landbouw te maken hebben, zijn nog te vinden in het hedendaagse kernlexicon:
geit is verwant met onder andere het Oudsaksische gēt, het Gotische gaits en het Latijnse haedus
melk vindt men terug in het Oudsaksische miluk, het Oudengelse meoloc, het Latijnse werkwoord mulgeo ("melken") en in andere talen.
  • Diverse woorden voor lichaamsdelen behoren tot de centrale woordenschat:
oog: onder meer Oudkerkslavisch oko, Latijn oculus, Oudindisch aksi.
  • Het weer, hemellichamen, het landschap en planten zijn vertegenwoordigd:
sneeuw: Oudhoogduits snēo, Gotisch snaws, Oudslavisch snegu
maan: Oudhoogduits māno, Grieks mèn, Litouws menuo
heuvel: Latijn cupa, Litouws kupstas
beuk: Latijn fagus.
  • Het kernlexicon bestaat niet uitsluitend uit zelfstandige naamwoorden. Ook andere woordsoorten zijn vertegenwoordigd, bijvoorbeeld:
lang (bijvoeglijk naamwoord)
slapen (werkwoord)
twee (telwoord)
ik (persoonlijk voornaamwoord)
gisteren (bijwoord).

Verwantschappen[bewerken]

Bij een aantal woorden uit het kernlexicon valt onderlinge verwantschap aan te wijzen. Zo is heuvel verwant met heup: behalve de vormverwantschap is er betekenisovereenkomst, die teruggaat op een oorspronkelijk idee van "kromming". Maan is verwant aan meten; de maan was al vanouds een "tijdmeter".

Taaltak[bewerken]

Een woord kan teruggaan op een oude wortel, die toch niet tot het Indo-Europees reikt, maar beperkt is tot een tak van die taalfamilie:

luis is beperkt tot het Germaans (bijvoorbeeld Oudnoors lūs) en het Keltisch (Kymrisch lleuen).

Aangezien deze woorden uit een stadium vóór het Nederlands zijn geërfd, kunnen ook zij erfwoorden worden genoemd. Dit is een kwestie van definitie: ze zijn overgeërfd uit een ouder taalstadium, zij het niet uit het oudste dat ons bekend is.

Geen kernlexicon[bewerken]

Hoewel nog een aanzienlijk aantal woorden tot het kernlexicon behoort, wordt het in omvang toch overvleugeld door de overige woordenschat. Die talrijke overige woorden komen uit andere talen, of het zijn nieuwe woorden.

Uit andere talen[bewerken]

Woorden die aan andere talen zijn ontleend, vallen onder te verdelen in vier categorieën.

  • Ingeburgerde leenwoorden Een zeer omvangrijke groep woorden die aan andere talen zijn ontleend, terwijl we vaak aan de woordvorm niet meer kunnen zien dat het om een vreemd woord gaat:
tafel (uit Latijn tabula), luit (Arabisch al ūd).
  • Bastaardwoorden Die leenwoorden waaraan nog wel de vreemde afkomst is te herkennen, maar die toch aanpassing in de vorm hebben ondergaan:
fabriek (Frans fabrique), managen (Engels [to] manage).
  • Vreemde woorden Die leenwoorden waarvan de oorspronkelijke vorm is behouden, althans in de spelling:
incognito (Italiaans), lunch (Engels)
  • Barbarismen Woorden waarvan wordt geoordeeld dat zij (nog) niet tot de woordenschat van de taal behoren; zij zijn taalvreemd, maar worden wel gebruikt:
groom (Engels), chapeau! (Frans).

Woorden kunnen van categorie wisselen; naarmate zij meer raken ingeburgerd, komen zij hoger in bovenstaande rij te staan; ze kunnen echter ook weer uit de taal verdwijnen. Maar tot het kernlexicon gaan zij uiteraard nooit behoren.

Neologismen[bewerken]

Neologismen zijn nieuw gevormde woorden. Ze zijn als geheel noch uit het kernlexicon, noch uit een andere taal afkomstig, ook al hebben ze daar meestal wel bepaalde elementen van. Meestal gaat het om samenstellingen of afleidingen van bestaande woorden (geheel nieuwe woorden komen zelden voor):

  • hefschroefvliegtuig, digibeet.

Het is niet altijd duidelijk of een woord tot de leenwoorden of tot de (oorspronkelijk) nieuwe woorden moet worden gerekend.

  • fiets was rond 1870 een nieuwkomer. Wellicht was het een neologisme, maar mogelijk is het een leenwoord: vélicopé zou dan door middel van syncope eerst zijn verbasterd tot vielesepee en vervolgens tot fiets.