Koolstofput

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een koolstofput (ook koolstofdioxideput genoemd) verwijst in de aardwetenschappen naar een reservoir dat koolstofdioxide absorbeert en permanent of tijdelijk opslaat. De term moet niet verward worden met koolstofreservoirs. Reservoirs zijn statisch, terwijl koolstofputten dynamisch zijn. Een voorbeeld is een bos. Dit is altijd een reservoir omdat er CO2 in is opgeslagen in de vorm van hout, maar het is slechts een put wanneer het nog toeneemt aan biomassa. Koolstofputten halen het broeikasgas CO2 uit de lucht en verminderen daarmee de opwarming van de Aarde.

Diagram van de koolstofcyclus. De zwarte cijfers geven aan hoeveel miljarden tonnen koolstof (Gt C) aanwezig zijn in de verschillende reservoirs. De blauwe cijfers geven aan hoeveel koolstof wordt uitgewisseld tussen de individuele reservoirs per jaar. Wanneer er meer CO2 ingaat, dan uitgaat is iets een koolstofput

In geologische tijden is de belangrijkste koolstof reservoirs de lithosfeer, die 99,8% van de koolstof die zich op de Aarde bevindt bevat; voornamelijk als carbonaten zoals kalksteen. Uit de lithosfeer worden geen significante hoeveelheden koolstof teruggegeven aan de biologische koolstofcyclus. In de aardkorst zijn er zeer grote hoeveelheden silicaat-mineralen die op de lange termijn blijvend grote hoeveelheden CO2 uit de atmosfeer kunnen verwijderen doordat ze omgezet worden in carbonaten, waar koolstofdioxide voor nodig is. Echter, de bijbehorende chemische reacties vinden zo langzaam plaats dat de lithosfeer voor de huidige uitstoot van kooldioxide niet kan fungeren als een put, althans op de korte tot middellange termijn. Een kunstmatige versnelling van deze processen door mijnbouw en verpulveren van bijbehorende silicaten en het gebruik van zuren is theoretisch mogelijk, maar lijkt op een wereldwijde schaal als gevolg van de verwachte hoge materiaal-, energie- en landverbruik slechts matig realistisch - van het meest geschikte mineraal (serpentijn) is er al acht ton nodig om een ton CO2 permanent uit de atmosfeer te verwijderen.

De belangrijkste actuele koolstofputten zijn bossen, als onderdeel van de biosfeer (maar alleen degenen die een totale netto groei van de productie van biomassa hebben) en oceanen (behorend tot de hydrosfeer). Bossen halen voor hun groei koolstofdioxide uit de lucht en bewaren deze als biomassa. Oceanen dienen op twee manieren als put van koolstof. Ten eerste lost een deel van de CO2 op in de oceaan, wat voor oceaanverzuring zorgt. Ten tweede is er een biologische pomp, waarbij phytoplankton door fotosynthese CO2 uit de lucht haalt, een deels naar de bodem van de oceaan zinkt. De eerste vindt op korte termijn plaats (op de schaal van jaren), en het tweede proces vindt plaats op een schaal van duizenden jaren.

Koolstofputten spelen een belangrijke rol in de koolstofcyclus. Er tegenover staan koolstofbronnen. De belangrijkste bron van koolstof is momenteel het steeds groeiende verbruik van fossiele brandstoffen zoals olie, aardgas en steenkool. Ook komt er CO2 vrij bij het kappen van bossen en de productie van cement.