Klooster Juliana

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Klooster Juliana was een Benedictijns mannenklooster in het dorp Rottum in de Nederlandse provincie Groningen, gewijd aan de martelares Juliana van Nicomedië. Het kloosterzegel bevindt zich in het Groninger Museum.

Geschiedenis[bewerken]

Het klooster werd waarschijnlijk tussen 1195 en 1210 door benedictijner monniken van de Abdij van Werden gesticht. Volgens een apocriefe overlevering stond hier ooit een heidense tempel, die door de missionaris Liudger was afgebroken. De eerste vermelding van het klooster dateert uit 1226. Het klooster bezat ongeveer 1180 hectare (1872 grazen) land, waaronder veengebieden bij Scharmer, Kolham en Kropswolde. Daarnaast bezat het 60% van het eiland Rottumeroog; het resterende deel was eigendom van het Oldeklooster. Het nonnenklooster Bethlehem nabij Rottum was een voorwerk van het klooster Juliana, evenals Langenhuis (bij Doodstil) en Papekop (bij Wadwerd). Het klooster had een gebouw aan de Groningse Oude Ebbingestraat voor het Rode Weeshuis als refugium. Dit gebouw is verloren gegaan bij de bevrijding van Groningen in 1945. De kloosterkerk vormde tevens de kerk van de parochie. Het klooster had ook het collatierecht van de parochie Eelswerd, waarvan de dorpskerk op het kloosterterrein stond.

In 1234 wordt in de Kroniek van Bloemhof een kluizenaar te Stitswerd genoemd die vanwege verzet tegen de Predikheren en hun Kruistocht tegen de Stedingers in Oldenburg (boeren die als 'ketters' waren bestempeld omdat ze zich niet wilden overgeven aan aartsbisschop Gerhard II van Bremen) tot een levenslange opsluiting in het klooster van Rottum werd veroordeeld. De kluizenaar was het niet eens met het wereldlijk gezag van de buitenlandse kerkelijke vorst. In 1252 werd door de abten van de kloosters Juliana, Aduard en Oldeklooster de keuren van Hunsingo (landrecht) opgesteld; voor het eerst gebeurde dit in het Fries in plaats van het Latijn. Het landrecht werd in 1399 herzien en in bewaring genomen door de toenmalige abten van de drie kloosters. In 1280, tijdens grote twisten over het redgerambt tussen de adel, werd een van de voorwerken van het klooster Juliana geplunderd door de Uithuizer gebroeders Godschalk (Goteschalk) en Ailbold (Aylbold), waarbij graan en huisraad werden meegenomen volgens de kroniek van Bloemhof. Rond 1340 verloor het klooster de parochierechten van Kropswolde.

Rond 1470 tekende het klooster samen met onder andere het klooster van Aduard en het Grijzemonnikenklooster (Menterne; bij Baamsum) het Protestatio abbatum frisiorum ("protest van de Friese abten") tegen de verkorting van het erfrecht voor geestelijken. In 1458 (feitelijk 1475) verkreeg het klooster de proosdij Usquert met de boerderij (steenhuis) Kruisstee. De overdracht van het decanaat hield verband met het feit dat het klooster rond 1470 in geldnood zat en de bisschop van Münster daarom om toestemming vroeg om goederen uit de proosdij te halen. Uiteindelijk geschiedde zo na de dood van de deken, maar de proosdij weigerde dit te accepteren, waarop Paus Sixtus IV moest bemiddelen om de vrede tussen klooster en proosdij te herstellen, hetgeen uiteindelijk in 1480 geschiedde.

Om zich tegen aanvallen te beschermen groeven de kloosterlingen in de 16e eeuw een dubbele gracht. In 1569 werd het klooster geplunderd door watergeus Barthold Entens (van Mentheda). In 1577 werd de abt van het Julianaklooster samen met de Ommelander abten van Aduard, Selwerd, Thesinge en Oldenklooster (bij Delfzijl) gevangengezet door de stad Groningen in een conflict over het stapelrecht. Nadat verschillenden van hen ziek waren geworden en een (Arnoldus Kenninck van Aduard) zelfs door de ontberingen was overleden, zonden de staten vanuit Brussel tevergeefs de afgevaardigden Marnix van Sint-Aldegonde en Nicaze de Sille (Nicasius Silla) om te bemiddelen. Een poging om de mannen met geweld te bevrijden mislukte nadat Barthold Entens (dezelfde die eerder het klooster plunderde) die hiertoe was uitgezonden, gevangen werd genomen door de stadjers in Coevorden. Uiteindelijk, nadat bleek dat de stadsgilden weigerden het stapelrecht in te perken, liet het stadsbestuur de Ommelander abten en Entens in het geheim vrij.

In 1580 koos abt Jodocus Oxius als enige Ommelander abt voor het protestantisme en voor de Staatsen; hij trad in 1581 af en vluchtte naar Norden, waar hij in het huwelijk trad met een begijntje, met wie hij al langer een relatie had. De buitengracht werd aan west- en noordwestzijde met (waarschijnlijk drie) bastions versterkt tegen de Spanjaarden. In 1586 werd het klooster echter toch in brand gestoken en in 1587 deels verwoest door de Spanjaarden. In hetzelfde jaar werd het geplunderd door de watergeuzen onder leiding van Matthijs Knoop.[1] De monniken namen hun intrek in het refugium aan de Oude Ebbingestraat in Groningen, dat in 1607 werd verkocht. Het klooster zelf werd bij de reductie eigendom van Stad en Lande, die de kloostergoederen later verkochten. De 13e-eeuwse kloosterkerk bleef in gebruik. Geleidelijk raakte het klooster in verval. In 1658 bezweek de zuidelijke vleugel en werd afgebroken. Hierbij ging ook een groot deel van de radiaire structuur van de wierde van Rottum verloren. In 1855 werd de noordelijke vleugel afgebroken, waarvan het puin werd gebruikt voor het verharden van de weg. Tenslotte viel in 1885 de kloosterkerk ten prooi aan de slopershamer. Op de fundamenten verrees in 1889 de huidige kerk van Rottum.

Van het klooster resteren delen van de grachten en de verdedigingswal daartussen aan noordwest- en westzijde van Rottum. Een deel werd in 1999 illegaal vergraven.[2]

Enkele van de bekendste abten van het klooster waren Gerardus Synellius (later laatste abt van Klooster Marienthal) en de eerder genoemde Jodocus Oxius (Joost Zuur, omgekomen door kanonskogel bij Oterdum)

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Jan van den Broek. Dansen om de bruid; Staatse plannen om Groningen te veroveren (1587). Groningen, een stad apart: over het verleden van een eigenzinnige stad (1000-1600) p. 559. Uitgeverij Van Gorcum (2007)
  2. Archis:monumentnummer: 5063; CENTRUM, Rottum. Archeologische MonumentenKaart. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

  • Boerderij Kloosterwijtwerd
  • Albert Buursma & Marina van der Ploeg (2008), "Rottum". In: Groningen, Stad en Ommeland. Bedum: Profiel. p. 428.