Kompel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Limburgse mijnwerkers, 1946
Mijnwerkerslamp

Een kompel of mijnwerker is een persoon die werkzaam is in de mijnbouw, bijvoorbeeld in een kolenmijn of een goudmijn.

[bewerken] Woordherkomst

De naam kompel komt van het Limburgse koempel dat op haar beurt komt van het Duitse Kumpel, hetgeen oorspronkelijk "vriend" of "maat" betekende. Het woord kompel is dus eigenlijk een germanisme, dat wil zeggen vernederlandsing vanuit het Duits, voor het Duitse woord Kumpel en werd pas ingevoerd bij komst van de Staatsmijnen; voordien had het een negatieve betekenis. Omdat mijnwerkers zich de gevaren voortdurend bewust waren, vormde zich tussen de kompels meestal een hechte band. Mijnwerkers noemden elkaar daarom kameraad. Ondergronds begroetten zij elkaar met de mijnwerkersgroet "Glückauf". Door buitenstaanders werden zij 'bergman' of ook wel 'koelpiet' genoemd.

[bewerken] Kompels in Nederland en België

In Nederland en België zijn alle mijnen gesloten en daarom vindt men er geen kompels meer. Wel zijn er veel ex-kompels, die veelal nog contact met elkaar hebben.

Kompels werkten over het algemeen in drie ploegendiensten, waarbij achtereenvolgens elke ploeg acht uur in de mijn werkte. De nachtdienst was voorbehouden aan kompels van 18 jaar en ouder. De nachtdienst was in feite bestemd om die werkzaamheden uit te voeren waardoor het voor de dag- en middagdienst mogelijk was om uitsluitend met kolenwinning bezig te zijn. Te denken valt aan reparatie en onderhoud van machines, controle en reparatie van het kilometerslange spoorwegnet, de luchtverversing, de schachten, de transportbanden enz.

Mijnwerkers droegen op hun hoofd een elektrische petlamp, waarmee zij gericht op hun werk konden schijnen. Ook droegen sommige een mijnwerkerslamp bij zich, deze waarschuwde door het langer worden van de vlam voor aanwezigheid van het zeer brandbare mijngas.

Elke kompel had een uniek nummer, dat op een penning was geslagen. Deze penning kreeg men bij de portier mee, en werd bij de ingang van de schacht afgegeven. Aan het einde van de dienst werd de penning weer in ontvangst genomen, en afgeleverd bij de portier. Op deze wijze kon men controleren of er geen kompels in de mijn waren achtergebleven.

Het werk in de mijnen was namelijk niet zonder gevaar. Behalve het zeer brandbare en verstikkende mijngas waaraan men kon overlijden, bestond het gevaar dat bij een waterdoorbraak de mijngangen volliepen met water, waardoor de kompels konden verdrinken. Ook was er explosiegevaar door grauwvuur en het voordurend aanwezige instortingsgevaar van de mijngangen. Om dit laatste te voorkomen, werden de gangen gestut met dennenhout, waarvoor in de kustgebieden veel dennenbomen werden geplant. In Nederland werd naast hout ook metaal gebruikt voor het stutten. Ter ondersteuning van de mijngangen werd gebruik gemaakt van stijlen en kappen, die bestonden uit stukken spoorrails. In de pijlers (de plaats waar de steenkool werd gewonnen) werden speciale, uitschuifbare ijzeren stempels toegepast. Het verschil tussen deze twee is dat de ondersteuning in mijngangen min of meer definitief was en pijlerondersteuning steeds verplaatst moest worden.

Door mijnrampen zijn veel mijnwerkers omgekomen. Een voorbeeld daarvan is de mijnramp van Marcinelle in België. Elders in de wereld vinden nog regelmatig mijnrampen plaats. Het beroep van mijnwerker is dan ook een van de gevaarlijkste beroepen ter wereld.

Nieuwe kompels werden ontgroend, met de koelstamp. Een kompel hield een schop tegen het achterwerk van de nieuweling, en een ander sloeg (zacht) met een moker op deze schop. Een kompel die deze behandeling had ondergaan was ontgroend, en een volwaardig collega.

De sanitaire voorzieningen in de mijn zelf waren beperkt tot een ton, die kiebel werd genoemd. Bovengronds was een waslokaal waar de kompels zich na de werkdag konden wassen en omkleden. De kleding werd aan een haak gehangen die door middel van een ketting naar het plafond werd gehesen. Het wassen was verplicht, en de kompels wasten elkaar de rug, dit werd poekkele genoemd.

Voor de komst van de elektriciteit werden paarden en voordien muilezels als trekdieren voor ondergronds transport gebruikt. Tegen de tijd dat deze dieren bovengronds waren, waren ze blind geworden. Met hooi en stro voor deze paarden kwamen ook muizen en ratten in de gangenstelsels en het was dan ook van belang dat mijnwerkers hun boterhammen in metalen doosjes verpakten. Als drank werd in een aluminium drinkbus met beugelsluiting (d'r blèèch) koude thee of koffie meegenomen.

De patrones van de kompels is de Heilige Barbara, de beschermvrouwe van de mensen met gevaarlijke beroepen. In Zuid-Limburg was haar feestdag, op 4 december, lange tijd een vrije dag. Oorspronkelijk, tot in de jaren dertig van de 19e eeuw, was de patrones van kompels echter de Heilige Catharina.

Kompels werden getroffen door diverse beroepsziekten, zoals mijnwerkers-pneumoconiose en silicose (mijnwerkerslongen, stoflongen), mijnwerkers-nystagmus (oogsidderen) veroorzaakt door infecties met de mijnworm (Ancylostoma Duodenale), kruipknieën, diverse rugklachten en hernia inguinalis (liesbreuken).