Koningskwestie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Leopold III en prinses Astrid in 1926

De koningskwestie is de benaming voor het politiek conflict dat in België ontstond na de Tweede Wereldoorlog over de terugkeer op de troon van koning Leopold III.

Inhoud

[bewerken] Oorzaken

Paul-Henri Spaak, premier van 1938 tot 1939 en lid van de Regering-Pierlot in Londen

Reeds voor de Tweede Wereldoorlog leefde Leopold op gespannen voet met zijn regeringen. Hij verweet de regeringspolitici van de jaren '30 dat ministers elkaar in hoog tempo aflosten en dat ze in de greep waren van partijen en vakbonden, dat wil zeggen niet-constitutionele instellingen, waardoor politiek slechts een compromis van materiële belangen was geworden, in plaats van het algemeen belang te dienen. Hij zag het als zijn grondwettelijke plicht daartegen in te gaan.

Omgekeerd wantrouwde zijn regering hem ook. Toen in mei 1940 de capitulatie dreigde en Leopold weigerde met zijn regering in ballingschap te gaan, was de breuk in feite al bezegeld. Men vreesde vooral dat Leopold mogelijk tot een aparte vrede met de Duitsers zou overgaan. De koning wilde echter "het lot van zijn leger delen", maar heeft daarbij zijn mogelijkheden om voor de Belgische bevolking onder Duitse bezetting iets te doen alleszins sterk overschat. Enerzijds kan een krijgsgevangene nu eenmaal niet onderhandelen met de vijand, en anderzijds maakte hij zijn bewering dat hij het lot deelde van zijn soldaten er niet geloofwaardiger op door gewoon in zijn eigen kasteel te blijven wonen en een aanvankelijk onwettige relatie aan te gaan met Lilian Baels.

Leopold III was net zoals zijn voorgangers op de Belgische troon in de eerste plaats bezig met het overleven van de dynastie, wat samenhing aan het overleven van België. Hij was ervan overtuigd dat de Duitsers de oorlog gingen winnen en dat België alleen overlevingskansen had als een autonome staat in een Duits Europa. Daarom volgde hij zijn regering in ballingschap niet en heeft hij tevergeefs gepoogd Hitler te overtuigen aan hem de leiding van een semi-onafhankelijk België toe te vertrouwen.

[bewerken] Geschiedenis

[bewerken] Ontstaan

Koning Leopold III weigerde na de inval van nazi-Duitsland de Belgische regering-Pierlot-Spaak naar het buitenland te volgen en van daaruit aan de zijde van de geallieerden de strijd voort te zetten. De gesprekken hierover op 25 mei op het Kasteel van Wijnendale resulteerden in de definitieve breuk tussen koning en regering. Als opperbevelhebber van het Belgisch leger gaf de koning te kennen dat hij ervoor koos het lot van zijn overwonnen leger te delen. De koning dacht dat Hitler de oorlog had gewonnen en het voor een lange periode voor het zeggen zou krijgen op het vasteland. Vandaar meende Leopold dat het Belgische bestuur, waaronder hijzelf, in het land moest blijven om de onafhankelijkheid van België en het voortbestaan van de dynastie te garanderen. De regering meende echter dat, zolang de Britten en de Fransen verder bleven vechten, ook België zich niet bij de nederlaag mocht neerleggen, zelfs niet na de Duitse bezetting van het grondgebied. Daarom trok de regering zich terug naar Frankrijk en eiste dat de koning zich als staatshoofd bij zijn regering zou vervoegen.

Op 28 mei 1940 capituleerde Leopold met zijn leger en werd hij formeel krijgsgevangene. Meteen verklaarde de regering, die in Parijs verbleef, dat de koning als krijgsgevangene in de onmogelijkheid tot regeren verkeerde. Als gevolg daarvan oefende de ministerraad voorlopig de koninklijke macht uit totdat een regent zou worden aangewezen.

Tegelijk hield eerste minister Hubert Pierlot een toespraak op de Franse radio, waarin hij de koning fel aanviel. Als gevolg daarvan weigerde Leopold voortaan de regering nog als de zijne te erkennen en weigerde elk verder contact.

De houding van de regering werd kort daarop goedgekeurd door een vergadering van Belgische parlementsleden in de Franse stad Limoges Maar na de Franse capitulatie van 22 juni raakten de meeste ministers ervan overtuigd dat de koning feitelijk gelijk had gehad. Op 26 juni richtte de regering daarom een brief aan Leopold waarin zij voorstelde haar ontslag aan te bieden zodra hij dat wenselijk achtte, zodat hij een nieuwe regering vormen kon, maar de vorst weigerde zelfs daarop te antwoorden. Later verbood Hitler de Belgische ministers om terug te keren.

Intussen weken enkele Belgische ministers, met name Marcel-Henri Jaspar (Volksgezondheid), Albert De Vleeschauwer (Koloniën) en Camille Gutt (Financiën) naar Engeland uit. De Vleeschauwer, die Belgisch-Kongo onder zijn gezag had, sloeg het op een akkoord met de Britse regering om de strijd verder te zetten. Hij wist zijn collega's Pierlot en Paul-Henri Spaak Vichy te overtuigen om via Spanje en Portugal naar Londen te komen en daar de Belgische regering verder te zetten.

Hoewel formeel krijgsgevangen verbleef de koning met zijn hofhouding en kinderen in het kasteel van Laken, onderhield de koning contacten met een aantal in het land gebleven politici, zoals de socialistische voorzitter Hendrik De Man, van wie bekend was dat hij er eveneens autoritaire opvattingen op nahield. Op 28 juni legde deze invloedrijke leider de laatste hand aan een Manifest waarin hij er openlijk toe opriep de Duitse overwinning te aanvaarden en zich klaar te maken voor de wederopbouw in een België dat voortaan 'verlost' was van het parlementarisme en slechts één partij zou kennen, verenigd rond de koning. Toen hij deze tekst begin juli wilde publiceren, werd dit door de bezetter prompt verboden en Hitler vaardigde op 20 juli de instructie uit dat de handelingsvrijheid van de koning voortaan streng diende beperkt en gecontroleerd te worden. Een voorgenomen ontmoeting tussen Leopold en de Führer op 14 juli vond ook niet plaats. Op 19 november 1940 kwam op Leopolds nadrukkelijke vraag dan eindelijk de ontmoeting tot stand met Hitler te Berchtesgaden. Hiertoe was principieel al een overeenkomst bereikt op 31 mei van dat jaar, vlak na de capitulatie van het Belgische leger (28 mei) maar het moment werd toen niet opportuun geacht. Op 26 juni, na de capitulatie van Frankrijk en toevallig dezelfde dag dat de regering haar ontslag aanbood, zond Leopold het signaal uit dat hij nu wel bereid was. Hitler ging hier niet meer op in, waarschijnlijk omdat hij ontstemd was over de indirecte politieke rol die Leopold vanuit zijn residentie in Laken speelde via een stroom audiënties van Belgische personaliteiten. Dit was het duidelijkst geworden in het Manifest De Man, die daarna ten paleize persona non grata was geworden.

Van een bezoek aan België van zijn zus Marie-José, de echtgenote van de kroonprins van Italië, Duitslands bondgenoot, maakte Leopold daarop gebruik om de Führer opnieuw te benaderen. Marie-José reisde van Brussel naar Berchtesgaden en terug naar Brussel, zo achterhaalde de historicus Albert De Jonghe. De tijdstabel van haar verplaatsingen werd in de latere leopoldistische zelfverdediging bewust vaag gehouden, zodat het erop leek alsof zij Hitler bezocht had op doortocht van Italië naar België, en deze haar opgedragen had de uitnodiging door te geven. In alle geval werd Leopold na bemiddeling van zijn zus ontvangen door Hitler. De vorst beweerde achteraf dat geheel het initiatief tot de ontmoeting uitgegaan was van Hitler en dat hij er slechts was op ingegaan omdat de voordelen die deze mee kon brengen voor het Belgische volk, zwaarder wogen dan de afkeer die een dergelijk onderhoud bij hem opwekte. Overigens bevestigde Hitler dat Leopold niet zou regeren zolang de oorlog duurde, maar hij weigerde ook enige toezegging te doen omtrent de toekomst van België na het einde van de oorlog. Dit bekrachtigde ogenschijnlijk de houding die de vorst meteen na de overgave op 28 mei 1940 zelf had aangenomen, maar betekent wel dat - in tegenstelling tot wat Leopold zichzelf had opgelegd - er toch een poging werd ondernomen om politieke besprekingen te voeren. Het was echter Adolf Hitler die daar niet op inging. Ook met betrekking tot de voedselbevoorrading en het lot van de krijgsgevangenen bereikte Leopold niets.

Kardinaal Jozef Van Roey in 1929

Op 6 december 1941 trad Leopold in het huwelijk met de zwangere Lilian Baels die (onofficieel) de titel Prinses van Retie kreeg. Daarop bleek dat ze eerder al, op 11 september, in het grootste geheim kerkelijk gehuwd waren door kardinaal Jozef Van Roey, de aartsbisschop van Mechelen, hoewel de grondwet verbiedt dat een kerkelijk huwelijk het burgerlijk huwelijk voorafgaat. Het nieuws van dit huwelijk, en de geboorte zeven maanden later, van een zoon (prins Alexander van België) werd door de bevolking, en vooral door de in niet benijdenswaardige omstandigheden levende Belgische krijgsgevangen in Duitsland met wie de vorst zich solidair had verklaard, bijzonder slecht onthaald.

Verzoeningspogingen van de regering in ballingschap te Londen ten aanzien van koning Leopold werden door deze laatste afgewezen, juist omwille van het feit dat de vorst eerst een rechtzetting van de verkeerde feiten eiste. Ook in zijn "politiek testament" dat hij schreef in januari 1944, wees hij beschuldigend naar de ministers van het oorlogskabinet.

De koning werd op 7 juni 1944, daags na de invasie van Normandië door de bezetters naar Duitsland en nadien naar Oostenrijk gedeporteerd. De regering Pierlot keerde op 8 september 1944 naar België terug. Het vooroorlogse parlement stelde prins Karel, broer van Leopold, voorlopig aan als regent aangezien de koning nog steeds in krijgsgevangenschap verbleef.

In mei 1945 werd Leopold III in de buurt van Salzburg door het Amerikaanse leger bevrijd. Ondertussen was de regering Pierlot vervangen door een regering van nationale eenheid onder leiding van Achille Van Acker die besprekingen begon met het oog op de terugkeer van de koning. Deze liepen echter op niets uit toen bleek dat de regering enkel bereid was de terugkeer van Leopold III voor te bereiden als hij afstand zou doen van de troon. Leopold III kon daar niet op ingaan, omdat het regelrecht inging tegen de grondwet. Van Acker besloot daarop het ontslag van de regering aan te bieden, omdat hij niet kon of wilde instaan voor de ordehandhaving bij een terugkeer van de koning in het land. In juli werd daarom een wet goedgekeurd waarbij de onmogelijkheid van de koning om te regeren slechts beëindigd kon worden na goedkeuring door de Verenigde Kamers. Hiermee stond de koningskwestie definitief op de politieke agenda.

In afwachting van een voor regering en parlement haalbare oplossing van zijn mogelijke rol en toekomst in België, verbleef de koninklijke familie in ballingschap in het Zwitserse Pregny.

[bewerken] Impasse

Al vanaf het begin werd de koningskwestie een thema waaromheen de politieke tegenstellingen tot uiting kwamen. Socialisten, liberalen en de toen nog belangrijke communisten waren tegen terugkeer. De christendemocraten van CVP en PSC, die voorstander waren van een terugkeer wilden deze afdwingen door de organisatie van een volksraadpleging. Toen dit plan niet aanvaard werd binnen de regering stapten zij uit het kabinet. Zij zouden pas in maart 1947 weer in de regering stappen, omdat zonder hen een politieke meerderheid niet meer haalbaar was; de geëiste volksraadpleging hadden ze niet kunnen afdwingen. Al die tijd bleef het probleem in de koelkast maar liepen de gemoederen in de kwestie verder op.

[bewerken] De volksraadpleging

Het percentage geldige stemmen vóór de terugkeer van Leopold III, per kiesarrondissement. Groen is meerderheid voor, rood is meerderheid tegen, oranje is bijna 50%.

De verkiezingen van juni 1949, waarbij voor het eerst ook vrouwen stemrecht hadden, brachten een overwinning voor de Christelijke Volkspartij (CVP/PSC) waarbij ze een absolute meerderheid haalden in de Senaat en op één zetel na in de Kamer. De christendemocratische premier Gaston Eyskens, hoewel in coalitie met de liberalen, stond sterk genoeg om het door zijn partij gewenste referendum door te drukken, waar de koning nadrukkelijk op aangedrongen had. Op 12 maart 1950 trokken de Belgen voor de eerste en tot nu toe enige keer naar de stembus voor een volksraadpleging die, omdat een dergelijke procedure in de grondwet niet voorzien was, niet wettelijk bindend kon zijn voor de regering. De uitslag bracht een diepe verdeeldheid aan het licht tussen de twee grote gemeenschappen van het land. In totaal waren er 2.933.382 voor Leopolds terugkeer op de troon (57,68%) en 2.151.881 tegen (42,32%), maar de verdeling van de voor- en tegenstemmers was sterk regionaal bepaald. In Vlaanderen was er een duidelijke meerderheid voor in alle provincies, terwijl er in Wallonië enkel in de rurale provincies Namen en Luxemburg een meerderheid vóór was en in de dichtbevolkte geïndustrialiseerde provincies Luik en Henegouwen een duidelijke meerderheid tegen. Ook in Brussel was er een kleine meerderheid tegen, terwijl er in de toen nog tweetalige provincie Brabant (inclusief Brussel) een zeer nipte meerderheid voor was. (bron met cijferdetails per kiesarrondissement: Parl.St., Kamer, 1949-50, nr. 316)


[bewerken] Uitslag per regio en provincie


*Het arrondissement Verviers was in meerderheid voor.
**Het arrondissement Namen was in meerderheid nipt tegen.

[bewerken] Ontknoping en afloop

Nog in maart 1950 werd in Wallonië een algemene staking tegen de terugkeer van de koning gehouden. En toen Eyskens in lijn met de uitslag van het referendum de goedkeuring van de Verenigde Kamers wilde laten stemmen, weigerde de liberale coalitiepartner dit en verliet de regering. Nieuwe verkiezingen werden gehouden in juni 1950 met als inzet de koningskwestie. Deze keer behaalde de CVP de volstrekte meerderheid in Kamer en Senaat. De homogene regering-Duvieusart stelde op 20 juli 1950 vast dat aan de onmogelijkheid te regeren een einde was gekomen en op 22 juli keerde de koning terug naar België. Daarop werden vooral in Wallonië, maar ook in Vlaanderen, nieuwe stakingen gehouden. Te Grâce-Berleur, bij Luik, werden op 30 juli drie betogers gedood door rijkswachtkogels, een vierde overleed later aan zijn verwondingen. De situatie dreigde verder te ontsporen door de dreiging van een mars op Brussel op 2 augustus. Er volgde spoedoverleg tussen de drie grote politieke families die tot een politiek akkoord kwamen om de koninklijke bevoegdheden over te dragen aan de kroonprins, Boudewijn. Op 31 juli ontving de koning de eerste minister en stemde hij in met dit plan. Tijdens de daaropvolgende nacht kwam hij echter terug van zijn beslissing en probeerde alsnog het laken naar zijn kant te trekken. Pas nadat Duvieusart dreigde met ontslag indien zijn politiek akkoord door de koning werd afgewezen, en alle andere ministers, uitgezonderd Albert de Vleeschauwer van binnenlandse zaken, zich inzake de koningkwestie solidair verklaarden met hun premier, bond de koning op 1 augustus 's morgens in en ging hij akkoord met de troonsafstand ten voordele van zijn zoon.

Boudewijn en zijn echtgenote, Koningin Fabiola, in 1969

De toen 20-jarige, en dus minderjarige prins Boudewijn legde op 11 augustus 1950 de grondwettelijke eed af voor de Verenigde Kamers. Tijdens de eedaflegging kwam het tot een incident toen het communistische kamerlid en partijvoorzitter Julien Lahaut uitriep "Vive la République" (Leve de republiek). Op 18 augustus werd hij thuis te Seraing door enkele aanhangers van Leopold vermoord. Het gerechtelijk onderzoek bleef zonder resultaat, doch in 1985 slaagden de onderzoeksjournalisten Rudi van Doorslaer en Etienne Verhoeyen er in de ondertussen overleden daders te identificeren.

De Leopoldisten, die het referendum vooral in Vlaanderen hadden gewonnen, voelden zich verraden door dit compromis, maar de stakingen kwamen tot een eind, de mars op Brussel werd afgelast en de toestand stabiliseerde zich.

Tot de meerderjarigheid van Boudewijn, die met de eedaflegging de titel Koninklijke Prins kreeg, bleef prins Karel aan als regent. Op 16 juli 1951 tekende Leopold III de troonsafstand en een dag later volgde Boudewijn hem op als Koning der Belgen.

Leopold III is over zijn troonsafstand zijn hele leven ontgoocheld gebleven, zoals onder meer bleek uit het postuum door zijn weduwe Lilian Baels gepubliceerde Pour l'Histoire. Sur quelques épisodes de mon règne (2001), waarin hij een aantal persoonlijke documenten en aantekeningen verzameld had.

[bewerken] Literatuur

  • Witboek 1936-1946 gepubliceerd door het Secretariaat van den Koning. I. Memorie, Brussel, Goemaere, z. j.
  • Jean DUVIEUSART, La question royale. Crise et dénouement: juin, juillet, août 1950, Brussel, 1975.
  • Robert ARON, Léopold III ou le choix impossible, Parijs, 1977
  • Albert DE JONGHE, Berchtesgaden (19 november 1940): voorgeschiedenis, inhoud en resultaat, in: Res Publica, 1978, blz. 41-53.
  • Albert DE JONGHE, De laatste boodschap van Kiewitz namens koning Leopold III voor Hitler (15 juni 1944), in: Belgisch Tijdschrift voor filologie en geschiedenis, 1987, blz. 274-300.
  • Albert DE JONGHE, Aspekten van de wegvoering van koning Leopold III naar Duitsland (7 juni 1944), in: Bijdragen Navorsings- en Studiecentrum voor de Tweede wereldoorlog, 1988, blz. 5-120.
  • Jean VANWELKENHUYZEN, Leopold III, de l'exil à l'abdication: ombres et brouillard, in: La Revue Générale, 1989/12, blz. 63-67.
  • Jan VELAERS & Herman VAN GOETHEM, Leopold III. De koning, het Land, de Oorlog, Tielt, Lannoo, 1994.
  • LEOPOLD III, Kroongetuige. Over de grote gebeurtenissen tijdens mijn koningschap, Tielt, Lannoo, 2001.
  • Jean STENGERS, Léopold III et le gouvernement. Les deux politiques belges de 1940, Brussel, Ed. Racine, 2002 (herziene en herwerkte editie van de uitgave bij Duculot, Gembloux in 1980)

[bewerken] Verwijzingen in strips

De koningskwestie sloop ook in de stripreeksen Suske en Wiske door Willy Vandersteen en Nero door Marc Sleen binnen. Omdat zowel Vandersteen als Sleen voor katholieke kranten werkten namen ze destijds in hun strips een pro-Leopold III-standpunt in.

  • In het Suske en Wiskealbum "de koning drinkt" (1947) worden Suske, Wiske, Tante Sidonia en koning Poefke in een toren gejaagd, terwijl koning Cactus de rest van Poefkes onderdanen gevangen houdt. Poefke merkt op: "Wat kan onze weerstand hier nog baten, 'k geloof dat ik er beter aan gedaan had mijn volk niet alleen te laten." Wiske merkt vervolgens in de originele versie op: "Dat is maar een gedacht, Poefke! Begin dan maar al met een villa in Zwitserland te huren." Dit is een verwijzing naar Leopold III die toen in een Zwitserse villa verbleef, in afwachting tot hij terug naar België kon keren.
  • In het Nero (strip)album "De Man met het Gouden Hoofd" (1950) ziet Nero op de noordpool in de verte een groepje mensen. Het blijken echter pinguïns te zijn die rond marcheren met aanhangborden waarop "JA!" geschreven staat (strook 86). Dit was hetgeen men in de volksraadpleging moest stemmen als men wilde dat Leopold III terugkeerde.
  • In de originele versie van het Suske en Wiskealbum De stalen bloempot (1950) wordt Suske naar het eiland Amoras ontvoerd om er koning te worden. De Stalen Bloempotters willen echter niet dat "de koning terugkomt." In de latere albumversie werden de verwijzingen wat minder expliciet gemaakt. De oorspronkelijke openingsstrook van het verhaal liet Lambik vanuit het vliegtuig een spandoek ontrollen met "JA, morgen begint ons nieuw avontuur: De Stalen Bloempot!". Wiske merkt hierna op: "Zou dat OOK zo lang duren, Lambik?"

[bewerken] Zie ook

Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen