Kritik der praktischen Vernunft
Kritik der praktischen Vernunft is de titel van het tweede hoofdwerk van Immanuel Kant. Het werk wordt ook wel als de "tweede Kritik" aangeduid (naast de "Kritik der reinen Vernunft" en de "Kritik der Urteilskraft"), en het verscheen in 1788.
Hierin behandelt Kant zijn moraalfilosofie/ethiek en het geldt tot op heden als één van de belangrijkste werken over de praktische filosofie.
Inhoud |
Het categorisch imperatief [bewerken]
Kant leidt de principes van de moraal direct af uit de menselijke rede, in plaats van uit een goddelijk voorschrift. Kernpunt van het werk is de leer van de categorische imperatief, die als kenmerk van de moraliteit de strikte veralgemeniseerbaarheid van persoonlijke handelingsprincipes (grondstelling) belichaamt.
Moreel handelen is volgens Kant handelen conform het categorische imperatief. De mens is als redelijk wezen vrij, en kan naar de principes van de rede handelen. Deze vaardigheid kan het instinctmatig en lustgeleide handelen evenzo overwinnen, als het handelen uit pragmatische of tactische motieven.
Afleiding van de zeden [bewerken]
De principes van de praktische rede (praktische Vernunft) zijn hetzij subjectieve grondstellingen, die voor de eigen wil geldigheid vereisen, of objectieve wetten, die voor iedere redelijke wil maatgevend zijn. Bepaalt de rede zelf volledig de wil, dan is het daaruit voortvloeiende objectief noodzakelijke principe een categorische imperatief.
Subjectieve wilsdoelen van het vermogen tot begeren hebben een empirisch karakter, want hun ontstaansreden is de gezochte verhouding tot het thema van de werkelijkheid. Naar de maatstaf van deze wilsdoelen is het niet mogelijk, een voor ieder geldige verplichting in de vorm van een algemene wet op te stellen. Praktische algemeen geldende wetten van de zuivere rede, wier objectieve noodzakelijkheid a priori vastgesteld wordt, kunnen daardoor alleen op een enkel formeel wilsdoel betrekking hebben. De zuivere rede vereist de van alle causaliteit vrije wil, om zich aan een algemene wet, de zeden, te verplichten.
De loutere vorm van de algemene wet bepaalt de vrije autonome wil van de zuivere rede.
De mens heeft als autonoom redelijk wezen de vaardigheid van directe kennis van zijn wil, en verheft zich in de praktische rede boven zijn empirisch karakter en zijn afhankelijkheid van de buitenwereld. Hij is vrij in zijn handelen volgens zedelijke regels.
Zie ook [bewerken]
| Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Kritik der praktischen Vernunft op Wikisource |
Literatuur [bewerken]
- Giovanni B. Sala: Kants 'Kritik der praktischen Vernunft'. Ein Kommentar. Darmstadt 2004, ISBN 3-534-15741-9 (Eerste algemeen commentaar, in het Duits, met nauwkeurige annotaties, veeleisend.)
- Theodor W. Adorno: Probleme der Moralphilosophie. Frankfurt am Main 1996, ISBN 3-518-58225-9 (Adorno houdt zich in deze voordracht uit het jaar 1963 uitsluitend bezig met de Moraalfilosofie van Kant.)