Kransslagader

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kransslagader
Arteria coronaria

} Latijn1 =

Slagader
vooraanzicht met de arteria coronaria dextra en de ramus interventricularis anterior
vooraanzicht met de arteria coronaria dextra en de ramus interventricularis anterior
Gray491.png
Synoniemen
Oudgrieks Arteria cardiaca[1]

Arteria cordis coronaria[1]

Naslagwerken
MeSH A07.231.114.269
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De kransslagaders[2] of arteriae coronariae[3] zijn twee uit de aorta ontspringende slagaders die de hartspier zelf van bloed voorzien. De linker kransslagader (Engels: left coronary artery (LCA)) heeft na de hoofdstam een splitsing in twee takken, de ramus interventricularis anterior (Engels: left anterior descending (LAD)) en de ramus circumflexus (Engels: circumflex artery), de rechter kransslagader wordt de arteria coronaria dextra (Engels: right coronary artery (RCA)) genoemd. Een kransslagader kan door atherosclerose vernauwd of verstopt raken, waardoor pijn op de borst optreedt (angina pectoris) bij een vernauwing, of een hartinfarct door verstopping. De vernauwing kan in beeld worden gebracht met een hartkatheterisatie (Coronairangiografie of CAG), of met een CT-scan. De kransslagaders worden beschouwd als eindarterieën, omdat ze de enige bloedtoevoer naar de hartspier zijn. Er is maar weinig reserve, als er een slagader wordt afgesloten is dat meestal dadelijk kritiek.

Anatomie van de kransslagaders[bewerken]

De twee kransslagaders ontspringen aan de linkerharthelft uit het eerste gedeelte, de wortel van de aorta, vlak boven de aortaklep. De linker kransslagader ontspringt daarbij uit de linker sinus aortae, de rechter uit de rechter - een sinus is een halvemaanvormige klep.

Varianten[bewerken]

Bij vier procent van de mensen wordt een derde kransslagader gevonden, die posterior (de achterste) wordt genoemd. Heel af en toe heeft iemand maar één kransslagader die rond de aortawortel loopt. Soms is er een verdubbeling van de kransslagader, er zijn dan twee parallel verlopende slagaders, in plaats van één. Ook kan het voorkomen dat beide kransslagaders ontspringen uit één sinus, afhankelijk van de loop van de kransslagaders kan dit meer of minder onschuldig zijn. Dit soort afwijkingen zijn aangeboren.

Dominante kransslagader[bewerken]

De slagader die de ramus descendens posterior (PDA, posterior descending artery) van bloed voorziet is de dominante kransslagader.[4] Als deze ramus descendens posterior (PDA) een tak is van de rechterkransslagader (70%), zegt men dat het systeem rechts dominant is, is ze een tak van de linkerkransslagader (20%), dan noemt men het links dominant, wordt deze PDA door beide van bloed voorzien (10%), dan spreekt men van co-dominantie.[4] Anatomisch zou je de slagader die de AV-knoop van bloed voorzien de dominante moeten noemen, meestal is dit de rechter.

Bloedtoevoer naar de papillairspieren[bewerken]

De papillairspieren verbinden links de mitralisklep (de klep tussen linker boezem en de linkerkamer) met de linkerventrikel. In de rechter harthelft verbinden ze de tricuspidalisklep (de klep tussen rechter atrium en de rechterventrikel) met de wand van het hart. Als deze kleppen niet goed functioneren, kan er bloed terug stromen als de kamers samentrekken. De voorste groep papillairspieren krijgen dikwijls bloed van twee kanten: van de ramus descendens anterior en van de ramus circumflexus sinister (LCX).[5] Daardoor kan deze spiergroep over het algemeen vermindering van de doorbloeding (ischemie) goed doorstaan. Anderzijds wordt de achterste papillairspier meestal alleen door de PDA van zuurstof voorzien.[5] Daardoor is deze spier veel kwetsbaarder. Een myocardinfarct gaat daardoor vaak gepaard met mitralisinsufficiëntie wanneer de PDA erbij betrokken is.

Bloedstroom door de kransslagaders[bewerken]

Tijdens het samentrekken van de kamer (systole), worden de takken van de kransslagaders die aan de binnenzijde onder het endocard (dus binnen de hartspier) liggen, dichtgedrukt door de hoge druk die dan ontstaat. De doorbloeding van de hartspier moet dus plaatsvinden tijdens de ontspanning van de hartspier, de diastole, wanneer de vaten in de hartspier open zijn en geen hoge druk te verduren hebben. Wanneer de bloedstroom naar de hartspier tekort schiet, noemen we dat ischemie. Mannen voelen dit vaak als pijn op de borst, vrouwen als benauwdheid. Dit heet angina pectoris. Wanneer er hartspiercellen afsterven spreken we van een myocardinfarct of hartinfarct. De meeste bloedvaten vernauwen in reactie op noradrenaline. De kransslagaders zijn voornamelijk voorzien van betareceptoren en verwijden juist als reactie op stimulatie door adrenaline. Alfa-agonisten geven daardoor maar weinig vaatvernauwing.

Anastomoses[bewerken]

Een anastomose is een verbinding tussen twee slagaders. Er is wel enige verbinding tussen de takken van de twee kransslagaders, maar functioneel zijn het eind-slagaders. De anastomosen functioneren niet zo dat de een de afsluiting van de ander kan compenseren, wat de bloedvaten elders, zoals in de hand, wel kunnen. Wanneer een gebied bloed krijgt van twee slagaders, kan geleidelijke afsluiting van een van de twee wel opgevangen worden. In het meest gangbare patroon van kransslagaders zijn er drie gebieden met anastomosen: Kleine takken van de LAD (ramus anterior descendens), een tak van de linker kransslagader ontmoet de rechterkransslagader in de groeve tussen de beide hartkamers. Meer naar boven is er een anastomose tussen de ramus circumflexus (van de linker kranslagader) en de rechter kransslagader in diezelfde groeve. Er is ook een anastomose tussen takken van de twee kransslagaders in het tussenschot.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Citefout: Onjuiste tag <ref>; er is geen tekst opgegeven voor refs met de naam Schreger1805
  2. Pinkhof, H. (1923). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen. Haarlem: De Erven F. Bohn.
  3. His (1895). Die anatomische Nomenclatur. Nomina Anatomica. Der von der Anatomischen Gesellschaft auf ihrer IX. Versammlung in Basel angenommenen Namen. Leipzig: Verlag von Veit & Comp.
  4. a b Fuster, V; Alexander RW, O'Rourke RA, Hurst's The Heart, 10th, McGraw-Hill, 2001, p. 53 ISBN 0-07-135694-0.
  5. a b Voci P, Bilotta F, Caretta Q, Mercanti C, Marino B (1995). Papillary muscle perfusion pattern. A hypothesis for ischemic papillary muscle dysfunction. Circulation 91 (6): 1714–8 . PMID:7882478.