Klara Pölzl

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Klara Pölzl

Klara Hitler-Pölzl (Spital bei Weitra, 12 augustus 1860 - Linz, 21 december 1907) was de moeder van Adolf Hitler. Hitler zou altijd haar portret bij zich hebben: in Wenen, München en Berlijn, tot in zijn kamer in de bunker waarin hij in 1945 zelfmoord zou plegen.

Klara werd geboren in het dorpje Spital, als dochter van Johann Pölzl en Johanna Hiedler. Zij was via haar grootvader zeer waarschijnlijk verwant aan Alois Hitler, al zat er een generatie tussen. Hierdoor bleef ze hem "oom" noemen, ook na haar huwelijk. Voor hun huwelijk was een pauselijke dispensatie vereist. Klara werd later beschreven als een lange vrouw met gelijkmatige gelaatstrekken en mooie ogen. Ze was rooms-katholiek en woonde trouw alle kerkdiensten bij. Ze was een verlegen, zachtmoedige en bedeesde vrouw, die zichzelf noch haar kinderen kon beschermen tegen Alois Hitlers woedeuitbarstingen.

In 1876, tijdens Alois Hitlers eerste huwelijk met Anna Glassl, trad Klara bij hem in dienst als huishoudster. Niet lang daarna begon Alois een relatie met Franziska "Fanni" Matzelsberger terwijl hij van tafel en bed scheidde van zijn zieke vrouw. Fanni eiste echter dat Klara weg zou gaan, omdat ze haar als rivale beschouwde. Alois trouwde na de dood van Anna met Fanni, maar al snel overleed Fanni aan een longaandoening. Vrijwel direct begon hij een relatie met Klara. Op 7 januari 1885 trouwde hij in een korte ceremonie met Klara en ging daarna meteen naar zijn werk. Dit kwetste Klara zeer.

Van Alois kreeg Klara zes kinderen:

  • Gustav Hitler (1885-1887)
  • Ida Hitler (1886-1888)
  • Otto Hitler (1887-1887)
  • Adolf Hitler (1889-1945)
  • Edmund Hitler (1894-1900)
  • Paula Hitler (1896-1960)

Gustav en Ida overleden beiden aan difterie, Otto leefde slechts enkele dagen na zijn geboorte, en Edmund overleed op zesjarige leeftijd aan mazelen. Slechts twee kinderen (Adolf en Paula) overleefden hun prille jeugd. Dit moet haar zeer veel verdriet hebben gedaan, hoewel Alois nooit naar zijn kinderen omkeek en het hem ogenschijnlijk niets kon schelen. Hierdoor werd alle moederlijke aandacht en zorg op Adolf en Paula geprojecteerd, wat ongetwijfeld zeer veel invloed op de latere dictator had.

In 1895 ging Alois met pensioen. Hij wist een lapje grond te kopen maar het werk eraan viel hem te zwaar en hij bracht zijn dagen thuis door. Alois verveelde zich en werd humeurig, waarbij hij zijn frustratie op Klara afreageerde middels woede-uitbarstingen en ook mishandeling. Ook zijn oudere kinderen werden regelmatig het doelwit hoewel er geen hard bewijs is dat hij ook hen geslagen zou hebben. Adolf Hitler heeft later wel toegegeven dat hij zelf regelmatig klappen van zijn vader in ontvangst moest nemen terwijl zijn moeder doodsbang achter de deur stond. In 1903 overleed Alois uiteindelijk en liet Klara een bescheiden vermogen na waarmee ze zichzelf en haar kinderen kon onderhouden.

In Adolfs tienerjaren overreedde Adolf haar in 1905 om hem van school te halen, waarna anderhalf jaar volgde waarin Klara en haar dochter Paula ervoor zorgden dat Adolf zijn tijd lanterfantend kon doorbrengen. Na enige aandrang van familieleden die vonden dat Adolf een vak moest leren, overreedde Adolf haar om hem in 1907 naar Wenen te laten gaan om daar aan de Academie van Schone Kunsten te studeren. Adolf werd afgewezen maar durfde het nooit aan zijn moeder te vertellen.

Eind 1907 bleek dat Klara borstkanker had. Na een pijnlijk ziekbed overleed ze met haar kinderen Adolf en Paula aan haar zijde. Haar dokter, de joodse Eduard Bloch, verklaarde later dat hij nooit iemand had gezien die zo gebroken was van verdriet als Adolf Hitler. Adolf vond het vreselijk te zien dat zijn moeder zo'n pijn leed en overleed. Hierna, tot aan zijn dood, zou hij een latente angst houden om zelf aan een pijnlijke ziekte of kwaal (met name kanker) te overlijden.

Familie[bewerken]

Klara's zus Theresia (1868-1935) was gehuwd met Anton Schmidt.[1] Zij had de volgende kinderen, die daarmee volle neven en nichten van Adolf Hitler waren:

De familie Schmidt werd aan het einde van de Tweede Wereldoorlog door de Sovjets gearresteerd en naar gevangenissen overgebracht. Onder meer Adolf Koppensteiner, de zoon van Ignaz en Maria en bij de arrestatie 6 jaar oud, overleefde de oorlog. De nazaten van Theresia werden in 1998 door de Russische overheid gerehabiliteerd.[2]

Bronnen, noten en/of referenties