Koopkracht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het begrip koopkracht geeft aan hoeveel goederen een huishouden kan kopen met het besteedbaar inkomen[1][2]. Bij gelijkblijvend inkomen en stijgende prijzen daalt de koopkracht. De koopkracht daalt ook bij stijgende belastingen omdat dan het besteedbare deel van het inkomen daalt. Indien het gestandaardiseerde inkomen sterker stijgt dan de prijzen, neemt de koopkracht toe.

Het begrip wordt gebruikt om de (reële) ontwikkeling van het inkomen vast te stellen of ten behoeve van welvaartsverschillen tussen huishoudens.

Om voor beleidsdoeleinden de koopkracht inzichtelijk te maken wordt onder andere de inflatie berekend met de consumentenprijsindex. Dat is de waarde van een mandje van goederen en diensten dat een huishouden zal aanschaffen in een bepaalde periode. In Nederland wordt dit gedaan door het CBS. In combinatie met de gemiddelde inkomensontwikkeling kan met de inflatie de (gemiddelde) koopkrachtontwikkeling over meerdere perioden worden vergeleken.

Koopkrachtcijfers worden vaak gedifferentieerd naar doelgroepen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid om specifiek in kaart te brengen hoe de koopkrachtontwikkeling voor minima, gezinnen met kinderen, middeninkomens of andere (sub)groepen uitpakt. De overheid kan hier op in spelen door specifiek beleid voor een bepaalde groep te ontwikkelen. Berekeningen over de koopkracht worden in Nederland vaak gemaakt door het Centraal Planbureau (CPB) en het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting). Het Nibud berekent ieder jaar met Prinsjesdag hoe de koopkracht verandert. Vooral overheidsmaatregelen, prijsontwikkelingen en loonstijgingen zijn van invloed op het koopkrachtniveau van huishoudens. De koopkrachtplaatjes van het Nibud geven inzicht in de mate van deze invloed en maken het mogelijk om de ontwikkeling van de koopkracht over verschillende periodes te vergelijken.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties