Klederdracht (Nederland)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
v.l.n.r.: Volendam, Urk, Scheveningen, Spakenburg, Marken, Arnemuiden, Arnemuiden, Walcheren. knielend: Staphorst

Met klederdracht of streekdracht (kortweg: dracht) wordt bedoeld de traditionele kleding die in gemeenschappen gedragen werd door een groot deel van de bevolking. Er zijn nog een aantal dorpen en streken in Nederland waar nog dagelijks klederdracht wordt gedragen, over het algemeen alleen nog door oudere dames. Alleen in Staphorst-Rouveen en in Bunschoten-Spakenburg-Eemdijk maakt de klederdracht nog deel uit van het gewone straatbeeld, maar ook daar wordt het aantal mensen in dracht snel minder.

Definitie[bewerken]

In de wetenschap wordt de voorkeur gegeven aan de term "streekdracht" omdat de dracht typisch is voor een bepaalde regio (bijvoorbeeld Walcheren, Zuid-Beveland of de Noord-Veluwe) of soms ook een enkel dorp (bijvoorbeeld Volendam, Scheveningen, Urk). Het woord klederdracht betekent letterlijk niet anders dan het dragen van kleding en wordt ook wel gebruikt voor de kleiding die hoort bij een bepaald beroep (bijvoorbeeld het uniform van een politieman of een verpleegster), of een bepaalde religieuze groep (bijvoorbeeld het keppeltje van een joodse man of de hoofddoek van een moslimvrouw). Toch zijn ook beroep en godsdienstige achtergrond van invloed op de streekdracht. In Bunschoten-Spakenburg waren er bijvoorbeeld (kleine) verschillen tussen de boeren- en de vissersdracht en in Scheveningen mocht een meisje alleen nettenboetster worden als zij in dracht was. In Zuid-Beveland bestaan er verschillen tussen de dracht van protestanten en die van rooms-katholieken en in het Gooi/Eemland werd de vierkante kap met bijbehorende kleding uitsluitend door katholieken gedragen.

Ontstaan[bewerken]

Kanten muts met zilveren oorijzers en gouden rozetten (Drenthe)

Over het algemeen hebben de streekdrachten zich ontwikkeld uit de burgermode, die in de steden, vaak ook elders in Europa, werd gedragen. Doordat op het platteland de mode vaak "achterbleef" bij die in de steden bleven soms oude kledingvormen bewaard. Gaandeweg ontstonden daar ook weer eigen variaties in.

Bij de Nederlandse streekdrachten zou je een onderscheid kunnen maken tussen "volksdrachten", vaak teruggaand op kledingvormen uit de 17e eeuw, en "modedrachten" ontstaan uit de 19e-eeuwse mode.

Kenmerkend voor de volksdrachten is bijvoorbeeld een kledingstuk als de kraplap. Dit is een rechthoekig stuk stof waarmee aan de voorkant de borst en aan de achterkant de rug wordt bedekt. Voor- en achterzijde zijn, met een uitsparing voor de hals, aan elkaar genaaid. Van oorsprong behoorde de kraplap eigenlijk tot de onderkleding en was dan een tamelijk onopvallend kledingstuk, maar in de verschillende drachten heeft de kraplap een eigen ontwikkeling doorgemaakt. Het meest spectaculair was die ontwikkeling in Bunschoten-Spakenburg, waar de kraplap zich ontwikkelde tot een hard gesteven "harnas" dat zeer kenmerkend is geworden voor de dracht uit die plaats. Elders, bijvoorbeeld in Volendam, wordt de kraplap nog bedekt door een jakje, maar met uitsparingen aan de voor- en achterzijde zodat de bloemenversiering op de kraplap duidelijk opvalt. Soortgelijke ontwikkelingen hebben ook de gevouwen doek, die over de kraplap heen gaat, en het oorijzer gekend. Tot de volksdrachten kunnen de drachten van onder andere Staphorst, Spakenburg, Marken, Walcheren en Zuid-Beveland gerekend worden.

De modedrachten sluiten meer aan op de mode van de 19e eeuw. Over het algemeen bestaat de kleding dan uit een lange, wijde rok met onderrokken, een jak dat versierd is met plooien, kantjes, knoopjes en bandjes en soms -niet altijd- een schort. Typische modedrachten zijn bijvoorbeeld de drachten van het Kampereiland, Rijssen, Huizen en Noord-Beveland.

Mannenkleding[bewerken]

Over de klederdracht van mannen valt wat minder te vertellen. Een van de redenen is dat de mannendracht over het algemeen minder verschilt van de burgerdracht dan die bij de vrouwen. Ook is het zo dat meestal de mannendracht ten minste één generatie eerder uitsterft dan de vrouwendracht. Alleen Urk lijkt op deze regel een uitzondering te vormen.

Typisch voor veel mannendrachten is de zgn. "klepbroek", die niet met een rits maar met een klep gesloten wordt, en de gouden "keelknopen" waarmee het hemd wordt gesloten.

Daags en zondags[bewerken]

In vrijwel alle streekdrachten bestaat er een duidelijk verschil tussen de zondagse kleding en de daagse kleding. De zondagse kleding is over het algemeen zeer kostbaar en wordt alleen gedragen om erin naar de kerk te gaan, of -niet overal- bij heel bijzondere andere gelegenheden. In veel drachten geldt dat zondagse kleding nooit gewassen mag worden. Moet dat toch een keer gebeuren, dan is "de zondag eraf". Vooral aan de mutsen is te zien dat er zondagse kleding wordt gedragen. De knipmuts bijvoorbeeld werd uitsluitend op zondag gedragen. Ook de sieraden zijn vaak kostbaarder en mooier dan die voor de week. Bij de daagse kleding kan een onderscheid gemaakt worden tussen werkkleding en "opknapkleding". De "opknapkleding" is meer voor "netjes", nadat het werk in de stal, de tuin of de keuken is gedaan. Ook zou men nog de "uitgaanskleding" kunnen onderscheiden die bijvoorbeeld gedragen wordt als men boodschappen gaat doen op de markt, of als men op visite gaat. Werkkleding is meestal gemaakt van sterke en goed wasbare stof. Ook het "doorschuiven" van kledingstukken kwam vaak voor: een kledingstuk dat eerst voor de zondag bestemd was, wordt dan bijvoorbeeld na het eerste wassen als opknapkleding gebruikt, en uiteindelijk als werkkleding afgedragen.

Rouw[bewerken]

Anders dan in de burgerdracht is bij de meeste streekdrachten ook het dragen van rouw bewaard gebleven. Na het overlijden van een familielid, buur of goede vriend, wordt gedurende een bepaalde periode rouw gedragen. Deze rouwperiodes waren aan strikte voorschriften gebonden: bijvoorbeeld 2 of 3 jaar rouw na het overlijden van een ouder, of 3 maanden na het overlijden van een neef of nicht. De lengte van de rouw was niet overal gelijk. In sommige streken was het gebruikelijk dat een weduwe de rest van haar leven in rouwdracht bleef, tenzij ze opnieuw trouwde. Rouwdracht wordt soms ook gedragen vanwege de geloofsovertuiging, als een uiting van nederigheid en van boetedoening tegenover God. Vrijwel alle streekdrachten kennen een onderscheid tussen zware rouw, bijvoorbeeld gedragen na het overlijden van een van de ouders, of de echtgenoot, en lichtere rouw, gedragen wanneer bijvoorbeeld een oom of tante is overleden of wanneer de periode van de zware rouw voorbij is en men gaat "afrouwen". Sommige streekdrachten kennen nog verfijnder onderscheid; zo hebben er op Marken wel zeven verschillende rouwgraden bestaan, en in Staphorst is er een dracht die uitsluitend wordt gedragen op de laatste zondag van de rouw, dus voordat men weer overgaat tot "uit-de-rouwse kleren". Rouwkleding is te herkennen aan de kleding zelf, aan de muts die wordt gedragen en ook aan de sieraden. In de meeste drachten is de kleur rood taboe als men in de rouw is. Kleuren als blauw, paars en groen ziet men vaak in de lichte rouw, in de zware rouw overheerst het zwart. Ook het kant aan de mutsen wordt in de meeste drachten achterwege gelaten als men in de rouw is. In de sieraden worden goud en bloedkoraal in veel gevallen vervangen door zilver en git of soms granaat. Het goud aan het oorijzer blijft echter ook in de rouw meestal behouden. In de noordelijke provincies van het land werden de gouden "stiften" aan het oorijzer dan soms wel bedekt met zwarte stof.

Korte beschrijving van de voornaamste Nederlandse streekdrachten[bewerken]

Volendam[bewerken]

Volendamse kermis in 1926. Diverse Volendammers in klederdracht.

De - ook internationaal - bekendste Nederlandse dracht is die van Volendam. "Frau Antje", het meisje, dat in Duitsland de Nederlandse kaas promoot, draagt een afgeleide van de Volendamse dracht. Ook veel toeristen komen naar Volendam vanwege de klederdracht. Het is echter niet zo, dat deze dracht is ontstaan of in stand gehouden omwille van de toeristen. De dracht is bekend geworden dankzij de schilders die rond 1900 in Volendam neerstreken. Kenmerkend is vooral de Volendammer hul die op het hoofd wordt gedragen, en de bloedkoralen kettingen, bestaande uit drie rijen dikke bloedkoraal, met een rechthoekig gouden slot, waarop vaak een scheepje of iets dergelijks is afgebeeld.

Marken[bewerken]

Beelden uit 1924 van Markers in klederdracht

Ook Marken trekt veel toeristen vanwege de klederdracht. Sijtje Boes was bij velen bekend, omdat zij in haar huisje mensen ontving, de dracht liet zien, en daarbij veel souvenirs wist te verkopen. De Marker dracht is bijzonder kleurig en rijk geschakeerd. Voor bijna elke gelegenheid is er wel een aangepast kostuum. Van oudsher is de pinksterdracht de mooiste; bij deze gelegenheid werden, en worden nog wel, veel antieke kledingstukken gedragen. Op Koninginnedag zit er veel oranje in de kleding. Typerend voor de Marker dracht is onder andere het rijglijf, een soort korset, dat versierd is met borduurwerk. Ook de "bauw" is bijzonder: dit is een klein lapje mooi bedrukte stof, dat ter versiering op de borst wordt gedragen. Vooral op zon- en feestdagen zijn dit vaak zeer fraaie, antieke stukjes textiel.

Bunschoten-Spakenburg-Eemdijk[bewerken]

Opvallend zijn hier de grote gesteven kraplappen, die als een soort schild over de borst, schouders en rug worden gedragen. Ze zijn gemaakt van vaak prachtig bedrukte katoen, die met veel stijfsel in model wordt gehouden. Net als de bauwen op Marken zijn ze op zon- en feestdagen vaak van antieke stof gemaakt. Uit de rouw zijn ze zeer kleurig, in de lichte rouw vertonen ze meestal lichtpaarse bloemmotieven op een witte ondergrond. In de zwaardere rouw overheerst het donkerpaars. Bijzonder zijn ook de gehaakte mutsjes. Veel vrouwen maken of maakten die zelf. Het haken ervan is bijzonder arbeidsintensief, en kan wel honderd uur per mutsje vergen. De motieven zijn oneindig gevarieerd, en meestal door de maakster zelf ontworpen.

Staphorst-Rouveen[bewerken]

Ook hier gaat de kleding op zeer oude vormen terug. De vrouwen dragen een "borstrok" van meestal zwarte stof, waarvan alleen de mouwen zichtbaar zijn. Daaroverheen gaat de kraplap, vrijwel altijd versierd met bloemmotieven. Uit de rouw zijn deze zeer kleurig, in de lichte rouw zijn de kleuren (voornamelijk blauw, groen, paars) vaak ook heel mooi. In de zware rouw zijn de bloem- of stipmotiefjes zwart met wit. Daaroverheen wordt een geruite katoenen schouderdoek gedragen: rood met wit en blauw als men niet in de rouw is, blauw met zwart voor de rouwperiode. Tegenwoordig wordt deze doek bij warm weer meestal achterwege gelaten. De rok is meestal zwart met scherpe plooien aan de achterkant. Op zondag zijn de rokken blauw met zwart, vaak van handgeweven stof. Daaroverheen wordt een schort gedragen met een gekleurd bovenstukje. De kleuren corresponderen uiteraard met de rouwgraad. Op het hoofd draagt men een klein katoenen mutsje van stipwerk. Op zondag en bij bijzondere gelegenheden wordt het grote zilveren oorijzer met gouden krullen gedragen, en daaroverheen de "toefmuts", met -uit de rouw-een kanten randje eraan.

Noord-Veluwe[bewerken]

De zogenaamde "oude dracht" is inmiddels uitgestorven. Deze vertoonde sterke verwantschap met de Staphorster dracht, al waren er ook een aantal duidelijke verschillen. Vanaf het begin van de twintigste eeuw werd de oude dracht langzaam verdrongen door de "nieuwe", die werd overgenomen uit de omgeving van Kampen, waar veel Veluwse meisjes werkten in de huishouding. De nieuwe dracht bestaat uit een zwarte rok, met een zwart jakje, dat prachtig versierd is met eveneens zwarte plooitjes, strookjes kant, knoopjes en dergelijke. Om de hals draagt men een wit kraagje, soms gehaakt of gebreid, soms van broderie of kant gemaakt. Door de week wordt een schort gedragen, op zondag niet; dan is de rok zelf versierd met knoopjes en zwart kant, en wordt daarbij nog een mooi versierde zwarte ceintuur gedragen. Op het hoofd komt op zondag een knipmuts (de zogenaamde "lange muts") met een brede strook handgekloste kant eraan. Als men in de rouw is, is de muts van effen tule of batist gemaakt. De sieraden zijn van goud met bloedkoraal als men niet in de rouw is, en van zilver met git als men rouw draagt.

Urk[bewerken]

Net als op Marken dragen de vrouwen hier nog een rijglijf, een soort korset, dat bekleed is met blauw damast. De kraplap is vaak gemaakt van mooi gekleurde zijde, met daarop geborduurde bloemetjes, het "hartje". Voor de zondagen komt daar nog een zwarte, geplooide doek met franje overheen. Over het smal zilveren oorijzer wordt een hul gedragen, met een meestal geel gekleurd kanten randje. Het schort is door de week van gestreepte stof, dezelfde die ook in Volendam wordt gedragen, en zondag van zwarte wol. Om de hals draagt men een snoer met meestal vier of vijf rijen glasgranaten, en een rechthoekig slot in de nek, dat vaak versierd is met ankertjes, klavertjes, hartjes of graveerwerk.

Huizen[bewerken]

In Huizen zijn vooral de luifelvormige mutsen erg opvallend. Die bestonden er in verschillende vormen: de zondagse oorijzermuts, die erg bewerkelijk was bij het opzetten, en ook de eenvoudiger "isabee". Van oorsprong was deze meer voor daags gebruik, maar geleidelijk aan kwam de isabee ook voor de zondagen in zwang. Verder kwam ook de "kornetmuts" in Huizen voor. Feitelijk was dit dezelfde muts als de knipmuts, die in grote delen van Gelderland en Overijssel voorkwam. Typisch voor Huizen was echter de enorm verbrede en opstaande voorstrook. Daardoor kreeg de kornetmuts hetzelfde silhouet als ook de andere Huizer mutsen. Het kostuum van de vrouwen was meestal zwart of donkerpaars, met wijde bovenmouwen.

Scheveningen[bewerken]

Opvallend aan de Scheveningse dracht zijn in de eerste plaats de grote geplooide schouderdoeken, die over het jak heen worden gedragen. De kleuren zijn meestal in pasteltinten: lichtblauw, zeegroen, zacht lila. De randen zijn versierd met geknoopte franjes. Het oorijzer of hoofdijzer bestaat uit een lange, brede zilveren band, aan de bovenkant versierd met ovale gouden boeken van filigraanwerk. Daaroverheen wordt een zakvormige "hul" gedragen van kant of batist.

Zuid-Beveland[bewerken]

De Zuid-Bevelandse dracht is een van de mooiste en duurste die in Nederland gedragen werden (worden). Bekend zijn vooral de grote kanten mutsen, schelpvormig/ovaal bij de protestantse vrouwen, trapeziumvormig bij de katholieke. Het oorijzer is van zilver, met twee vierkante gouden "stukken", die als een soort "achteruitkijkspiegeltjes" aan weerskanten van het gezicht staan. Daarbij draagt men een ketting van meestal zes snoeren bloedkoraal en een gouden slot, dat aan de achterkant in de nek wordt gesloten. De kraplap (in Zeeland "beuk" genoemd) is van mooie kleurige stof, daaroverheen komt een grote gevouwen doek in dezelfde kleur. De rok ("keus") is meestal niet zichtbaar, omdat het aan alle kanten bedekt wordt door het schort: door de week van fijn geruite katoen, op zondag van zwarte merinowollen stof.

Walcheren[bewerken]

De Walcherse dracht wordt gekenmerkt door het witte "verpleegsterskapje", dat op zondag en door de week gedragen wordt, met daarbij een zilveren oorijzer met gouden krullen. De beuk ("kraplap") accentueert de boezem, en is meestal van mooie stof gemaakt, versierd met borduurwerk en soms pailletten. Daaroverheen wordt een zwart jakje gedragen met korte mouwen. net als op Zuid-Beveland is het schort door de week van bonte katoen (meestal wit met zwart en grijs), en op zondag van zwarte merinoswol.

Axel[bewerken]

In de omgeving van Axel in Zeeuws-Vlaanderen werd de Axelse dracht gedragen. Kenmerkend is de grote schouderdoek, die hoog boven de schouder uitreikt. De kraplap of beuk was meestal prachtig versierd met kraaltjes en/of borduurwerk.

Friesland, Drenthe, Groningen[bewerken]

Fries oorijzer

Kenmerkend is de combinatie van streekgebonden hoofddracht met kleding die in grote lijnen de mode volgde die ook elders in Europa en vogue was. De "typisch Friese" dracht, die bij allerlei gelegenheden nog getoond wordt, is gebaseerd op de kleding die omstreeks 1860 in de mode was. In Drenthe neemt men als de welvaart toeneemt in de tweede helft van de 19de eeuw de 'Friese kap' over. De dracht in Groningen was in grote lijnen gelijk aan de Friese. In Groningen is de dracht al vroeg uitgestorven (eind 19e eeuw), in Friesland en Drenthe is dat pas na de Tweede Wereldoorlog gebeurd. De hoofddracht die in de noordelijke provincies werd gedragen bestaat uit twee ondermutsen, een witte en een zwarte, een oorijzer, die bedekt wordt door een kanten 'floddermuts'. In de loop van de 19e eeuw werden de oorijzers steeds groter, totdat zij rond 1870 de vorm van een soort helm hadden gekregen, die vrijwel het hele hoofd bedekte. Het oorijzer kon van goud, zilver of koper (hier ligt de oorsprong van het gezegde: "het is niet alles goud wat er blinkt") gemaakt zijn, afhankelijk van het budget van de draagster. Aan weerskanten boven de slapen was het oorijzer versierd: in Friesland met uitstaande 'knoppen', met machinaal gestampte figuurtjes. Deze knoppen heten in Groningen 'stiften' en zijn van filigraanwerk.

Verdwijnen van de streekdrachten[bewerken]

Al aan het begin van de 20e eeuw voorspelde men het verdwijnen van de streekdrachten. Tegen die achtergrond gezien is het verrassend dat een aantal drachten zelfs de 21e eeuw nog hebben gehaald. Redenen voor het verdwijnen van de streekdrachten zijn onder andere geweest:

  • de toegenomen mobiliteit, waarbij mensen vaker buiten de eigen dorpen en streek komen
  • de Tweede Wereldoorlog, toen er schaarste was aan allerlei stoffen die men nodig had voor de dracht, en - ook daarna - de hoge kosten die eraan verbonden waren.
  • de strenge rouwvoorschriften, die niet golden voor wie niet "in dracht" was
  • het praktische ongemak: het vergt vaak wel even voordat je volledig "aangekleed" bent
  • en voor sommigen wellicht ook: de opdringerigheid van toeristen die zich vergapen aan mensen in streekdracht.

Anno 2008 zijn er nog tien plaatsen of streken waar nog dagelijks streekdracht wordt gedragen. Over het algemeen betreft het alleen nog de vrouwen, van wie de meesten hoogbejaard zijn.

Verreweg de meeste draagsters zijn er nog te vinden in Staphorst en Rouveen: ongeveer 500 vrouwen en nog enkele mannen. Op een goede tweede plaats komt Spakenburg/Bunschoten/Eemdijk met ongeveer 300 vrouwen. In Zeeland zijn er nog een goede honderd draagsters op Walcheren (onder andere Westkapelle, Domburg, Veere), in Arnemuiden (in dit dorp heb je in Zeeland nog de beste kans om de dracht "in het echt" te zien) en Zuid-Beveland. Veel kleinere aantallen zijn er dan nog in Scheveningen, Volendam, Marken, op de Noord-Veluwe (Hierden, Nunspeet, Doornspijk, Oldebroek) en op Urk.

Hieronder volgt een (onvolledig) overzicht van de verschillende plaatsen in Nederland waar rond 1960 klederdracht nog regelmatig deel van het dagelijkse straatbeeld uitmaakte. In 2003 waren er nog 12 steden en regio's waar sommige inwoners zich nog steeds in klederdracht hullen. Volgens een zo nauwkeurig mogelijke schatting waren er in 2003 nog 1650 vrouwen en 19 mannen die elke dag hun traditionele uitrusting aantrokken.

Onderstaande telling geeft het aantal personen weer, die de dracht het hele jaar door, nog dagelijks dragen (stand november 2003):

  • Arnemuiden: (grote kap met oorijzers) 57 vrouwen, jongste draagster is 65
  • Axel: verdwenen rond 1990
  • Bunschoten / Spakenburg/ Eemdijk: 440 vrouwen, jongste draagster is 52
  • Cadzand: verdwenen rond 1985
  • Friesland: werd nog tot aan de Tweede Wereldoorlog gedragen
  • Hindeloopen: verdwenen rond 1882
    De laatste vrouw die dagelijks het Hindelooper kostuum droeg, Maria Dirkje Husser, stierf in 1882 op 83-jarige leeftijd.
  • Huizen: verdwenen plm. 2005
  • Katwijk: verdwenen in 1985
    In 1982 waren er nog 10 vrouwen in streekdracht aanwezig.
  • Marken: 39 vrouwen, jongste draagster is 62
  • Noord-Brabant: begin jaren 70 verdwenen
  • Noordwest-Veluwe
    oude dracht verdwenen. Laatste draagster was Wijmpje Frens-Wouters (22 mei 1904 - 9 maart 2007)
    nieuwe dracht circa 75 vrouwen, jongste draagster is 71
  • Rijssen: verdwenen in de jaren 90.
    Laatste draagster was Gerritdina ter Maat-Schulenburg (19 juli 1908 - 2 juni 2007).
  • Scheveningen: tussen 10 en 20 vrouwen; de jongste is van 1933 (zie verder: Scheveningse klederdracht)
  • Schouwen-Duiveland: verdwenen
    Adriana Stouten-de Bruine (16 oktober 1892 - 14 mei 1996) was de laatste vrouw in Schouwense dracht.
  • Staphorst / Rouveen: circa 725 vrouwen en 10 mannen, jongste draagster is 9
  • Terschelling: verdwenen halverwege jaren 70
  • Urk: 20 vrouwen en 8 mannen, jongste draagster is 81
  • Volendam / Edam: 50 vrouwen en 1 man, jongste draagster is 62
  • Walcheren: 157 vrouwen, jongste draagster is 69, de mannendracht verdween in 2003
  • West-Friesland: verdwenen (alleen nog op markten en feesten, zoals in Schagen)
  • Zuid-Beveland: (katholiek onderscheiden van protestant) circa 27 vrouwen, jongste draagster is 78 jaar.

Toekomst van de streekdrachten?[bewerken]

Het is duidelijk dat de streekdrachten als dagelijks gedragen kleding op niet al te lange termijn zullen gaan "uitsterven". Deze term moet helaas letterlijk genomen worden. Degenen die nu nog streekdracht dragen doen dat over het algemeen met overtuiging en zullen niet zo snel "in burger" gaan. Soms worden ze hier toch toe gedwongen, bijvoorbeeld na opname in een bejaardentehuis, als er niemand is die kan helpen met het aankleden.

Gelukkig betekent dit alles niet dat de streekdrachten helemaal zullen gaan verdwijnen. In sommige dorpen is juist het verdwijnen ervan aanleiding geweest om bij gelegenheid de oude kleding nog weer eens te dragen. Dat gebeurt bijvoorbeeld massaal op Urk (zaterdag voor Pinksteren), maar ook bijvoorbeeld in Volendam tijdens het Volendammer weekeind (eind juni), op Marken (Koninginnedag), en in Spakenburg (visserijdag).

Verder zijn er overal in het land klederdracht- en kostuumgroepen ontstaan die zich inspannen om de oude kleding te bewaren en te bestuderen, en die bij gelegenheid te showen aan het publiek. De oudste groep is waarschijnlijk die uit Hindeloopen, opgericht in 1912, nadat in 1882 de laatste draagster van de Hindelooper dracht was overleden. Jaarlijks zijn er evenementen waarbij men deze groepen aan het werk kan zien, bijvoorbeeld in Nunspeet op "Eibertjesdag" (vrijdag na Hemelvaartsdag), in Spakenburg op de eerste Spakenburger dag (voorlaatste woensdag in juli), in Schagen op de West-Friese markten (er is een speciale dag gewijd aan de klederdrachten), en de "nostalgische dag" in Goes. Ten slotte zijn er in Nederland ook tal van koren (bijvoorbeeld de Veluwse koren, of de Urker zangers) en volksdansgroepen, die optreden in klederdracht. Sommige van deze groepen doen dat zeer zorgvuldig maar bij anderen is de historische betrouwbaarheid van de kleding niet altijd even goed.

Tot slot blijven de streekdrachten ook voortleven in de burgermode. Sommige kledingmerken en modeontwerpers laten zich duidelijk inspireren door de streekdrachten. En zo kun je ook vandaag de dag nog op een willekeurig schoolplein meisjes en moeders zien lopen in rokjes die met onmiskenbaar Staphorster motieven zijn bedrukt, al zijn de draagsters zelf zich hiervan meestal niet bewust.