Koraalmeidoorn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Koraalmeidoorn
Crataegus rhipidiphylla2.JPG
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Fabiden
Orde: Rosales
Familie: Rosaceae (Rozenfamilie)
Geslacht: Crataegus (Meidoorn)
soort
Crataegus rhipidophylla
Gand.
Koraalmeidoorn
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De koraalmeidoorn (Crataegus rhipidophylla) is een struik of kleine boom, die tot negen meter hoog kan worden. Ze behoort tot de Rozenfamilie (Rosaceae) en komt in Midden-Europa voor. De plant groeit op lichte plekken in bossen, struwelen en heggen. Het aantal chromosomen is 2n=68.

De paarsachtige of kaneelbruine takken zijn bezet met takdoornen. De 3 - 5 cm lange bladeren zijn gelobd en hebben fijn gezaagde randen, behalve aan de wigvormige voet. De steunblaadjes van de bloeiende twijgen hebben talrijke tanden en gesteelde klieren.

De koraalmeidoorn bloeit in mei en juni met witte, sterk geurende bloemen. De kelkbladen zijn lancet- tot lijnvormig en blijven aan de rijpe vrucht teruggeslagen (ondersoort rhipidophylla) tot opgericht (ondersoort lindmanii) zitten.

De bloemen zijn 0,8-1,5 cm breed en hebben één stijl.

De plant heeft 0,9 - 1,5 cm grote appelachtige vruchten met één pit. Ze zijn rond tot eivormig bij de ondersoort rhipidophylla en meer walsvormig bij de ondersoort lindmanii. Ze rijpen in augustus - september en verkleuren dan van groen naar lichtrood. Ze hebben en zoetzure smaak. Het melige vruchtvlees is geel.

Vruchten

Systematiek[bewerken]

Synoniemen van C. rhipidophylla Gand. zijn C. rosiformis Janka en C. curvisepala Lindm.

Knud Ib Christensen onderscheidt bij de koraalmeidoorn twee ondersoorten: Crataegus rhipidophylla Gand. ssp. rhipidophylla en Crataegus rhipidophylla ssp. lindmanii (Hrab.-Uhr.) K. I. Chr.. Crataegus rhipidophylla ssp. lindmanii wordt door anderen echter als een aparte soort beschouwd[1]

Vanwege de onoverzichtelijkheid van de onderlinge kruisingen tussen de ondersoorten en de geleidelijke overgang van de kenmerken tussen de ene en de andere ondersoort, als ook het optreden van polyploïde klonen pleiten enkele botanici ervoor de ondersoorten samen te voegen tot de verzamelsoort Crataegus rhipidophylla Gand. s. l..

Literatuur[bewerken]

  • Henning Haeupler, Thomas Muer: Bildatlas der Farn- und Blütenpflanzen Deutschlands. Stuttgart, Ulmer 2000, S. 293 f.
  • Erich Oberdorfer: Pflanzensoziologische Exkursionsflora. 7. Aufl. Stuttgart, Ulmer 1994, S. 506 ff.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. G. H. Loos: Crataegus. In: Henning Haeupler, Thomas Muer: Bildatlas der Farn- und Blütenpflanzen Deutschlands. Stuttgart, Ulmer 2000, S. 293 f.