Kort geding

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een kort geding (mv: korte gedingen of kort gedingen) is een versnelde civiele procedure voor zaken met een spoedeisend belang, waarin de rechter op redelijk korte termijn uitspraak doet. Bij een gewone rechtszaak duurt dat meestal veel langer, omdat er meer onderzoek plaatsvindt of omdat getuigen moeten worden gehoord. Een gewone rechtszaak kan vele maanden tot jaren duren, terwijl de duur van een kort geding een kwestie is van enkele weken.

Voorbeelden van zaken met een spoedeisend belang zijn:

  • Een bedrijf wil een aangekondigde staking laten verbieden.
  • Iemand die bezwaar heeft tegen een kapvergunning wil verhinderen dat de bomen te vroeg worden gekapt.
  • Iemand wil een televisie-uitzending of krantenpublicatie laten verbieden, omdat de inhoud daarvan niet juist is.
  • Iemand wil een medische behandeling die de verzekeraar weigert te betalen.

In deze voorbeelden is een snelle uitspraak gewenst. In het laatste voorbeeld zou de patiënt al kunnen zijn overleden als de uitspraak te laat komt.

De uitspraak in een kort geding is een voorlopig maar wel bindend oordeel. Als een partij zich niet bij de uitslag wenst neer te leggen, kan deze in hoger beroep of alsnog via een normale procedure een uitgebreide behandeling vragen. Dat is een bodemprocedure. In de praktijk blijkt dat men zich meestal neerlegt bij de uitspraak in een kort geding of dat het voeren van een bodemprocedure geen zin meer heeft.

Kort geding in Nederland[bewerken]

De procedure van het kort geding is in Nederland opgenomen in art. 254-260 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Tot aan het begin van de twintigste eeuw werd er weinig gebruikgemaakt van het kort geding. De oorzaak daarvan lag in de eis dat de beslissing geen nadeel doet aan de zaak ten principale. Rechters namen daardoor geen beslissing in kort geding als zij daarmee moesten vooruitlopen op een bodemgeschil. Bij het opleggen van een maatregel moet immers een voorlopig oordeel worden gegeven over de rechtsverhouding tussen partijen.

De advocaat en processualist Johan Paul Alexander Nicolaas Caroli bracht daarin verandering, door in 1906 in “Het kort geding voor den President der Arrondissements-Rechtbank” een andere visie te presenteren. Volgens Caroli wilde de eis dat de beslissing in het kort geding geen nadeel doet aan de zaak ten principale zeggen dat de rechter in de hoofdzaak niet gebonden is aan de uitspraak in kort geding. De uitspraak in kort geding heeft dus geen gezag van gewijsde en kan daardoor de hoofdzaak niet schaden.

In 1933 kreeg toepassing van het kort geding een nieuwe stimulans, door invoering van de dwangsom. De in kort geding opgelegde maatregelen kregen daardoor groter effect.

Rechter[bewerken]

In Nederland worden kort gedingen in eerste aanleg behandeld door één rechter, die voorzieningenrechter wordt genoemd. In hoger beroep vindt behandeling plaats bij het gerechtshof waar de zaak altijd door drie rechters wordt beoordeeld.

Verloop van de procedure[bewerken]

Het kort geding verloopt volgens de regels van de gewone dagvaardingsprocedure, met dit verschil dat vanwege spoedeisendheid de dagvaardingstermijn korter kan zijn, en dat de gedaagde partij niet een advocaat behoeft in te schakelen, maar ook in persoon mag verschijnen. Als de zaak zeer spoedeisend is, kan het kort geding ook op zondag, buiten 'werktijd' of op een andere locatie dan in een rechtszaal plaatsvinden.

Als de gedaagde niet komt opdagen, zal de rechter de gedaagde bij verstek veroordelen, zoals de eiser dat heeft gevorderd.

Beslissing[bewerken]

De voorzieningenrechter kan besluiten de gevraagde voorzieningen geheel of gedeeltelijk toe te wijzen of te weigeren. Dit laatste doet hij ook als naar zijn oordeel de zaak te moeilijk is voor behandeling in kort geding. In dat geval zal een bodemprocedure moeten worden gevoerd. De uitspraak in het kort geding brengt geen nadeel toe aan de uitspraak in een bodemprocedure: heeft de gedaagde bijvoorbeeld op grond van het kortgedingvonnis een schadevergoeding betaald en blijkt hij die in de bodemprocedure toch niet verschuldigd te zijn, dan moet de eiser de vergoeding weer terugbetalen.

Bij een kort geding kan de rechter meteen uitspraak doen. Gebruikelijker is dat er twee weken op de uitspraak gewacht moet worden.

Incassokortgeding[bewerken]

Sommige rechtbanken hebben een speciale kortgedingprocedure in het leven geroepen voor 'incassovorderingen': onbetwiste of in redelijkheid onbetwistbare contractuele vorderingen wegens geleverde goederen of verrichte diensten. Deze procedure staat informeel bekend als het incassokortgeding. Procureurs hebben vaak de mogelijkheid om dagvaardingen in zulke zaken uit te brengen met als zittingsdatum een vaste dag en vast tijdstip in de week. Voorafgaand aan de dagvaarding moet de gedaagde onder overlegging van een kopie van de concept-dagvaarding worden gesommeerd alsnog te betalen. Deze procedure is zeer efficiënt door de snelheid van afhandeling van de zaak; bovendien kan, wanneer de procureur de schuldenaar op diens verzoek na de sommatie enige uitstel wil verlenen, eenvoudig een nieuwe datum voor de zitting worden vastgesteld, omdat elke week op hetzelfde tijdstip incassokortgedingen worden behandeld.

Kort geding in België[bewerken]

In België kunnen in spoedeisende gevallen door de voorzitters van de rechtbanken voorlopige beslissingen worden genomen over zaken die tot de bevoegdheid van hun rechtbank behoren. Dat kan zowel bij de rechtbank van eerste aanleg, bij de rechtbank van koophandel als bij de arbeidsrechtbank. Het moet dan wel gaan over dringende zaken en de beslissing is voorlopig: zij heeft geen invloed op de zaak zelf. Hiermee wordt bedoeld dat een rechter in kort geding de rechtspositie van de partijen niet definitief en onherroepelijk mag wijzigen, maar wel de feitelijke toestand. Een kort geding rechter kan dus bijvoorbeeld niet bepalen dat een contract (definitief) geldig is of dat een contract ontbonden wordt, maar wel dat een contract (voorlopig) moet blijven uitgevoerd worden.

Als de zaak ook nog behoefte heeft aan een verrassingseffect, bijvoorbeeld een schuldeiser die beslag wil laten leggen, kan er een beschikking komen op eenzijdig verzoekschrift. Deze procedure heeft niks te maken met de kort geding procedure, de enige gelijkenissen zijn dat men ook snel een uitspraak kan bekomen en dat dezelfde rechter (de voorzitter van de bevoegde rechtbank) oordeelt. De wet stelt dat dit alleen mogelijk is als absolute noodzaak aanwezig is. De tegenpartij verneemt de beslissing dan pas nadat ze genomen is; vanzelfsprekend kan hij derdenverzet aantekenen. Ook hierin zit een verschil met de beschikking uit kort geding: zij wordt gewezen op tegenspraak (dus met een tegenpartij), terwijl de procedure met het eenzijdig verzoekschrift, uit haar aard, geen tegenpartij behoeft.

Externe links[bewerken]

In Engelstalige gebieden heeft men vergelijkbare maar toch substantieel van het Nederlandse kort geding verschillende procedures. Dat zijn en:Summary judgment en en:Preliminary injunction.

Zie ook[bewerken]