Koffieproductie in Suriname

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Koffieplantage (Suriname))
Ga naar: navigatie, zoeken

Koffieproductie in Suriname verwijst naar de teelt van koffieplanten voor de productie van koffie op plantages in Suriname. Koffie is al duizenden jaren oud. Toch was het voor West-Europeanen geen bekende drank. Pas in 1711 bracht de Verenigde Oost-Indische Compagnie koffie van plantages in Nederlands-Indië naar Amsterdam. Het drinken van koffie werd snel populair. Omdat koffie zo winstgevend was, werd ook in de Zuid-Amerikaanse kolonie Suriname begonnen met de teelt van koffie.

Directeurswoning op plantage Frederiksdorp

Aanleg plantages[bewerken]

Plattegrond van een koffieplantage

De teelt van koffie was gesitueerd op plantages die, vanwege het vervoer van mensen en materialen, meestal aan een rivier lagen. Om zo veel mogelijk plantages langs een rivier te kunnen aanleggen bepaalde het bestuur van de kolonie, de Sociëteit van Suriname de oppervlakte van de nieuwe plantages. Het belang van de Sociëteit lag in de belastingen die op verschillende onderdelen van een plantage werden geheven. De plantages langs de beneden-Commewijne waren vrijwel allemaal 30 ketting breed en werden uitgegeven in concessies met een oppervlakte van 500 of 1000 akkers. Vaak volgde bij de plantages van 500 akkers nog een tweede concessie met dezelfde oppervlakte. Hierdoor hadden deze plantages de vorm van een lange, smalle rechthoek. Dit is goed te zien op de kaart die Alexander de Lavaux tekende.

De aanleg van een plantage was kostbaar want veel plantages werden in de vruchtbare kustvlakte aangelegd waar neerslag valt. Daarom moesten er veel kanalen worden gegraven om het overtollige water te kunnen afvoeren. Na het omhakken van een stuk bos legde men eerst een dam rond de toekomstige plantage. De grond hiervoor kwam van de afwateringssloot, de loostrens, die ernaast werd gegraven. Dwars daarop werden zijkanalen aangelegd, de trekkers. Hierdoor ontstonden akkers die standaard 0,43 hectare of 10 vierkante ketting waren. Haaks op de trekkers stonden weer kleine sloten. Hiertussen werden de bedden aangelegd waar later de koffie op werd geplant.

Midden over de plantage werd een pad aangelegd waarop zijpaden uitkwamen. Dit was een belangrijk verschil met een suikerplantage. Daar werd een brede sloot in het midden gegraven om het geoogste suikerriet met boten af te voeren. Omdat bij koffie alleen de bessen geoogst werden was daar een dergelijk transportsysteem niet nodig.

Aan de voorkant werd in het midden een sluis geplaatst die via een sluiskreek aansluiting had op de rivier. Omdat de rivieren in de kustvlakte brak water bevatten en vanwege het grote verschil tussen eb en vloed, was het gevaar van verzilting groot. Daarom was het belangrijk de sluis op tijd te sluiten en te openen.

Gebouwen[bewerken]

Plattegrond van de gebouwen van plantage Clifford Kocqshoven

Alle gebouwen stonden dicht bij de rivier. Er werd een duidelijke hiërarchie en symmetrie aangehouden. De woning van de directeur of eigenaar stond altijd vooraan, het dichtst bij de aanlegsteiger. Het huis van de directeur was het visitekaartje van de plantage. Achter de directeurswoning lagen 18e-eeuwse stijltuinen, moestuinen, visvijvers, stallen en volières. De woningen van het leidinggevende personeel en de bedrijfsgebouwen lagen hier weer achter.

De bedrijfsgebouwen bestonden meestal uit een morsloods, een droogloods, een washuis en een timmerloods. Op sommige plantages stond een ziekenhuisje, school of een kerk. Achter deze gebouwen lagen de hutten van de slaven. Daarna kwamen de landbouwgronden. Achteraan de plantage lag een bos dat werd gebruikt voor de houtvoorziening of een moeras dat gebruikt werd om bij droogte extra zoet water in te laten.

Beplanting[bewerken]

Op de bedden werden meestal eerst twee rijen bananen geplant die voor schaduw zorgden en ook nog eens extra inkomsten en voedsel voor de slaven opleverden. Daartussen werden drie rijen koffiebomen geplant. Er stonden er ongeveer vijfhonderd bomen per akker. Als schaduwboom werd later de koraalboom gebruikt. In het Surinaams heet deze boom dan ook heel toepasselijk kofi-mama. Als eerste werden de bedden die het dichtst bij de rivier lagen beplant omdat deze het vruchtbaarst waren. Omdat er bijna niet bemest werd, nam de productie van de bomen al spoedig af. De dalende opbrengst werd gecompenseerd door meer bomen te planten. Oude bomen werden niet vervangen door nieuwe aanplant. Daarnaast werd ook nog gedurende enige jaren katoen tussen de koffie geplant omdat dit gewas veel opbracht. Dit alles zorgde voor een grote aanslag op de bodemvruchtbaarheid met als gevolg een sterk dalende opbrengst. Al in 1787 werd hiervoor gewaarschuwd door Anthony Blom. Hij stelde voor om minder bomen per akker te gebruiken en was voorstander van het gebruik van een rotatiecyclus.[1]

Soorten koffie[bewerken]

Liberia-koffie op plantage Wederzorg

De Surinaamse koffie is waarschijnlijk een variëteit van de Coffea arabica. Op de markt was deze soort bekend door de typerende blauwe boon. Doordat de bessen van deze koffiesoort van de boom afvallen wanneer ze rijp zijn, waren voor de oogst gedurende een korte tijd veel arbeiders nodig. In 1881 werd daarom de eerste Liberia-koffie uitgeplant. Bij deze soort blijft de bes na rijping aan de boom hangen. Dit was een groot voordeel gezien de beperkte hoeveelheid arbeidskrachten in Suriname in die tijd. De belangrijkste afnemer van de Liberia-koffie waren de Noord-Europese landen en met name Noorwegen. Dit had te maken met de kwaliteit van het water in deze landen die maakte dat de bittere Liberia-koffie een betere smaak kreeg dan in andere landen.[2]

Slavernij[bewerken]

Voor het werk op de plantage waren veel slaven nodig. Rond 1770 werkten er op een gemiddelde plantage 126 slaven. Iets meer dan de helft werkte als veldslaaf. Een veldslaaf bewerkte gemiddeld iets meer dan 1 hectare koffiebomen en produceerde ongeveer 300 kg koffie per jaar. Van het totaal aantal slaven in Suriname was in die tijd ruim 60 procent werkzaam in de koffie. Van de 406 plantages produceerde toen ongeveer 75 procent koffie.

Het leven op de plantages was erg zwaar. De plantageslaven werkten zes dagen per week, en in de oogsttijd moest ook vaak 's nachts doorgewerkt worden. Het werken in de bedompte koffieloodsen was zwaar werk voor de vrouwen. Het graven en jaarlijks uitbaggeren van waterwegen was één van de allerzwaarste werkzaamheden op een plantage en werd alleen door volwassen mannelijke slaven gedaan. Dit viel al in 1735 in een handleiding voor het aanleggen van een plantage te lezen. Het sterftecijfer onder de slaven was gedurende de aanleg van een plantage dan ook vele malen hoger dan het geboortecijfer. Zonder enige wettelijke bescherming waren zij op de afgelegen plantages volkomen aan de willekeur van hun eigenaren overgeleverd. Zij werden gezien als een productiefactor, waarop alleen het zakenrecht van toepassing was. In de vrees van de eigenaar voor kapitaalverlies lag de enige bescherming van de slaven. Op grond van dezelfde economische overwegingen, die tot de slavernij aanleiding hadden gegeven, had de eigenaar er namelijk belang bij, dat de slaven in werkbare conditie werden gehouden en daarom werd er aandacht aan hun voeding, behuizing en gezondheid besteed.[3]

In Nederland had men hier weinig weet van. Toch vond er geleidelijk een kanteling plaats. Eerst spraken welgestelde burgers zich openlijk uit tegen de slavernij. Daarna veranderde ook de publieke opinie. In 1775 riep een krant zijn lezers op geen koffie meer te kopen uit protest tegen de slavenhandel. In 1799 verscheen de Nederlandse vertaling van Narrative of a five years expedition against the Revolted Negroes of Surinam van John Gabriël Stedman, waarin de wreedheden van de slavernij in Suriname expliciet in beeld werden gebracht. Het boek maakte grote indruk in binnen- en buitenland.[4] De Nederlandse regering leek echter vooral economische motieven te hebben voor de afschaffing van de slavernij.[5]

In 1807 werd de trans-Atlantische slavenhandel door de Britten verboden, waardoor het voor de plantages niet meer mogelijk was om het arbeidersbestand op peil te houden; behalve door het opkopen van andere plantages. De productie nam daardoor af. De slavernij werd in 1863 in Suriname afgeschaft. Veel plantagehouders incasseerden de uitkering die zij voor de vrijverklaarde slaven ontvingen, verkochten hun bezit en verlieten het land.

Verwerking[bewerken]

Pluk van koffiebonen

De koffie werd met de hand geoogst en in manden naar de bedrijfsgebouwen gebracht. Het eerste gebouw was de 'morsloods' waar de koffiebessen van de schil werden ontdaan. De bessen werden daar enkele dagen in een stenen bak met water gelegd om het vruchtvlees van de boon af te weken. Daarna werd de bes in een breekmolen gekneusd. De bessen kwamen daarna terecht op een lang houten rooster, 'de menarie'. Slavinnen hadden de taak de bessen hier net zo lang over te wrijven tot het laatste vruchtvlees losliet en de bonen door het rooster vielen. Daarna kwamen de bonen in een volgende wasbak terecht. Deze diende om het vruchtslijm, dat nog om de boon zat, te verwijderen.

Vervolgens werden de bonen op een grote stenen vloer uitgespreid om in de zon te drogen. Na ongeveer een week werden de bonen verder gedroogd op de zolder van de koffieloods. Omdat de bonen nog niet helemaal droog waren, trad er een lichte fermentatie op die de Surinaamse koffiebonen een specifiek aroma gaf. Om het laatste vocht te verwijderen werden de bonen uiteindelijk nogmaals een paar dagen in de zon gelegd.

De volgende behandeling was het stampen om de binnenste vruchtwand, die nog als een vliesje om de koffieboon heen zat, te verwijderen. Na het stampen werd dit vliesje met behulp van wind van de bonen verwijderd. Daarna werden met zeven de laatste ongerechtigheden verwijderd. Als laatste werden de gebroken bonen verwijderd. De bonen werden in balen verpakt en naar Nederland vervoerd. Het branden van de koffie vond vooral in Amsterdam plaats.

Productie[bewerken]

Morsloods en stenen droogvloer voor het drogen van de koffie

Tussen 1711 en 1713 werden de eerste koffieboompjes in Suriname opgekweekt. Waarschijnlijk waren deze afkomstig uit de Hortus Medicus van Amsterdam. De Engelsman Stephanus Laurentius Neale en zijn Nederlandse familie verscheepten de koffie als eersten. De directeuren van de Sociëteit waren bijzonder tevreden over de smaak.[6] Voor de volgende zendingen werden hoge prijzen betaald. Het tijdperk van de koffiecultuur in Suriname was daarmee begonnen. In 1723 voeren al diverse schepen volgeladen met koffie naar Amsterdam. De koffiecultuur groeide explosief: In 1724 werd er iets meer dan 5.000 Amsterdamse ponden uitgevoerd, in 1726 was dat al 100.000 pond en in 1732 een miljoen pond.

De koffiecultuur, die zich aanvankelijk tot de omgeving van Paramaribo beperkte, verspreidde zich snel door het land. Veel suiker- en indigoplantages werden omgebouwd tot koffieplantages. De plantages langs de Commewijne, die werden aangelegd na het gereed komen van Fort Nieuw-Amsterdam in 1745, waren bijna allemaal koffieplantages. In 1761 waren er 280 koffieplantages in Suriname. Veel planters kwamen naar Suriname met de gedachte snel rijk te worden. Zij kregen makkelijk krediet uit Nederland en maakten hoge schulden. Een groot deel van de koffieplantages was in handen van eigenaren in Nederland. Zij stelden administrateurs aan die de plantages beheerden. De administrateurs kregen een provisie van 10 procent van de geproduceerde koffie. De 25 belangrijkste administrateurs beheerden in 1824 ruim 60% van alle plantages. Dit absenteïsme was een typerend verschijnsel van het plantagebezit in het gehele Caraïbische gebied. Beide groepen eigenaren wilden zo snel mogelijk rijk worden en hadden daarom een korte termijnvisie. Innovaties die investeringen vereisten zoals het gebruik van dierlijke trekkracht, stoomkracht of het mechanisch stampen van de koffie werden dan ook maar sporadisch toegepast.

In 1775 werd het hoogtepunt van de koffie-export bereikt, met 10,1 miljoen Amsterdamse pond. Daarna volgde een daling door de sterk dalende prijzen voor koffie en de beurskrach van Amsterdam in 1773. Hierdoor gingen veel eigenaren failliet. Na 1825 volgde een tijdelijke opleving. Deze opleving kwam door de aanleg van plantages langs de Saramacca en doordat de oudere plantages nieuwe percelen in gebruik namen. Deze percelen lagen echter verder van de rivier af, waardoor de grond minder vruchtbaar was. Deze opleving van de productiviteit was daarom van korte duur. Door de lage koffieprijzen omstreeks 1898 werd op de meeste plantages de cultuur verwaarloosd. Daarnaast waren markten verloren gegaan door de gebeurtenissen in Europa, zoals de veroveringen van Napoleon en de uitvaardiging van het Continentaal Stelsel. Ook nam de concurrentie van andere landen toe, vooral na de opening van het Suezkanaal in 1869. Een andere oorzaak was de bezetting van Suriname van 1804 tot 1816 door de Engelsen. Omdat de Engelsen de slavenhandel in 1807 verboden, kon niet meer aan de vraag naar arbeidskrachten voldaan worden. Na 1906 besteedde men weer meer zorg aan de aanplant. In de jaren dertig daalden de wereldprijzen opnieuw sterk, met het gevolg dat de meeste koffieplantages in Suriname stopten of overschakelden op de teelt van bijvoorbeeld citrusvruchten.

De combinatie van gebrek aan kapitaal en het kortetermijndenken van de eigenaren maakte dat de koffieteelt in Suriname als roofbouw getypeerd kan worden. Deze roofbouw in combinatie met de hierboven externe factoren leidde tot het onherroepelijke einde van de koffieteelt en de koffieplantages. Tegenwoordig wordt alleen nog op de plantage Katwijk koffie verbouwd.

Export van Surinaamse koffie (Amsterdamse ponden)

Bronnen, noten en/of referenties
  • Benjamins, H.J. en Snelleman, J.F. (1917) Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië'. Den Haag/Leiden: Martinus Nijhoff/E.J. Brill, pp 412-413.
  • Feber, L.J.M. (1931) De groote Indische cultures'. Haarlem: Spaarnestad.
  • Kapper, A. (2010) De goudkust van Suriname; ruimtelijke inrichting en cultureel erfgoed van de plantages langs de Commewijne-rivier in Suriname (1667-1863), scriptie Rijksuniversiteit Groningen.
  • Stipriaan, A. (1993) Surinaams contrast, roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie 1750-1863. Leiden: KITLV uitgeverij. ISBN 9067180521
  1. Oostindie, G. en Stipriaan, A. van (1991) Anthony Blom en het "Vervolg van den Surinaamschen landman". Oso, Tijdschrift voor Surinaamse Taalkunde, Letterkunde, Cultuur en Geschiedenis 10:2, pp 136-147.
  2. Spoon, W. en Sesseler, W.M. (1921) Enkele opmerkingen over het water dat wordt gebruikt voor het zetten van Surinaamse Liberica koffie, De West-Indische Gids, jrg 29, nr.1, pp. 97-103.
  3. Quintus Bosz, A.J.A. (1964), De Ontwikkeling van de Rechtspositie van de vroegere Plantageslaven in Suriname.
  4. De Slavernij: Nederland gaat eindelijk om, Het Nationaal Archief
  5. Onverbeterlijke goedheid bij de afschaffing van de slavernij, International Institute for Scientific Research.
  6. Leupe, P.A. (1864) Aanteekeningen betreffende de Koffij-kultuur in Suriname, in de eerste helft der vorige eeuw.