Kinderlied

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Frans boekje met kinderliedjes (1883).

Een kinderlied is een lied dat is gemaakt voor en/of gezongen wordt door (jonge) kinderen. Ook opzegversjes, rijmpjes, overgeleverde gedichtjes en kinderdreunen worden gerekend tot de kinderliedjes.

Wat betreft inhoud, taalgebruik, melodie en tempo sluit het kinderliedje aan bij de belevingswereld en de ontwikkelingsfase van het kind.

Zingen met kinderen[bewerken]

Standbeeld naar het kinderliedje 'Berend Botje ging uit varen' (W.R. Pot, 1967) in Zuidlaren, Drenthe.

Bij het kiezen van een lied voor kinderen, kan er met de volgende zaken rekening gehouden worden:

  • Het lied moet aansluiten bij de belevingswereld van het jonge kind.
  • Het lied mag geen te hoge of lage noten bevatten.
  • Een kinderstem moet nog ontwikkelen.
  • Er kan tekstvariatie op een bestaand lied gebruikt worden, dit zal zorgen dat de interesse van het kind aangewakkerd wordt. Bijvoorbeeld in plaats van Altijd is kortjakje ziek: "Altijd is ons Jantje ziek".

Het belang van zingen met kinderen[bewerken]

  • Liedjes zingen met kinderen kan uiteenlopende dingen betekenen, zoals: persoonlijke aandacht, troost/geruststelling, vrolijkheid, iets samen doen met een groep, het uiten van emoties, luisteren naar elkaar, gehoord worden.
  • De melodietjes van veel traditionele kinderliedjes zijn, in rustig tempo, voor kinderen al snel mee te zingen; dat geeft zelfvertrouwen.
  • Het kan structuur helpen geven aan de dag (bijvoorbeeld liedjes zingen voor het slapen gaan of op vaste momenten gedurende een schooldag).
  • Simpele melodieën leggen de basis voor muzikaliteit en een goed muzikaal gehoor.
  • Liedjes zingen ondersteunt taalontwikkeling, taalvaardigheid en het vergroten van de woordenschat.
  • Ritme, rijm, melodie en intonatie vormen de basis van taal.
  • Het helpt om luister- en concentratievermogen te verhogen.
  • Feiten in rijmpjes en liedjes worden vaak makkelijk onthouden (abc, tellen, seizoenen, enz.).
  • De teksten stimuleren de fantasie.
  • Bij muziek hoort bewegen: klappen of dansen (motorische ontwikkeling), een kringdansje of een spelletje (sociale ontwikkeling).
  • Samen een liedje zingen zorgt voor een sterke verbinding binnen een groep.
  • De oorspronkelijke context van een traditioneel liedje verbindt een kind met het culturele en maatschappelijke verleden; niet alleen met de culturele historie van Nederland in het algemeen, maar ook met directe eigen voorouders die ook deze of zulke liedjes zongen.
  • Algemeen bekende liedjes bieden een gemeenschappelijke ervaring en herinnering die verbindend kan werken binnen een maatschappij. Om deze laatste twee redenen worden in bijvoorbeeld het Duitse, Engelse of Franse taalgebied traditionele liedjes dan ook veel sterker gekoesterd dan hier het geval is.

Geschiedenis van het Nederlandse kinderlied[bewerken]

Vijftiende tot en met de zeventiende eeuw[bewerken]

Standbeeld naar Catharina van Rennes' kinderliedje: 'Drie kleine kleutertjes' (Joop Hilbers, 1958) in Amsterdam-West.

Het oudste liedje[1] in de Nederlandse Liederenbank (Meertens Instituut) dat is opgetekend met de uitdrukkelijke vermelding "kijnder zang" (kinderzang) stamt uit de vijftiende eeuw (hs. Brugge, ca. 1480-85).[2] Boven het liedje staat vermeld: 'Ende de kinderkins van vlaenderen zonghen een liedekin' (En de kindertjes van Vlaanderen zongen een liedje). Het incipit luidt: 'Wij willen hebben tonsen kyese / eenen heere den vlaemschen vriese'. De tekst verwijst naar een historische figuur, de middeleeuwse graaf Robrecht de Fries.

Uit de zestiende eeuw zijn alleen religieuze kinderliederen overgeleverd, waaronder gebeds-, vermaan- en schoolliederen.[3] De meeste kinderliedjes zijn opgenomen in religieuze liedboeken.[4] Opschriften boven (of aanduidingen bij) het liedje, geven aan dat het een lied voor kinderen betreft. Enkele voorbeelden van kinderliedjes uit de zestiende eeuw zijn een liedje voor bij de kinderpreek: 'Een Liedt datmen singt voor het kinder Sermoon' (1567);[5] een kinderlied voor het nieuwe jaar: 'Een cort Liedeken voor die Juecht, datmen singhen mach opt nieuwe Jaer' (1565);[6] en een liedje dat aan het einde van een schooldag kon worden gezongen: 'Een Avont Liedt voor die Kinderen in der Scholen' (1565).[7]

Uit de zeventiende eeuw zijn naast religieuze kinderliederen[8] ook wiegeliedjes en een kluchtliedje voor kinderen overgeleverd in liedboekjes.

In het wiegeliedje 'Gebakeloerd nu is myn lieve popje kleen' (onder de titel 'Wiech-liedt', 1625)[9] geeft een moeder haar kind de borst, kust haar kindje (dat ze aanspreekt met kooswoordjes als 'myn lieve popje kleen', 'myn al' en 'myn lammetje') en probeert hem of haar in slaap te zingen:

Sluyt dyn kleyn oogjes dicht myn uytvercooren schaep (...)
Goeden nacht dan myn al goeden nacht seg ick dy,
Met rory na-ny roor en suy suyse na-ny.[10]

De laatste regel lijkt te verwijzen naar het zingen van wiegeliedjes als 'Suyje, suyje suy, sus mijn lieve Schaepje' (1655).[11][12]

In het poëziealbum van Geesken ter Borch is een kluchtliedje te vinden, met het incipit 'Sij deden die kadt een lobbetien aen' (Zij deden de kat een kraagje om) (ca. 1652-1680).[13] Het liedje telde zeven coupletten, met als refrein: 'Hoese moese hoese moese / Op die ghesontheijt van de kat'. Ruim tweehonderd jaar later, rond 1900, noteerde G.J. Boekenoogen het kinderliedje uit de volksmond.

Achttiende eeuw[bewerken]

Uit de achttiende eeuw stammen de eerste liedboekjes voor kinderen. Er verschijnen niet alleen (net als in de voorgaande eeuw) losse wiegeliedjes in een groot aantal wereldlijke liedboekjes,[14] maar (vanaf het laatste kwart van de achttiende eeuw) ook kinderliedjes in eenvoudige taal over, vanuit het gezichtspunt van, of gericht aan jonge kinderen.

Een voorbeeld van een achttiende-eeuws wiegeliedje is 'Ey Jantje kind / Van mijn bemind' (1714).[15] Het is geschreven vanuit het gezichtspunt van de vader. De zuigeling heeft de neus en de kin van zijn vader en wordt in zijn wiegje in slaap gewiegd met een liedje: 'Ik zing het ouwe deuntje / Suje zuje zuy, Rory, Rory'.[12]

Het kinderliedje 'Die perzik gaf myn vader my', tekst van Hieronymus van Alphen (uitgave met muziek 1824).
Het kinderliedje 'Hoe dankbaar is myn kleine hond', tekst van Hieronymus van Alphen (uitgave met muziek 1824).

In 1778 verscheen het eerste gedichtenbundeltje voor kinderen, Kleine Gedigten voor kinderen van Hieronymus van Alphen (die het, als weduwnaar, voor zijn drie jonge zoontjes schreef). Het was vernieuwend door het eenvoudige taalgebruik, doordat hij zich rechtstreeks tot kinderen richtte en het aansloot bij hun belevingswereld en door het nieuwe opvoedingsideaal dat er uit sprak. Hierin staan gedichten als: 'Jantje zag eens pruimen hangen / o! als eieren zoo groot'; 'Ach! mijn zusje is gestorven, / nog geen veertien maanden oud'; 'Wij zaten laatst bij Saartje, / Onze goede oude baker'; en 'Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen'.[16] Van Alphen nam met deze gedichtjes een voorbeeld aan de Duitse kinderliedjesschrijvers Weisse en Burmann.[17] In 1780 werd een aantal van Van Alphens gedichtjes op muziek gezet.

Het dichtbundeltje sloot aan bij nieuwe ideeën over de opvoeding van kinderen tot deugdzame en beschaafde burgers, die zich halverwege de achttiende eeuw, vanuit de Verlichting, steeds meer verspreidden. Dit ideaal werd aan het einde van de achttiende eeuw (een tijd van economische achteruitgang en armoede) niet alleen nagestreefd door onderwijs, maar burgerlijke deugden, waarden en normen konden ook worden uitgedragen in teksten om te lezen of zingen.[18]

Een voorbeeld hiervan is het opvoedkundige kinderliedboekje Liedjes voor kinderen (1781) van Hendrik Riemsnyder (die hierin Duitse gedichtjes van Weisze navolgde). Dit bevat kinderliedjes als 'Jantje, die laatst bloempjes plukte'; 'Ik zag een' man van sneeuw laatst maaken'; en 'Hoe minn' ik u, ô nutte en fraaie Boeken!'.[19] De liedteksten eindigen vrijwel allemaal met een moraal. In het veelvuldig herdrukte liedboekje Economische liedjes (1781) van Betje Wolff en Aagje Deken staan enkele wiegeliedjes (zoals 'Nu slaap myn kleine Mietje'; en 'Slaap zoet, myn zusje lief, slaap zoet); enkele liedjes vanuit het kind geschreven (zoals 'Moederlief, ik dans van blydschap, / Vaderlief, wat ben ik bly'; en 'Myn Oota gaf ook wat aan my, / Zo wel als aan Broêr Piet'); en een 51 coupletten tellend liedje over (geheel in lijn van de Verlichting) onderricht aan meisjes ('Hoor, lieve man, 't is meer dan tyd, / Ons Mietje moet wat leeren').[20]

In de religieuze en moraliserende liedboekjes van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, Volks-Liedjens (1789-1806, 5 dln.), staan eveneens een aantal wiegeliedjes, waaronder 'Slaap, slaap gerust, mijn kindjen slaap, / Mijn Jantjen schrei niet meêr'.[21] Hierin wordt de zuigeling een 'deugdzaam rein gemoed' toegewenst. En ook de blinde dichteres Petronella Moens schreef een wiegeliedje: 'Ja, vleiend Hartediefjen! / Gij reikt me uw armpjens toe', waarin zij hoopt dat de boreling mag ontluiken tot een aanwinst voor 'Neêrlands maatschappij'.[22]

Negentiende eeuw[bewerken]

Liedje over de onderwijzer, 'Wie leert de teedre jeugd / Nutte kundigheên en deugd?', in de schoolliedbundel van Van Sandwijk (1845), blz. 28.

In de negentiende eeuw verschenen er (in de lijn van de achttiende eeuw) meer religieuze of moralistische kinderliedboekjes, zoals Gezangen voor kinderen en jonge lieden (1804) en Het Kinderleven geschetst in een tiental liederen (1830).[23] Een nieuw verschijnsel waren de schoolliedboeken en zondagsschoolliedboeken, zoals De Muzikale Vriend der Jeugd, ook tot Schoolgebruik om jeugd te leren zingen (1828) en De juichende kinderschaar. Liederen voor Christelijke scholen, zondagsscholen (1880).[24][25] Dit hing samen met de opkomst van de kweekscholen voor onderwijzers (waar aankomende onderwijzers muziek als vak kregen) en de opkomst van de zondagsscholen (waar kinderen die werkten en door de week niet naar school gingen, tot de leerplichtwet van 1900 enig onderwijs konden volgen). Deze eerste school- en zondagsschoolliedboeken waren, net als de overige kinderliedboekjes, inhoudelijk overwegend religieus of moralistisch.

Jan Pieter Heije, Kinderliederen (druk van 1847; 1e druk 1843). Geïllustreerd voorblad.
Het kinderlied 'Lammetje loop je zoo eenzaam te blaten', in: Jan Pieter Heije, Kinderliederen (druk van 1847; 1e druk 1843), blz 49.

Halverwege de negentiende eeuw gaf de Amsterdamse arts Jan Pieter Heije (bestuurslid van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst en van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen) 150 kinderliedjes uit[26] en honderden liedjes in de trant van volksliedjes (met nieuwe idealistische en vaderlandslievende thematieken).[27][28]

Heije brak volledig met de gewoonte om liedteksten op een bestaande wijs te schrijven, en werkte samen met vele Nederlandse componisten, onder wie Richard Hol, Wilhelmus Smits, Hendrika van Tussenbroek, Johannes Verhulst en Joannes Josephus Viotta, waardoor liedtekst en melodie meer een eenheid vormden. De liedjes van Heije verspreidden zich onder meer in zangverenigingen en op scholen.[29]

J.P. Heije schreef kinderliedjes als 'Daar zaten zeven kikkertjes / Al in een boerensloot'; en 'Naar school, naar school! de klok sloeg acht!'; het sinterklaasliedje 'Zie, de maan schijnt door de boomen'; en volksliedjes (die ook werden opgenomen in schoolliedbundels) zoals 'Heb je van de Zilveren vloot wel gehoord'; 'In 't groene dal, in 't stille dal, waar kleine bloempjes groeien'; en 'Klein vogelijn op groenen tak wat zingt g' een lustig lied'. Een groot aantal liedjes van zijn hand bleef tot ver in de twintigste eeuw in brede kring geliefd.

In navolging van Heije verschenen er in de tweede helft van de negentiende eeuw vele liedboekjes voor kinderen, met liedteksten van onder anderen onderwijzer Simon Abramsz, onderwijzer E.J. Boneschanscher, zanglerares Anna Fles, onderwijzeres Katharina Leopold, onderwijzer Jan Schenkman en wiskundige David Tomkins, in samenwerking met componisten zoals Catharina van Rennes (die een zangschool voor kinderen had gesticht). Enkele tientallen van deze liedjes bleven bekend tot in de eenentwintigste eeuw, bijvoorbeeld: 'Ik droomde gist'ren van een ventje' (Simon Abramsz); 'De meimaand is in 't land, lief kind' (Anna Fles); en 'Een veldmuis vond in 't beukenbos een lege notendop' (David Tomkins). Ook veel sinterklaasliedjes uit de negentiende eeuw bleven bekend, waaronder: 'Zie, de maan schijnt door de bomen' (J.P. Heije); 'Zie, ginds komt de stoomboot' (Jan Schenkman); 'O, kom er eens kijken' en 'Hij komt, hij komt, die lieve goede Sint' (Katharina Leopold); en 'Op de hoge, hoge daken' en 'Zachtjes gaan de paardenvoetjes' (Simon Abramsz).

Op zijn beurt vernieuwend was schrijver en tekstdichter Jan Goeverneur, die bekend werd om zijn eenvoudige taalgebruik, informele toon en klanknabootsingen, de humor en het afwezig zijn van braafheid. Hij schreef onder meer 'In een groen, groen knollen- knollenland', 'Roodborstje tikt tegen 't raam, tin tin tin' en 'Toen onze Mop een Mopje was' (getoonzet door Johannes Worp).[30]

Kinderliedjes uit de mondelinge overlevering[bewerken]

In de tweede helft van de negentiende eeuw ging men, onder invloed van de Romantiek, volksliedjes optekenen uit de volksmond. Hieronder waren ook vele kinderliedjes uit de mondelinge overlevering (waar geen maker meer van bekend was), die toen al generaties oud waren (voorlopers van de liedjes mogelijk al eeuwenoud), maar die nooit eerder waren opgetekend.

Het grootste liedboek dat verscheen met zulke oude, anonieme kinderliedjes (bijna 800) is Nederlandsche baker- en kinderrijmen (1871), verzameld door J. van Vloten.[31] Deze liedjes werden ten tijde van het verzamelen "in de kinderkamer" gezongen en als traditionele kinderliedjes beschouwd. Een groot deel van deze kinderliedjes verscheen hiermee voor het eerst in druk. Onder meer zijn in dit kinderliedboek opgenomen: 'Amsterdam, die grote stad'; 'Bim bam beieren'; 'Er zat een aapje op een stokje'; 'Heb je niet gehoord van dien hollebollewagen'; 'Ik stond laatst voor een poppenkraam'; 'In Den Haag daar woont een graaf'; 'Klap eens in je handjes'; 'Klein, klein kleutertje'; 'Schuitje varen, theetje drinken'; 'Slaap, kindje, slaap'; 'Torentje, torentje bussekruit'; 'Twee emmertjes water halen'; Witte zwanen, zwarte zwanen'; enzovoort.

Enkele traditionele kinderliedjes in: Kinderdeuntjes, wiegeliedjes, verzameld door J. Goeverneur (ca. 1880), blz. 30.

Enkele andere verzamelliedboeken met anoniem overgeleverde, bestaande kinderliedjes zijn bijvoorbeeld Kinderdeuntjes en wiegeliedjes (J. Goeverneur, ca. 1880); en In doaze fol alde snypsnaren (Dykstra en Van der Meulen, 1882).[32] Ook tijdschriften als Wodana (1843), De Navorscher (va. 1851) en de Biekorf (va. 1890) namen tientallen van zulke liedjes op.

Naast liedboeken en tijdschriften bestaan er grote, onuitgegeven hanschriftencollecties kinderliederen (beheerd door het Meertens Instituut in Amsterdam), met name de Collectie Boekenoogen, verzameld in de jaren 1891-1930 (ruim 9000 kinderliedjes, inclusief varianten) en de Collectie Hichtum, verzameld in de jaren 1904-1938 (ruim 2500 kinderliedjes, inclusief varianten). Hierin zijn kinderliedjes opgetekend als 'Aake baake / Boonestaake'; 'Alle eendjes zwemmen in het water'; 'Goedenavond Speelman'; 'Iene, mine, mukker'; 'Kaatsebal! Ik vang je al'; en 'Klikspaan, halve maan'.

Door het optekenen van volksliedjes in de tweede helft van de negentiende eeuw, waaronder kinderliedjes uit de mondelinge overlevering, is er een rijke kinderliedcultuur vastgelegd. Deze liedjes werden doorgegeven van ouder op kind en van kind op kind, en kwamen (met regionale varianten in tekst en melodie) door het hele taalgebied verspreid voor. Van deze liedjes zijn de ouderdom en herkomst niet meer vast te stellen. Uit eerdere eeuwen is van deze orale kinderliedcultuur niets vastgelegd en daardoor niets met zekerheid te zeggen.

Twintigste eeuw tot heden[bewerken]

In 1914 verscheen het liedboek Kun je nog zingen, zing dan mee! Voor jonge kinderen, J. Veldkamp en K. de Boer (Noordhoff, Groningen, 1914), met liedjes speciaal voor jonge kinderen. Het beleefde verschillende herdrukken gedurende de twintigste eeuw. Hierin werden kinderliedjes gepubliceerd als 'Daantje zou naar school toe gaan' (H. Bruining, H.J. den Hertog), 'Daar zaten zeven kikkertjes' (tekst J.P. Heije, T. Steenhuis), 'Drie kleine kleutertjes' (Kate Greenaway, Catharina van Rennes), 'Hannes loopt op klompen' (N. Doumen, Philip Loots), 'Onder moeders paraplu' (Anna Sutorius, J. Wierts), 'Schommelen, schommelen heen en weer' (A. van Harpen Kuyper, Catharina van Rennes) en 'Wij hebben twee kleine poesjes' (Henriette Kriebel).

Een groot aantal liedjes die Herman Broekhuizen voor het radioprogramma Kleutertje luister (1946-1975) schreef, werden zo bekend dat men soms ten onrechte denkt dat het traditionele liedjes zijn. Broekhuizen schreef onder meer de liedjes: 'Elsje Fiederelsje', 'Opa Bakkebaard', 'Onder hele hoge bomen', 'Een treintje ging uit rijden', 'Helikopter, helikopter', 'Chauffeurtje mag ik mee met jou?', 'Vlieg op dikke vlieg', 'Herfst herfst wat heb je te koop?', 'Zie je de kastanjes aan de bomen?' en 'Piet heeft gesnoept van de pepernoten'.

In vroegere eeuwen waren al deze kinderliedjes overbekend en werden ze ook van generatie tot generatie doorgegeven. Sinds het einde van de 20ste eeuw is deze traditie afgenomen en groeiden veel mensen op zonder deze liedjes nog te kennen.

Toch zijn er al pogingen gedaan om kinderliedjes te herwaarderen en terug bekend te maken bij de bevolking. Diverse kleinkunstgroepen en/of Nederlandstalige zangers hebben nieuwe versies van deze liedjes opgenomen en uitgebracht. Bassie en Adriaan hadden in 1995 een programma getiteld, Liedjes uit Grootmoeders Tijd, waarin ze kinderen oude kinderliedjes aanleerden. In Vlaanderen bestaat er sinds 2004 het Kapitein Winokio-project, waarbij kinderliedjes door verschillende bekende Vlaamse personen en zangers worden opgenomen.

Lijst van Nederlandse kinderliedjes[bewerken]

Standbeeld naar Anna Sutorius' kinderliedje: 'Onder moeders paraplu' (Ed van Teeseling, 1973) in Wijchen.

Hieronder staat een alfabetische lijst van kinderliedjes (sommige ervan waren oorspronkelijk niet echt bedoeld voor kinderen (volksliedjes of wandelliedjes), maar worden tegenwoordig vrijwel uitsluitend nog door of voor kinderen gezongen).

De lijst geeft een kleine selectie en is niet volledig.

Lijst van anderstalige kinderliedjes[bewerken]

Kinderliedjes op een postzegel uit de Faeröer (Denemarken).
  • Alouette
  • Au clair de la lune
  • Baa baa black sheep
  • Burung kakatua (Indonesisch)
  • Faya sitong no brong mi so (Surinaams)
  • Hickory Dickory Dock
  • Hine e Hine (Maori)
  • Humpty Dumpty
  • Hush little baby
  • If you're happy
  • Le coq est mort, le coq est mort
  • Mary had a little lamb
  • O du lieber Augustin
  • Old McDonald Had a farm
  • Row, row, row your boat
  • Sur le pont d'Avignon
  • The wheels on the bus
  • Twinkle twinkle little star (melodie: 'Altijd is Kortjakje ziek')
  • Three Blind Mice

Literatuur[bewerken]

  • Kinderlied, in: Algemeen letterkundig lexicon, G.J. van Bork, D. Delabastita, H. van Gorp, P.J. Verkruijsse en G.J. Vis. Op dbnl.org.
  • Anne de Vries, 'Van proeve tot genre. Kinderpoëzie aan het eind van de achttiende eeuw', in: Tot volle waschdom: bijdragen aan de geschiedenis van de kinder- en jeugdliteratuur (Den Haag, 2000)
  • L.J.Th. Wirth, Een eeuw kinderpoëzie, 1778-1878 (Utrecht, 1925). (Recensie in De Nieuwe Taalgids, 1926)
  • M.J.E. Sanders, Van Hieronymus van Alphen tot Catharina van Rennes: een bijdrage tot de kennis van het Nederlandse kunstkinderlied van 1770-1940 (1958)

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Kinderlied op Wikisource

Voetnoten

  1. Zie de kinderliederen in de Nederlandse Liederenbank van het Meertens Instituut, met de zoekwoorden kinderlied, wiegelied en slaaplied (de treffers overlappen elkaar gedeeltelijk). In de Liederenbank zijn rond de 20.000 kinderliedjes en varianten uit honderden bronnen van de middeleeuwen tot de eenentwintigste eeuw ontsloten. De Liederenbank is compleet tot en met de zestiende eeuw, op basis van het Repertorium van het Nederlandse Lied (2001). Geraadpleegd najaar 2014.
  2. 'Wij willen hebben tonsen kyese / eenen heere den vlaemschen vriese', met als opschrift 'Ende de kinderkins van vlaenderen zonghen een liedekin'; en in de marge: 'kijnderzang'. In: Handschrift Brugge, Stadsbibliotheek 437 (ca. 1480-85). Op liederenbank.nl.
  3. De Nederlandse Liederenbank (die compleet is tot en met de zestiende eeuw op basis van het Repertorium van het Nederlandse Lied, 2001) heeft 13 kinderliedjes uit de zestiende eeuw. Op liederenbank.nl.
  4. Uitzondering hierop zijn de twee liedjes in het schoolmeesterboek: D.A. Valcoogh, Een nut ende profytelijck boecxken ghenaemt Den regel der Duytsche Schoolmeesters (Amsterdam, 1591). Hierin staan twee liedjes. Het eerste is een vermaanlied: 'Ghy jonghe kinders wilt op mijn leer mercken' (met de aanwijzing: 'Dit Kinderliedeken salmen alle Saterdagen singen te samen'). Het tweede is een geestelijk nieuwjaarslied: 'Ontwaeckt wilt uyt den slaep oprijsen' (met de titel 'Een lustich nieuwe Jaerliedt, 't welck den Schoolmeester zijn Scholiers alle Jaren tegen den eersten January sal leeren singhen'). Op liederenbank.nl.
  5. Geloeft sy Godt de Heer die leeft, in: Den Geheelen Souter der Koenicklijcken Propheten Dauids (Wesel, 1567). Op liederenbank.nl.
  6. Ach Christe ons verlosser soet, van Michael Weisse. In: Een Hantboecxken inhoudende den heelen Psalter des H. propheete Dauid (Frankfurt, 1565). Op liederenbank.nl.
  7. Dit dachwerck is nu oock volbracht, van Johannes Zwick. In: Een Hantboecxken inhoudende den heelen Psalter des H. propheete Dauid (Frankfurt, 1565). Op liederenbank.nl.
  8. Voorbeelden van religieuze kinderliedjes uit de zeventiende eeuw zijn: het vermaanlied 'Hoort kinders, weest ghedachtigh' van Karel van Mander. In: De Gulden Harpe (1627); het vermaanlied 'Ghy Kinders wie ghy zijt, die hier in komt te lese' (onder de titel 'Een Vaderlijck vermaen Liedt, aen de Kinderen'). In: 't Groot Achterhofken (1664); het vermaanlied 'Kinderkens hoort na mijn gedicht'. In: 't Groot Achterhofken (1664); het wiegelied Nu slaep, myn lieve kind, en doe / Dyn wakk're oogjes haest eens toe (onder de titel 'Wiege-Sang') van Willem Sluiter. In: Gezangen van Heilige en Godtvruchtige stoffe (Amsterdam, 1687); en het kindergebed 'O heylige! drie eenig Godt' (onder de titel 'Kinder-bede tot Godt'), van H. Uilenbroek. In: Christlyke gezangen (1669). Op liederenbank.nl.
  9. 'Gebakeloerd nu is myn lieve popje kleen, / Myn melck soppertje soet suycht dyn memmetjes speen' (onder de titel 'Wiech-liedt'), van B. van Hemert. In: Minne-plicht ende Kuysheyts-kamp als mede Verscheyden Aardighe en Geestige Nieuwe Liedekens en Sonnetten, samengesteld door Joost van den Vondel (Amsterdam, 1625). Op liederenbank.nl.
  10. De gehele tekst van dit wiegelied is te vinden op: Gebakeloerd nu is myn lieve popje kleen, op dbnl.org.
  11. Suyje, suyje suy, sus mijn lieve Schaepje. / Hoe met sulck een buy, uyt dat soete slaapje, in: Koddige Olipodrigo of nieuwe kermiskost (Amsterdam, 1655). Op liederenbank.nl.
  12. a b Van de zeventiende tot en met de twintigste eeuw zijn vele soortgelijke wiegeliedjes te vinden, met beginwoorden als: Sus ey sus / Su Su / Suja suja / Suze naanje / Roe roe / Roer roer / Ro ro / Na na / Dou dou. Op liederenbank.nl.
  13. Sij deden die kadt een lobbetien aen, in: het poëzie-album van Geesken ter Borch (samengesteld in Deventer, tussen ca. 1652-1680). Op liederenbank.nl.
  14. Voorbeelden van achttiende-eeuwse wiegeliedjes zijn: 'Wie drommel Klop hier aan myn Huys, / Is het een Rot of is 't een Muys' (onder de titel 'Van een Vrouw die aan het Wiegtouw zat'), in: Apollo's St. Nicolaas Gift, Aan Minerva (1741); Sujo, Sujo, Kintje slaap, / Leg uw kopje rasjes neder (onder de titel 'Wiegdeun'), in: Apollo's Kermis-Gift Aan De Haagsche Vermaaksgesinde Jeugd (ca. 1750); Slaap myn lieve jonge Guurt; / Uw geschrei klinkt door de buurt (onder de titel 'Wiegzang', in: Vrye Landbouwers Gezangen (1790); Slaap nu gerust myn lieve wichtje / Slaap, wellust van myn teder hart (onder de titel 'Wiege zang'), in: Floraa's bloemkorfje (ca. 1790). Op dbnl.org.
  15. Ey Jantje kind / Van mijn bemind, onder de titel 'Een vermakelyk Wiege-Lied, seer genoeglyk by de Wieg te singen'. In: De Amsterdamse gaare-keuken (Amsterdam, 1714).
  16. Hieronymus van Alphen, Kleine Gedigten voor kinderen (1778-1782, herdruk van 1998 met uitgebreid nawoord). Op dbnl.org.
  17. Twee Duitse voorgangers: Weisse en Burmann. P.J. Buijnsters, 'Nawoord', in: Kleine gedigten voor kinderen (Amsterdam, 1998). Op dbnl.org.
  18. Wijnand Mijnhardt, 'Zang als wapen in een burgerlijk beschavingsoffensief'. In: Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, red. Louis Grijp (2001). En P.J. Buijnsters, 'De nieuwe pedagogie', in Hieronymus van Alphen, Kleine gedigten voor kinderen (Amsterdam, 1998).
  19. Hendrik Riemsnijder, Liedjes voor kinderen ('s Gravenhage, 1781). Op dbnl.org.
  20. Betje Wolff en Aagje Deken, Economische liedjes (Den Haag, 1781, 3 dln.). Op dbnl.org.
  21. M. van Heijst, Wed. Vinkenra, 'Slaap, slaap gerust, mijn kindjen slaap', in: Volks-liedjens, uitgegeeven door de maatschappij Tot nut van 't algemeen (Amsterdam, 1789-1807, 5 dln.). Op dbnl.org.
  22. Petronella Moens en Bernardus Bosch, 'Ja, vleiend Hartediefjen', in: Liederen voor het vaderland (1792). Op dbnl.org.
  23. Voorbeelden van kinderliedjeboekjes uit de eerste helft van de negentiende eeuw: Gezangen voor kinderen en jonge lieden (Haarlem, 1804); Francijntje de Boer, Gedichtjes voor kinderen (Amsterdam/Arnhem, 1817); Kinderspelen, in leerzame gedichtjes, Johannes Hazeu Cornelisz. (Amsterdam, 2de druk 1837); Het kinderleven geschetst in een tiental liederen (Amsterdam, ca. 1830-1840); en De kleine mimiek, of De vrolijk zingende knaap, Gijsbertus van Sandwijk (Purmerend, ca. 1830-1840). Op dbnl.org.
  24. Voorbeelden van negentiende-eeuwse schoolliedboeken: De muzikale vriend der jeugd, of Bevallige zangstukjes voor het opkomend geslacht, W. Oudshoff (Rotterdam, 1834); De zangminnende kindervriend, of School-liederen (Utrecht, 1835-1838); Schoolgezangen. Dienende tot dagelijksch gebruik bij het aan- en uitgaan der school, en bij bijzondere gelegenheden, Hendrik Polman (Amsterdam, 1838); Tweestemmige zangstukjes voor de jeugd, ten gebruike op de scholen (Amsterdam, 1842); en Gezangen voor de jeugd, ten dienste der scholen, Gijsbertus van Sandwijk (Purmerend, 1845). Op dbnl.org.
  25. De juichende kinderschaar. Liederen voor Christelijke scholen, zondagsscholen, enz., Adolf Jacob Hoogenbirk (Amsterdam, 5e druk ca. 1880). Op dbnl.org.
  26. J.P. Heije, Kinderliederen (1843; 2e bundel 1844; 3e bundel 1852). De verzamelbundel Al de kinderliederen uit 1861 bevat 150 kinderliedjes. Op dbnl.org.
  27. De twee verzamelde werken Al de Volksdichten (1865, dl. 1) en Al de Volksdichten (1865, dl. 2) bevatten samen zo'n 350 liederen. Op liederenbank.nl.
  28. Volksliedjes zijn traditionele, mondeling overgeleverde liedjes, waarvan gaan auteur/componist (meer) bekend is en waarvan door de mondelinge overlevering regionale varianten in tekst en melodie zijn ontstaan. Deze liedjes worden gekenmerkt doordat ze geschikt zijn voor de actieve zangbeoefening: de teksten zijn makkelijk te onthouden, er is veel herhaling in tekst en melodie, het wordt gezongen zonder muzikale begeleiding (er zijn geen maten voor muzikale arrangementen zonder tekst, waardoor er stiltes zouden vallen in de zang), het kent eenvoudige meezingbare betekenisloze (refrein)regels als 'falderaldera' en 'din don deine'. Vanaf J.P. Heije gaat men in de tweede helft van de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw liedjes schrijven in de trant van volksliedjes (sommige worden zo populair, dat ze in de mondelinge overlevering terechtkomen en zich van kunstlied tot volkslied ontwikkelen). Al deze negentiende-eeuwse liedjes worden ook wel aangeduid met 'volksliedjes', maar zijn in feite liedjes in de trant van volksliedjes.
  29. M. Venderbosch, 'Jan Pieter Heije: een inspirerend dichter van kunst- en volksliederen'. In: Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, red. L. Grijp (2001). En tevens: Wijnand Mijnhardt, 'Zang als wapen in een burgerlijk beschavingsoffensief'. In: Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, red. Louis Grijp (2001). Beide op books.google.nl.
  30. G.J. van Bork, 'Goeverneur, J.J.A.', in: Schrijvers en dichters (dbnl biografieënproject (2004). Op dbnl.org.
  31. Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen, verzameld door Dr. J. van Vloten (1e dr. 1871, 4e vermeerderde dr. 1894). Op dbnl.org.
  32. Meer liedboekjes met verzamelingen overgeleverde, traditionele kinderliedjes: Kinderdeuntjes en wiegeliedjes. Feestrijmpjes, verz. door J.J.A. Goeverneur (1870); Gezelschapsliederen Oud en Nieuw, verz. door BrandtsBuys (1875); Kinderdeuntjes en wiegeliedjes, verz. door J.J.A. Goeverneur (ca. 1880-1890); In doaze fol alde snypsnaren, samengesteld door Waling Dykstra en T.G. van der Meulen (1882); Nieuwe Nederlandsche Kinderprenten. Baker- & kniedeuntjes (ca. 1885); Uit Friesland's volksleven van vroeger en later, bijeengebracht door Waling Dykstra (1895). Op liederenbank.nl en dbnl.org.