Koningskwestie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

De koningskwestie is de benaming voor het politiek conflict dat in België ontstond na de Tweede Wereldoorlog over de terugkeer op de troon van koning Leopold III.

Inhoud

[bewerk] Geschiedenis

[bewerk] Ontstaan

Koning Leopold III weigerde na de inval van Nazi-Duitsland de Belgische regering-Pierlot-Spaak naar het buitenland te volgen en van daaruit aan de zijde van de geallieerden de strijd voort te zetten. De gesprekken hierover op 25 mei op het Kasteel van Wijnendale resulteerden in de definitieve breuk tussen koning en regering. Als opperbevelhebber van het Belgisch leger gaf de koning te kennen dat hij ervoor koos het lot van zijn overwonnen leger te willen delen en werd hij na de onvoorwaardelijke capitulatie op 28 mei 1940 krijgsgevangene. De regering weigerde echter ontslag te nemen en besliste vanuit Limoges (Frankrijk) dat de koning in de onmogelijkheid verkeerde om te regeren en keurde de houding van de koning openlijk af. Die afkeuring gebeurde door in te stemmen met een fel gekleurde rede van de toenmalige Franse Eerste Minister, en bracht de koning zwaar in diskrediet. De spanningen die tussen hem en zijn regering de laatste maanden waren ontstaan, waren rechtstreekse aanleiding om voor Pierlot en Spaak feiten te verdraaien, die ze, op basis van documenten, anders hadden moeten verspreiden naar de publieke opinie. In feite ligt in dit feit de basis voor de latere koningskwestie.

Hoewel krijgsgevangen in het kasteel te Laken, onderhield de koning uit grondwettelijke noodzaak contacten met een aantal in het land gebleven politici, zoals Hendrik De Man, die reeds regeringservaring had. Het trof bijzonder ongelukkig, dat de regering tijdens het uitbreken van de oorlog geleid werd door Eerste Minister Pierlot, die al voordien een weinig vertrouwensvolle relatie met de vorst onderhield. Mede daardoor maakte Leopold III een fout door niet te eisen dat tenminste één lid van de regering bij hem zou blijven. Op die manier had hij geen beroep hoeven te doen op andere politici of hoge ambtenaren. Dat was nu wél noodzakelijk, omdat zijn beslissingen door tenminste een vertegenwoordiging van de regering moesten worden bekrachtigd. Op 19 november 1940, na eerst maandenlang een ontmoeting te weigeren, kon hij niet meer ontsnappen aan de diplomatieke druk die Adolf Hitler op hem uitoefende om hem in Berchtesgaden te ontmoeten. Na veel voorbereiding met zijn directe medewerkers, en voorbereid door zijn zus Marie-José, kroonprinses van Italië, ontmoette hij Hitler te Berchtesgaden. De vorst vond dat de voordelen die deze ontmoeting voor het Belgische volk konden met zich meebrengen, zwaarder wogen dan de afkeer die een dergelijk onderhoud bij hem opwekte. Overigens bevestigde Hitler dat Leopold niet zou regeren zolang de oorlog duurde. Dit bekrachtigde in feite de houding die de vorst meteen na de overgave op 28 mei 1940 zelf had aangenomen.

Op 6 december 1941 trad Leopold in het huwelijk met de zwangere Lilian Baels die de titel Prinses van Retie kreeg. Kardinaal Jozef Van Roey, de aartsbisschop van Mechelen, verklaarde dat hij op 11 september in het geheim een kerkelijk huwelijk had ingezegend, nog voor het burgerlijk huwelijk plaats vond, wat onwettig is. Het nieuws van dit huwelijk werd door de bevolking, en vooral door de in niet benijdenswaardige omstandigheden levende Belgische krijgsgevangen in Duitsland met wie de vorst zich solidair had verklaard, bijzonder slecht onthaald.

Verzoeningspogingen van de regering in ballingschap te Londen ten aanzien van koning Leopold werden door deze laatste afgewezen, juist omwille van het feit dat de vorst eerst een rechtzetting van de verkeerde feiten eisten. Ook in zijn "politiek testament" dat hij schreef in januari 1944, wees hij beschuldigend naar de ministers van het oorlogskabinet. Aan dit feit moet wel worden toegevoegd, dat dit politieke testament ook een toekomstvisie verkondigde, die later in vele zaken gerealiseerd werd.

De koning werd op 7 juni 1944, daags na de invasie van Normandië door de geallieerden, door de bezetters naar Duitsland en nadien naar Oostenrijk gedeporteerd. De regering Pierlot keerde op 8 september 1944 naar België terug. Het vooroorlogse parlement stelde prins Karel, broer van Leopold, voorlopig aan als regent aangezien de koning nog steeds in krijgsgevangenschap verbleef.

In mei 1945 werd Leopold III in de buurt van Salzburg door het Amerikaanse leger bevrijd. Ondertussen was de regering Pierlot vervangen door een regering van nationale eenheid onder leiding van Achille Van Acker die besprekingen begon met het oog op de terugkeer van de koning. Deze liepen echter op niets uit toen bleek dat de regering enkel bereid was de terugkeer van Leopold III voor te bereiden als hij afstand zou doen van de troon. Leopold III kon daar niet op ingaan, omdat het regelrecht inging tegen de grondwet. Van Acker besloot daarop het ontslag van de regering aan te bieden, omdat hij niet kon of wou instaan voor de ordehandhaving bij een terugkeer van de koning in het land. In juli werd daarom een wet goedgekeurd waarbij de onmogelijkheid van de koning om te regeren slechts beëindigd kon worden na goedkeuring door de Verenigde Kamers. Hiermee stond de koningskwestie definitief op de politieke agenda.

In afwachting van een voor regering en parlement haalbare oplossing van zijn mogelijke rol en toekomst in België, verbleef de koninklijke familie in ballingschap in het Zwitserse Pregny.

[bewerk] Impasse

Al vanaf het begin werd de koningskwestie een thema waaromheen de politieke tegenstellingen tot uiting kwamen. Socialisten, liberalen en de toen nog belangrijke communisten waren tegen terugkeer. De christendemocraten van CVP en PSC, die voorstander waren van een terugkeer wilden deze afdwingen door de organisatie van een volksraadpleging. Toen dit plan niet aanvaard werd binnen de regering stapten zij uit het kabinet. Zij zouden pas in maart 1947 weer in de regering stappen, omdat zonder hen een politieke meerderheid niet meer haalbaar was; de geëiste volksraadpleging hadden ze niet kunnen afdwingen. Al die tijd bleef het probleem in de koelkast maar liepen de gemoederen in de kwestie verder op.

[bewerk] De volksraadpleging

De verkiezingen van juni 1949, waarbij voor het eerst ook vrouwen stemrecht hadden, brachten een overwinning voor de Christelijke Volkspartij (CVP/PSC) waarbij ze een absolute meerderheid haalden in de Senaat en op één zetel na in de Kamer. De christen-democratische premier Gaston Eyskens, hoewel in coalitie met de liberalen, stond sterk genoeg om het door zijn partij gewenste referendum door te drukken. Op 12 maart 1950 trokken de Belgen voor de eerste en tot nu toe enige keer naar de stembus voor een volksraadpleging die, omdat een dergelijke procedure in de grondwet niet voorzien was, niet wettelijk bindend kon zijn voor de regering. De uitslag bracht een diepe verdeeldheid aan het licht tussen de twee grote gemeenschappen van het land. In totaal waren er 2.933.382 voor Leopolds terugkeer op de troon (57,68%) en 2.151.881 tegen (42,32%), maar de verdeling van de voor- en tegenstemmers was sterk regionaal bepaald. In Vlaanderen was er een duidelijke meerderheid voor in alle provincies, terwijl er in Wallonië enkel in de rurale provincies Namen en Luxemburg een meerderheid vóór was en in de dichtbevolkte geïndustrialiseerde provincies Luik en Henegouwen een duidelijke meerderheid tegen. Ook in Brussel was er een kleine meerderheid tegen, terwijl er in de toen nog tweetalige provincie Brabant (inclusief Brussel) een zeer nipte meerderheid voor was.

[bewerk] Uitslag per regio en provincie

  • Vlaanderen: 72% voor - 28 % tegen
    • Limburg: 83% voor - 17% tegen
    • West-Vlaanderen: 75% voor - 25% tegen
    • Oost-Vlaanderen: 72% voor - 28% tegen
    • Antwerpen: 68% voor - 32% tegen
  • Wallonië: 42% voor - 58% tegen
    • Henegouwen: 36%voor - 64% tegen
    • Luik: 42% voor - 58% tegen (het arrondissement Verviers was in meerderheid voor)
    • Luxemburg: 65% voor - 35 tegen
    • Namen: 58% voor - 42% tegen (het arrondissement Namen was in meerderheid nipt tegen)
  • Tweetalige provincie Brabant (inclusief Brussel): 50,15% voor - 49,85% tegen
  • Brussel: 48% voor - 52% tegen.

[bewerk] Ontknoping en afloop

Nog in maart 1950 werd in Wallonië een algemene staking tegen de terugkeer van de koning gehouden. En toen Eyskens in lijn met de uitslag van het referendum de goedkeuring van de Verenigde Kamers wou laten stemmen, weigerde de liberale coalitiepartner dit en verliet de regering. Nieuwe verkiezingen werden gehouden in juni 1950 met als inzet de koningskwestie. Deze keer behaalde de CVP de volstrekte meerderheid in Kamer en Senaat. De homogene regering-Duvieusart stelde op 20 juli 1950 vast dat aan de onmogelijkheid te regeren een einde was gekomen en op 22 juli keerde de koning terug naar België. Daarop werden vooral in Wallonië, maar ook in Vlaanderen, nieuwe stakingen gehouden. Te Grâce-Berleur, bij Luik, werden op 30 juli drie betogers gedood door rijkswachtkogels, een vierde overleed later aan zijn verwondingen. De situatie dreigde verder te ontsporen door de dreiging van een mars op Brussel op 2 augustus. Er volgde spoedoverleg tussen de drie grote politieke families die tot een politiek akkoord kwamen om de koninklijke bevoegdheden over te dragen aan de kroonprins, Boudewijn. Op 31 juli ontving de koning de eerste minister en stemde hij in met dit plan. Tijdens de daaropvolgende nacht kwam hij echter terug op zijn beslissing en probeerde alsnog het laken naar zijn kant te trekken. Pas nadat Duvieusart dreigde met ontslag indien zijn politiek akkoord door de koning werd afgewezen, en alle andere ministers, uitgezonderd Albert de Vleeschauwer van binnenlandse zaken, zich inzake de koningkwestie solidair verklaarden met hun premier, bond de koning op 1 augustus 's morgens in en ging hij akkoord met de troonsafstand ten voordele van zijn zoon.

Koning Boudewijn legde op 11 augustus 1950 de grondwettelijke eed af voor de Verenigde Kamers. Tijdens de eedaflegging kwam het tot een incident toen het communistische kamerlid en partijvoorzitter Julien Lahaut uitriep "Vive la République" (Leve de republiek). Op 18 augustus werd hij bij hem thuis te Seraing door enkele Leopoldisten vermoord. Het gerechtelijk onderzoek bleef zonder resultaat, doch in 1985 slaagden de onderzoeksjournalisten Rudi van Doorslaer en Etienne Verhoeyen er in de ondertussen overleden daders te identificeren.

De Leopoldisten, die het referendum vooral in Vlaanderen hadden gewonnen, voelden zich verraden door dit compromis, maar de stakingen kwamen tot een eind, de mars op Brussel werd afgelast en de toestand stabiliseerde zich.

Tot de meerderjarigheid van Boudewijn, die met de eedaflegging de titel Koninklijke Prins kreeg, bleef prins Karel aan als regent. Op 16 juli 1951 tekende Leopold III de troonsafstand en een dag later volgde Boudewijn hem op als Koning der Belgen.

Leopold III is over zijn troonsafstand zijn hele leven ontgoocheld gebleven, zoals onder meer bleek uit het postuum door zijn weduwe Lilian Baels gepubliceerde Pour l'Histoire. Sur quelques épisodes de mon règne (2001), waarin hij een aantal persoonlijke documenten en aantekeningen verzameld had. Reeds voor de Tweede Wereldoorlog leefde Leopold op gespannen voet met zijn regeringen. Hij verweet de regeringspolitici van de jaren '30 dat ministers elkaar in hoog tempo aflosten en dat ze in de greep waren van partijen en vakbonden, dat wil zeggen niet-constitutionele instellingen, waardoor politiek slechts een compromis van materiële belangen was geworden, in plaats van het algemeen belang te dienen. Hij zag het als zijn grondwettelijke plicht daartegen in te gaan.

Omgekeerd wantrouwde zijn regering hem ook. Toen in mei 1940 de capitulatie dreigde en Leopold weigerde met zijn regering in ballingschap te gaan, was de breuk in feite al bezegeld. Men vreesde vooral dat Leopold mogelijk tot een aparte vrede met de Duitsers zou overgaan. De koning wilde echter "het lot van zijn leger delen", maar heeft daarbij zijn mogelijkheden om voor de Belgische bevolking onder Duitse bezetting iets te doen alleszins sterk overschat. Enerzijds kan een krijgsgevangene nu eenmaal niet onderhandelen met de vijand, en anderzijds maakte hij zijn bewering dat hij het lot deelde van zijn soldaten er niet geloofwaardiger op door gewoon in zijn eigen kasteel te blijven wonen en een aanvankelijk onwettige relatie aan te gaan met Lilian Baels.

Leopold III was net zoals zijn voorgangers op de Belgische troon in de eerste plaats bezig met het overleven van de dynastie, wat samenhing aan het overleven van België. Hij was ervan overtuigd dat de Duitsers de oorlog gingen winnen en dat België alleen overlevingskansen had als een autoritaire staat in een Duits Europa. Daarom volgde hij zijn regering in ballingschap niet en heeft hij tevergeefs gepoogd Hitler te overtuigen aan hem de leiding van een semi-onafhankelijk België toe te vertrouwen. Daarin geleek hij heel sterk op zijn voorganger, Albert I, die tot 1916 met de Duitsers onderhandelde over een aparte vrede met België, en bereid was om daar heel wat concessies voor te doen. Dat betekent niet dat Leopold een nazi was. Hij was wel een voorstander van een meer autoritair politiek systeem, en stond met die opvatting tijdens de jaren '30 helemaal niet alleen.

[bewerk] Verwijzingen in strips

De koningskwestie sloop ook in de stripreeksen Suske en Wiske door Willy Vandersteen en Nero (strip) door Marc Sleen binnen. Omdat zowel Vandersteen als Sleen voor katholieke kranten werkten namen ze destijds in hun strips een pro-Leopold III-standpunt in.

  • In het Suske en Wiskealbum "de koning drinkt" (1947) worden Suske, Wiske, Tante Sidonia en koning Poefke in een toren gejaagd, terwijl koning Cactus de rest van Poefkes onderdanen gevangen houdt. Poefke merkt op: "Wat kan onze weerstand hier nog baten, 'k geloof dat ik er beter aan gedaan had mijn volk niet alleen te laten." Wiske merkt vervolgens in de originele versie op: "Dat is maar een gedacht, Poefke! Begin dan maar al met een villa in Zwitserland te huren." Dit is een verwijzing naar Leopold III die toen in een Zwitserse villa verbleef, in afwachting tot hij terug naar België kon keren.
  • In het Nero (strip)album "De Man met het Gouden Hoofd" (1950) ziet Nero op de noordpool in de verte een groepje mensen. Het blijken echter pinguïns te zijn die rond marcheren met aanhangborden waarop "JA!" geschreven staat (strook 86). Dit was hetgeen men in de volksraadpleging moest stemmen als men wou dat Leopold III terugkeerde.
  • In de originele versie van het Suske en Wiskealbum De stalen bloempot (1950) wordt Suske naar het eiland Amoras ontvoerd om er koning te worden. De Stalen Bloempotters willen echter niet dat "de koning terugkomt." In de latere albumversie werden de verwijzingen wat minder expliciet gemaakt. De oorspronkelijke openingsstrook van het verhaal liet Lambik vanuit het vliegtuig een spandoek ontrollen met "JA, morgen begint ons nieuw avontuur: De Stalen Bloempot!". Wiske merkt hierna op: "Zou dat OOK zo lang duren, Lambik?"

[bewerk] Zie ook

 
Persoonlijke instellingen
in andere talen