Kostschool

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bioscoopjournaal uit 1947. Bij Batavia is door het departement voor Sociale Zaken een internaat opgericht waar Indische jongens een vakopleiding krijgen.
Het Presbyterian Ladies College in Sydney

Een kostschool is een onderwijsinstelling waar de studenten niet alleen studeren, maar ook kost en inwoning genieten. Een internaat (of pensionaat) is een instituut voor meestal jongeren tussen 0 en 25 jaar, die voor kortere of langere tijd buiten het gezin moeten of willen wonen, gehuisvest zijn en mogelijk daar of in de nabijheid een opleiding volgen. Onderdeel van een kostschool is onlosmakelijk een school. Bij een aantal internaten (of pensionaten) echter kan het zijn dat er geen school aanwezig is en de pupillen in de omgeving naar een school gaan.
Oorspronkelijk had een kostschool alleen leerlingen die er ook woonden. Deze leerlingen werden internen genoemd. Op vele van die scholen, verbonden aan het instituut, mochten nadien ook andere leerlingen (externen) school lopen. Twee van de beroemdste kostscholen zijn wel Rugby School en Eton College.

Indeling[bewerken]

Een klassieke kostschool beschikt over veel verschillende ruimtes voor de verschillende activiteiten, die door de begeleiders worden bepaald. Deze activiteiten hebben een vooraf bepaalde structuur en tijdstip waarop ze plaatsvinden. Deze programma's moeten strikt worden gevolgd. Tot de ruimten in een kostschool behoren de slaapzaal, de eetzaal en een studiezaal. Tevens heeft een kostschool faciliteiten zoals douches en toiletten. De meeste kostscholen hebben een speelplaats en organiseren activiteiten voor de studenten. Tegenwoordig worden de programma's opgesplitst naar leeftijd en krijgt elke leeftijdsgroep eigen verantwoordelijken.

Typen kostscholen[bewerken]

Kostscholen zijn een vorm van woonschoolsysteem, maar niet alle woonscholen zijn „klassieke“ kostscholen. Andere vormen van woonscholen zijn scholen voor gehandicapte leerlingen (bijvoorbeeld voor studenten die blind zijn, MPI's), woonscholen voor kinderen met speciale behoeften (bijvoorbeeld voor geestelijk gehandicapte studenten), en Israëlische kibboetsen, waar de kinderen in een commune worden opgeleid, maar ook dagelijks (op gespecificeerde tijden) contact met hun ouders hebben. Daarnaast zijn er in Nederland en België ook verschillende internaten voor schipperskinderen, bijvoorbeeld in Dordrecht, Maasmechelen, Nieuwegein, Rotterdam en Terneuzen.
Tot het midden van de twintigste eeuw bestonden de meeste van dergelijke R.K.-instituten veelal uit een drie-eenheid, namelijk een pensionaat (ofwel internaat), een klooster voor de geestelijken die er lesgaven en/of het internaat beheerden en een school. De school was er veelal niet alleen voor de internaatspupillen maar ook voor jongeren uit de omgeving (de zogenaamde externen). Tevens bestonden en bestaan er internaten die opleiden tot geestelijke binnen een kerk, zoals (groot-)Seminaries, klein-Seminaries en Juvenaten.

In Vlaanderen is er een trend om internaat en school meer en meer los te koppelen. Op een internaat verblijven dan leerlingen die op verschillende scholen in de buurt onderwijs volgen. De avondactiviteiten zoals eten, studeren, ontspannen, brengen ze dan wel nog samen in het internaat door, evenals het overnachten. Daarom is de term internaat er gebruikelijker: het accent ligt op de opvoedings- en verblijfsfunctie, minder op de onderwijsfunctie. De term kostschool duidt dan meer op een internaat met eigen school voor alle inwonende leerlingen. Verder vindt men het woord voornamelijk in vertalingen van Engelse literatuur.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]