Kilij Arslan I

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Kilij Arslan I (Turks: I. Kılıç Arslan) (10791107) was de Seltsjoekse sultan van Rum van 1092 tot zijn dood. Hij was heerser van Rum bij het begin van de kruistochten en vocht tegen de kruisvaarders van de Volkskruistocht (1096) en van de Eerste Kruistocht (1096-1099).

Anatolië voor 1097

Jeugdjaren[bewerken]

Kilij Arslan werd geboren in 1079 en was de zoon van sultan Suleiman ibn Qutulmish. Deze had een groot gebied in Klein-Azië (of Anatolië) veroverd en er in 1077 het sultanaat Rûm gesticht. De hoofdstad van zijn rijk werd Nicea (het huidige Iznik). Het gebied was veroverd op de Byzantijnen en de Arabieren noemden de bevolking “Rum” of “Roem”, van “Romeinen”.
In 1086 stierf Suleiman. Hij werd door een neef gedood in een gevecht om het leiderschap.[1] Kilij Arslan werd toen de officiële opvolger, maar omdat hij nog maar 7 jaar was, werd hij onder regentschap van emirs geplaatst. Zogenaamd voor zijn veiligheid werd hij naar Isfahan in Perzië gezonden. Hij verbleef er onder toezicht van Seltsjoeken en werd meteen verboden zijn rijk nog te bezoeken. Eind 1092, op 13 jaar, kwam hij vrij door een conflict tussen zijn bewakers. Intussen was zijn rijk wel opgedeeld, waardoor hij enkel nog zeggenschap had over de omgeving van Nicea. Bij zijn vrijlating bood Chaka, de Turkse emir van Smyrna, hem zijn dochter ten huwelijk aan om strategische redenen: hij wilde Constantinopel veroveren met de hulp van Kilij Arslan. Deze huwde de dochter, maar wilde tegelijk afrekenen met de emirs. Waarschijnlijk nog in datzelfde 1092 (sommige bronnen spreken van 1094) voerde hij zijn schoonvader Chaka dronken tijdens een banket in Nicea en stak hem eigenhandig dood.[2]
De daaropvolgende jaren heroverde Kilij Arslan een deel van de vroegere gebieden van zijn vader, mede door verdere twisten tussen de Seltsjoeken van Syrië en Perzië.

Volkskruistocht[bewerken]

In 1096 vernam Kilij Arslan dat een enkele tienduizenden “Franken” (de inwoners van West-Europa werden toen allemaal “Franken” genoemd) onderweg waren naar Constantinopel. Hieronder bevonden zich enkele honderden ridders met gewapend voetvolk, aangevuld met duizenden in lompen geklede vrouwen, kinderen en ouderen, de meesten met lappen stof in kruisvorm op de rug. Begin augustus 1096 staken ze de Bosporus over en riepen dat ze de moslims kwamen uitroeien. Hoewel het grootste deel van het gebied rond Nicea nog christelijk was, werden de plaatselijke (christelijke) kerken meteen mee geplunderd.[3] Wanneer de omgeving van hun verblijfplaats Civitot geplunderd was, verlegden ze hun actie tot vlak bij de stadsmuren van Nicea. Een door Kilij Arslan gezonden patrouille werd verslagen. Twee weken later veroverde een groep de vesting Xerigordon. De veroveraars hadden er echter geen rekening mee gehouden dat de watervoorziening buiten de vesting lag. Kilij Arslan liet de burcht omsingelen en uitdrogen. Wie zich wilde bekeren tot de islam werd naar Syrië of Centraal-Azië gestuurd, de anderen werden gedood. De overgebleven kruisvaarders in Civitot wilden wraak. Op 21 oktober 1096 trokken ze op, maar de troepen van Kilij Arslan lagen in hinderlaag. De kruisvaarders werden volledig verrast door een regen van pijlen en compleet verslagen. Ook de achterblijvers in Civitot werden vermoord; jonge vrouwen, meisjes en jongens werden verdeeld onder de emirs of verkocht op de slavenmarkten. Slechts enkele duizenden konden ontsnappen en werden gered door de Byzantijnen.

Danisjmend[bewerken]

Danisjmend was een van de Turkse heersers die na de dood van de vader van Kilij Arslan het noordoosten van Anatolië had veroverd en bezet. Verder veroverde Danisjmend begin 1097 ook nog de Armeense stad Malatya of Melitene. Daar ging Kilij Arslan hem belegeren. In april 1097 nam de kans op een confrontatie toe, toen er berichten kwamen van de komst van een nieuwe Frankische troepenmacht. Na zijn overwinning op de volkskruistochters maakte Kilij Arlsan zich echter geen grote zorgen meer over de Franken en zond enkel een groep ruiters om de hoofdstad Nicea te versterken. Dit deed hij vooral om zijn zwangere vrouw, die in Nicea verbleef, gerust te stellen. Hijzelf wilde eerst met Danisjmend afrekenen.

Eerste Kruistocht[bewerken]

Beleg van Nicea[bewerken]

Begin mei 1097 stond de Eerste Kruistocht voor Nicea. In tegenstelling tot wat Kilij Arslan had verwacht, waren het dit maal duizenden goed uitgeruste ridders. Hij sloot snel wapenstilstand met Danisjmend om naar Nicea te trekken, dat intussen was omsingeld. Zijn tegenaanval mislukte. Kilij Arslan trok zich terug en koos Konya als nieuwe hoofdstad. Zijn afstammelingen zouden deze behouden tot aan het einde van de 14e eeuw. Nicea zou hij nooit meer terugzien. Het beleg van Nicea was echter nog niet afgelopen. De afgevaardigden van Kilij Arslan onderhandelden met de Byzantijnen om de stad over te leveren aan keizer Alexios I Komnenos in plaats van aan de Franken. De nacht van 18 op 19 juni 1097 werden Byzantijnse soldaten binnengelaten en gaf het garnizoen zich over. Daarop staakten de Franken de belegering. De vrouw van Kilij Arslan was intussen bevallen en werd in veiligheid gebracht naar Constantinopel, waar ze eervol werd behandeld.

Slag bij Dorylaeum[bewerken]

De Turken waren het westelijke deel van Klein-Azië kwijt. Daarop ging Kilij Arslan snel een bondgenootschap aan met zijn vroegere vijand Danisjmend en deed een oproep tot een Heilige oorlog. Een grote groep kruisvaarders onder leiding van Bohemund trok dan richting Konya. De Turken wachtten hen echter op bij Dorylaeum (het huidige Eskişehir). Op 1 juli 1097 begon daar de Slag bij Dorylaeum. De troepen van Kilij Arslan en Danisjmend hadden een zeer wendbare cavalerie, gewapend met bogen. De pijlenregens maakten vooral slachtoffers bij het voetvolk van de kruisvaarders. Na een aantal uren kwam er plots versterking voor de kruisvaarders. Kilij Arslan, Danisjmend en de emirs vluchtten. De meeste Turkse soldaten konden niet weg en werden afgeslacht of gevangengenomen.
Kilij Arslan zou 4 jaar wachten om terug te slaan.

Kruisvaart van 1101

Kruisvaart van 1101[bewerken]

Na de verovering van Jeruzalem trokken veel kruisvaarders terug naar huis. In 1101 kwamen echter nieuwe westerse troepen (de zogenaamde Kruisvaart van 1101). Zo’n 100.000 Franken staken in mei onder leiding van Raymond van Saint-Gilles de Bosporus over. Kilij Arslan en Danisjmend dachten dat ze via Nicea zouden gaan, zoals de vorige kruistocht en vergiftigden alle waterplaatsen langs die route. Doch de groep volgde die route niet en de Turken raakten hun spoor kwijt.[1] Eind juni stonden de Franken onverwacht voor Ankara. Deze stad lag in het rijk van Kilij Arslan, maar werd ingenomen door de kruisvaarders. Deze trokken verder richting Niksar, waar Danishmend Bohemund gevangen hield. Bij Mersivan hadden Kilij Arslan en Danisjmend een hinderlaag gelegd. Door de reeds lange tocht die de kruisvaarders hadden afgelegd (zie kaartje) en de verzengende hitte, stelde hun leger nog maar weinig voor en werden ze gemakkelijk verslagen. Raymond van Saint-Gilles vluchtte met enkelen. De overigen werden gedood en de vrouwen werden naar Aziatische harems gebracht.
Kort nadien volgde een nieuwe Frankische expeditie in Klein-Azië, maar ook deze werd verpletterd. Een derde Frankische expeditie tenslotte werd verslagen bij Heraclea.

Dood[bewerken]

Na het grondig verslagen van de kruisvaart van 1101 ging Kilij Arslan verder met het trachten te heroveren van gebied. In 1107 werd hij meester van Mosoel, maar werd kort daarop bestreden en verslagen door tegenstanders. Hij stierf bij het overzwemmen van de Tigris.[4] Hij was toen 28 jaar.

Zijn zoon Kilij Arslan II zou in 1147 tijdens de Tweede Kruistocht de Franken wel verslaan bij Dorylaeum.

Bronnen, noten en/of referenties
  • (en) David Luscombe en Jonathan Riley-Smith, The New Cambridge Medieval History (Volume IV), pp. 541-566, 2004 ISBN 0521414113
  • (en) Steven Runciman, A History of the Crusades, pp. 177-189, 1987 ISBN 052134770X
  • (fr) Janine et Dominique Sourdel, Dictionnaire historique de l'islam, Éd. PUF, ISBN 978-2-130-54536-1, artikel over de Seltsjoeken, pp. 740-743 en het artikel over Kiliç Arslan, p. 481.
  1. a b A. Maalouf: ’Rovers, christenhonden, vrouwenschenners.’ De kruistochten in Arabische kronieken. Amsterdam: Rainbow Pocket, 1991. ISBN 9067661082
  2. S. Runciman: A history of the crusades. Volume I. The First Crusade and the foundation of the kingdom of Jerusalem. Cambridge: Cambridge University Press, 1951. ISBN 052134770 X
  3. P. Morren: De eerste kruistocht (1095-1099). Leuven: Garant, 2000. ISBN 9053509356
  4. Dood van Kilij Arslan