Kisj

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Kiš)
Ga naar: navigatie, zoeken
Ligging van Kisj in Soemerië

Kisj of Kiš[1] (tegenwoordig El Oheimir) was een belangrijke stad in Soemer.

Kisj was een plaats circa 16 km ten noordoosten van Babylon en 100km ten zuiden van Bagdad gelegen. Het was een zeer oude Soemerische stad die in 2600 v.Chr. tot politiek centrum uitgroeide. Onder de dynastie van Mesilim kreeg het door verovering de hegemonie over vele kleinere steden. Deze dynastie werd ten val gebracht door Lugalzaggisi van Uruk. Kisj werd omstreeks 2200 v.Chr. definitief veroverd door Sargon de Grote en speelde daarna nooit meer een politieke rol. De oorlogsgod Zababa werd er als voornaamste god vereerd.

Archeologie[bewerken]

Van 1912 tot 1914 leidde de Franse archeoloog Henri de Genouillac een expeditie naar deze stad maar de Eerste Wereldoorlog maakte een voortijdig einde aan zijn werk. In 1923 zette een Anglo-Amerikaanse groep onder Stephen Langdon het werk voort en voerde er gedurende tien seizoenen opgravingen uit die een aantal monumentale gebouwen, ziggoerats en een groot aantal tabletten opleverde. Kisj leverde ook een koninklijk paleis op, een e'-gal het enige in Soemer naast dat van Eridu en Mari.

Kisj was een bijzonder oude stad. Net als de namen van een aantal andere belangrijke steden van het oude Soemer zoals Ur, Eridu, Lagaš, Nippur en Isin heeft de naam Kisj geen bevredigende Soemerische etymologie. De stichters van deze plaats spraken daarom waarschijnlijk de pre-Soemerische taal die met proto-Eufratisch wordt aangeduid. Men ziet in hen wel de dragers van de Ubaid-cultuur.

De oude hoofdstad[bewerken]

Twee kalkstenen tabletten uit Kisj

In de koningslijsten van Soemer wordt de Eerste dynastie van Kisj de eerste van na de zondvloed genoemd. Deze dynastie is ook de eerste waar we enig historisch bewijs hebben. Daarmee is Kisj de hoofdstad van Soemer van de vroegste historische tijd van ca 2900 tot 2600 v.Chr. Op de koningslijsten afgaand was het mogelijk niet de eerste hoofdstad. Steden als Eridu, Badtibira en Šuruppak worden genoemd als de zetel van het koningschap van voor de zondvloed en opgravingen in Eridu laten zien dat deze stad inderdaad al zeer vroeg in de prehistorische tijd een belangrijk centrum geweest moet zijn.

De vorsten van Kisj dragen deels Semitische, deels Soemerische namen en sommigen dragen namen van onbekende herkomst. De stad Kisj lag in het nauwe stuk land waar de beide rivieren vlak bij elkaar komen en dat later Akkad zou heten. Rond 3000 verschoof de bedding van de Eufraat en sindsdien was de locatie erg strategisch. Voordien lag de plek onder water getuige een kleilaag die er afgezet werd. De streek heeft waarschijnlijk van meet af aan maar ten dele een Soemerisch karakter gehad. Hoewel de Soemerische cultuur er wel lange tijd de boventoon zou voeren lag het eigenlijke Soemer wat verder stroomafwaarts.

De meeste koningen van Kiš I zijn slechts namen op een lijst voor ons, behalve de mythische Etana, die ten hemel opgenomen werd en later als een godheid vereerd werd. Historische gegevens van hem zijn er niet echt. Van de tweeëntwintigste vorst Enmebaraggesi is echter een inscriptie gevonden op een albasten vaas in het Iraakse museum. Er is ook een gedicht bekend uit de veel latere tijd van Išbi-Erra van Isin dat de geschiedenis van de aan de godin Ninlil gewijde Tummal-wijk van Nippur beschrijft. Het gedicht verhaalt hoe de wijk vijf keer tot een puinhoop verviel en weer opgebouwd werd. De eerste strofe is lange tijd onbekend gebleven maar is later uit verschillende fragmenten weer bijeengebracht en luidt:

Enmebaraggesi, de koning
bouwde in deze stad (d.w.z. Nippur) zelf het huis van Enlil
Agga, de zoon van Enmebarragesi
maakte de Tummal voornaam

Daarmee zijn de laatste twee vorsten van de dynastie duidelijk historisch en moet de hele dynastie gezien worden als een periode waarin Kisj de rol vervulde van de belangrijkste stad van Soemer. Kisj was de stad waarvan de koning, de lugal door de vorsten (ensi's) van de andere steden althans in naam als koning van het hele land erkend werd. In de verdere geschiedenis van Soemer is de eenheid van het land vaak ver te zoeken, maar de titel koning van Kisj zou lang zijn faam als koning van heel Soemer behouden, ook al werd volgens de koningslijsten Kisj geslagen en het koningschap afgevoerd.

Agga was waarschijnlijk een tijdgenoot van zowel Gilgamesj van Uruk en Mesannepadda van Ur en werd eerder door de laatste beroofd van het koningschap van heel Soemer dan door Gilgamesj, ondanks wat het dichtwerk Gilgamesj en Agga ervan zegt. Mesannepadda eiste zelfs de titel koning van Kisj op om daarmee zijn aanspraken op de opperheerschappij over heel Soemer kracht bij te zetten. De rivalen van Uruk noemden zich liever lugalkalamna (koning van het land).

Opnieuw hoofdstad?[bewerken]

De strijd om de oppermacht tussen Kisj, Uruk en Ur heeft het land waarschijnlijk danig verzwakt maar onze kennis van het vervolg is erg gebrekkig. De koningslijsten vermelden na de Eerste dynastie van Ur dat het koningschap naar Awan werd weggevoerd en dit was een Elamitische stad. Dit duidt waarschijnlijk op een tijd van vreemde overheersing.

Daarna is er sprake van een Tweede Dynastie van Kisj maar daar zijn tot dusver geen bewijzen van gevonden. Ook van latere dynastieën van Kisj, zoals de derde van koningin Kubaba en de vierde van haar zoon Puzur-Sin weten we alleen wat uit de koningslijsten. Wel is duidelijk dat Kisj zeker niet de enige pretendent voor de opperheerschappij was en lang niet altijd de daadwerkelijke hoofdstad was.

Rond 2500 is er sprake van een koning Mesilim van Kiš die weer een aanzienlijke positie in Soemer moet hebben gehad omdat hij vrede opleggen kon aan de aartsrivalen Umma en Lagaš. Er zijn zowel in Adab als in Lagaš inscripties met zijn naam gevonden. Na hem werd Kisj opnieuw verslagen zowel door Enšakušanna van Uruk en door Lugalannemundu van Adab Korte tijd eiste Eannatum van Lagaš het koningschap van Kisj en daarmee van het hele land op. Kisj wist zich weer te herstellen en was onder de vele steden die Lagaš bij herhaling aanvielen. De laatste koning Ur-Zubaba van Kisj werd waarschijnlijk door Lugalzaggesi van Umma die ook Lagaš ingenomen had, van de troon gestoten. Umma werd daarop korte tijd hoofdstad.

Het einde[bewerken]

Een van de hovelingen van Ur-Zubaba, Sargon wist echter de rollen om te keren en het land te herenigen. Daarmee werd echter een nieuwe stad, Akkad, de hoofdstad, en niet Kisj. De Semitische Sargon noemde zich liever šar kiššatim[1] (koning van het heelal) dan lugal van Kisj en trachtte een streep zetten onder de oude gewoonten die maar in eeuwige strijd tussen de steden van het land resulteerden. Agade kreeg een tempel voor de godin Isjtar (die gaandeweg de Soemerische godin Inanna verving) en voor de oorlogsgod Zababa die eerder in Kisj vereerd werd.

De bijzondere rol van Kisj was daarmee uitgespeeld, hoewel de stad wel betrokken was bij een opstand van de Soemerische steden tegen Naram-Sin, een van de latere Akkadische koningen. De precieze toedracht is moeilijk te achterhalen omdat er later veel om politieke redenen op dit thema is voortgeborduurd. De latere koningen van de Derde dynastie van Ur (Ur III) hechtten eerder belang aan de religieuze hoofdstad Nippur dan aan Kisj. In de late tijd van Isin en Larsa was de stad opnieuw een min of meer onafhankelijk vorstendom, maar de positie als hoofdstad zou niet meer terugkeren. In de 19e eeuw v.Chr. ontstond er niet ver van Kisj een nieuw machtscentrum: Babylon dat de stad zou overvleugelen. Mogelijk zijn ook veranderingen in de loop van de Eufraat (rond 2000) waardoor Kisj niet langer een strategische ligging aan de rivier had, medeverantwoordelijk voor het tanen van de stad.

Lange tijd is Kisj nog wel een van de steden van Soemer en Akkad en later van Babylonië geweest. In de rituelen rond Marduk die in Babylon het nieuwjaar inluidden arriveerden er goden(-beelden) uit andere steden, waaronder uit Kisj. Sennacherib versloeg er Marduk-apil-iddina in 703 v.Chr. en bij opgravingen zijn overblijfselen uit de Parthische en de Sassanidische tijd gevonden. Hoe de stad uiteindelijk een onbewoonde heuvel werd is niet bekend.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. Kisj. Microsoft Corporation/Het Spectrum.