Kuitbeen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kuitbeen
Fibula
Bot
Botten van de onderste ledemaat
Botten van de onderste ledemaat
Synoniemen
Latijn Sura[1][2][3][4]

Perone[5]

Oudgrieks Περόνη[1][6]
Naslagwerken
Gray's Anatomy 62,260
MeSH A02.835.232.043.650.321
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Het kuitbeen[7] of fibula[8][9] is het bot dat zijdelings van het scheenbeen is geplaatst, en aan de boven- en onderkant ermee verbonden is. Het is het kleinste van de twee, en in verhouding tot de lengte, is het het dunste lange bot van alle menselijke beenderen. Aan de bovenzijde is het kuitbeen tevens verbonden met de knie, aan de onderkant met het sprongbeen.

Naamgeving[bewerken]

Algemeen[bewerken]

Bij de naamgeving van het kuitbeen kan men natuurlijk het onderscheid maken tussen de herkomst van de Nederlandse naam kuitbeen en het Latijnse equivalent fibula. De geschiedenis van de naam fibula en de termen waar deze naam op gebaseerd is, kan men verder terugvoeren naar specifieke vindplaatsen in de werken van de anatomen uit het begin van de vroegmoderne tijd als die van de klassieke oudheid, dan bij de geschiedenis van de naam kuitbeen. De begrippen uit de klassieke talen zijn vaak nog vaak terug te vinden in de landstalen van vele Europese landen. De naam kuitbeen is moeilijker in verband te brengen met werken van de beroemde internationaal geöriënteerde anatomen. Eerst zullen de Latijnse en Griekse begrippen worden behandeld, vervolgens de namen die daarvan afgeleid zijn, alvorens over te gaan naar een bespreking van de herkomst van het begrip kuitbeen.

Latijn & Grieks[bewerken]

Fibula binnen de anatomie[bewerken]

De Latijnse naam fibula komt in het anatomisch Latijn voor het eerst voor bij de zestiende-eeuwse anatoom Andreas Vesalius in zijn magnum opus De humani corporis fabrica septi libri (Zeven boeken over de bouw van het menselijk lichaam).[4]

Hij schrijft:
περόνη, Latinis autem sura & fibula vocatum.[1]
(περόνη, in het Latijn ook sura en fibula genoemd).

Het woord fibula in zijn werk kan als een letterlijke vertaling van het Oudgriekse woord περόνη gezien worden.[4] Naast een gedetailleerde beschrijving van het menselijke lichaam, voerde Vesalius in zijn De fabrica ook een hervorming van de anatomische naamgeving door.[10][11] Hij verving vele Oudgriekse, Arabische en middeleeuws-Latijnse woorden door goede Latijnse benamingen.[11] Zijn Latijn zou in zijn tijd zeker in de smaak zijn gevallen bij Latinisten.[12] Een kenmerk is dat hij veelal de voorkeur gaf aan begrippen uit het klassieke Latijn.[10] Al komt het woord fibula wel voor in het klassieke Latijn,[3] het wordt echter niet gebruikt binnen de anatomie.[4] In de middeleeuwen, voor de uitgave van De fabrica, gebruikte men in plaats van fibula onder andere het woord περόνη in de Latijnse vorm perone,[5] naast vele andere begrippen gebaseerd op (vertalingen van) het Arabisch.[5]

Al is περόνη in verscheidene varianten en afleidingen in menig moderne taal wel blijven voortbestaan, de Latijnse termen die voor fibula bestonden zijn veelal in de vergetelheid geraakt. Ook in de officiële Latijnse nomenclatuur, zoals vastgelegd in de Nomina Anatomica (thans Terminologia Anatomica) gebruiken consequent fibula voor het kuitbeen.[8][13] [14][15][16][17][18][19][20][9]

Vesalius[1] noemde (in bovenstaand citaat) naast het begrip fibula ook nog de term sura. In het hedendaagse medische Latijn wordt de term sura gebruikt in de betekenis van kuit,[21] een gebruik dat in het klassieke Latijn ook voorkomt.[3][4] De Romeinse encyclopedist Aulus Cornelius Celsus gebruikte sura echter ook in de betekenis van kuitbeen.[2][3][4]

Περόνη binnen de anatomie (I)[bewerken]

Het woord περόνη in de betekenis van kuitbeen kan teruggevonden worden bij de Griekse arts Galenus[6] en zijn voorganger Hippocrates.[22][4] Bij de oude Grieken was het gebruik van de term περόνη verre van eenduidig. Zo gebruikt Hippocrates περόνη ook nog in twee andere betekenissen, namelijk voor het spaakbeen [6] en voor de epifyse van het bot.[6] Deze naamuitwisseling voor het kuitbeen en het spaakbeen is echter minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt. Vooral in de middeleeuwen zijn er tal van begrippen die zowel voor het kuitbeen als voor het spaakbeen worden gebruikt.[5]

Bij de Griekse schrijver en paardenliefhebber Xenophon komt περόνη voor in zijn werk Περί Ιππικής voor een ligament onder de knie van het paard .[6] Binnen de anatomie in het huidige Griekenland wordt in het Nieuwgrieks περόνη vooral gebruikt voor het kuitbeen.[23][24][25][26]

Περόνη buiten de anatomie[bewerken]

Het woord περόνη heeft als algemene betekenis dat van speld of pin[27][6] of de pin in een gesp.[28] Het woord is afgeleid van het werkwoord πείρειν[28][27][6] met de betekenis: (met een punt) doorboren,[28] doorsteken,[27] doorklieven [27] of oversteken.[27] Περόνη zou ook afgeleid (kunnen) zijn van περᾶν,[29] doorsteken/doorboren.[27][6] Dit Oudgriekse woord gaat terug op een Indogermaanse wortel per-,[27][29] met de betekenis doorsteken, oversteken, doorboren.[27][29]

Περόνη binnen de anatomie (II)[bewerken]

In het oude Griekenland werd veel anatomisch onderzoek uitgevoerd op dieren en niet op mensen.[4][30] De naamgeving περόνη voor het kuitbeen is wellicht het eerst gegeven na anatomisch onderzoek op dierlijke cadavers.[28] Bij sommige dieren heeft het kuitbeen namelijk puntige uiteinden.[28] Bij de mens ontbreken deze duidelijke puntige uiteinden.[28] De naam περόνη lijkt dan vooral ook vanuit etymologisch oogpunt geschikt te zijn als benaming van het kuitbeen bij dieren, maar niet bij mensen. Waarschijnlijk is het Hippocrates geweest die de naam περόνη ook ging gebruiken als naam voor het kuitbeen van de mens.[4] Er zijn in de anatomie meerdere gevallen bekend, waarbij het anatomische begrip meer de situatie beschrijft zoals deze voorkomt in dieren dan in de mens.[4][31] Het werk van Vesalius staat bekend om de vele correcties die Vesalius doorvoerde werden in de onjuiste anatomische beschrijvingen van de Griekse arts Galenus,[11] echter Vesalius lijkt de naam περόνη, zoals deze ook voorkomt bij Galenus, niet 'inhoudelijk' te hebben gecorrigeerd door de naam te vertalen met fibula.

Fibula buiten de anatomie[bewerken]

Het Romeinse woord fibula betekent in het klassieke Latijn net zoals περόνη, speld.[3] en specifiek haarspeld,[32] gesp [32] of doekspeld.[32] Het woord is een samentrekking van figibula [3][4] of mogelijk fivibula.[29] Het woord is uiteindelijk te herleiden naar het werkwoord figere,[4] vastmaken [3] of in het geval van fivibula teruggaand op de variant fivere.[29] Het woord bestaat uit het achtervoegsel –dhlā, dat ook voorkomt in subula.[32]

De fibula diende bij de Romeinen (en bij de Grieken) om losse gewaden, zoals de chlamys, het pallium, het sagum en het paludamentum bij de schouder of de hals vast te maken.[4] In dit opzicht is het betekenisbereik van fibula en περόνη redelijk overeenkomstig. De onderliggende grondbetekenis van de werkwoorden waar περόνη respectievelijk fibula op teruggaan is echter wel anders (met een punt doorboren versus vastmaken).

Moderne talen[bewerken]

Algemeen[bewerken]

In de moderne talen komen zowel termen voor die terugggaan op fibula als begrippen die teruggaan op περόνη. In meedere talen komen beide begrippen voor, maar er is wel veelal een specifieke voorkeur.

Engels[bewerken]

In het Engels gebruikt men gewoonlijk het begrip fibula[33][34][35]. Soms wordt ook peroneal bone gebruikt,[36], waarbij peroneal eigenlijk met betrekking tot het kuitbeen[37] betekent. In dat opzicht is de naam peroneal bone dan ook (lichtelijk) pleonastisch.

Frans[bewerken]

In het Frans komen zowel fibule [37] als péroné [22][36][38][39][40][26] voor. Péroné is echter veruit het gebruikelijkste in het Frans.[41] Het woord péroné komt al sinds 1541 voor in het Frans.[42]

Spaans[bewerken]

In het Spaans komt men gewoonlijk peroné [37][43][44][26] Toch zijn er een aantal Spaanstaligen werken uit de zestiende eeuw, die kort na het werk van Vesalius uit 1543 verschenen, namelijk van Valverde (1556) en van Fragroso (1581), die wel het woord fibula gebruikten.[45]

Portugees[bewerken]

Het Portugees kent het woord perónio.[26] In het Oudgrieks is περόνιον de verkleiningsvorm van περόνη,[6] in de betekenis van pinnetje.[6] De vorm in het Portugees zou mogelijk hierop kunen teruggaan. Anderzijds komt perónio ook als bijvoeglijk naamwoord voor.[26]

Italiaans[bewerken]

In het Italiaans komt men perone[37][46][47][26] tegen, maar ook fibula [22][39] en het soortgelijke fibbia.[22] De laatste betekent ook gewoon gesp [48][47][49] in het Italiaans.

Nederlands[bewerken]

Het Nederlandse kuitbeen is een samenstelling van kuit en been. Er zijn meerdere Europese talen waarin een soortgelijke samenstelling bestaat, zoals het Engelse calfbone,[50] het Duitse Wadenbein.[36][51][26] het Zweedse vadben [52][26] en het Noorse leggbeinet.[26] De eerste delen van deze samenstellingen, Engels Calf,[53] Duits Wade,[51] Zweeds vad [54] en Noors legg [55] betekenen allemaal kuit.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c d Vesalius, A. (1555). De humani corporis fabrica libri septem. Bazel, p.167
  2. a b Heister, B.D.L. (1777). Compendium anatomicum. Totam rem anatomicam brevissime complectens. Edinburgh: Gul. Creech et Gul. Schaw.
  3. a b c d e f g Lewis, C.T. & Short, C. (1879). A Latin dictionary founded on Andrews' edition of Freund's Latin dictionary. Oxford: Clarendon Press.
  4. a b c d e f g h i j k l m Hyrtl, J. (1880). Onomatologia Anatomica. Geschichte und Kritik der anatomischen Sprache der Gegenwart. Wien: Wilhelm Braumüller. K.K. Hof- und Unversitätsbuchhändler.
  5. a b c d Fonahn, A. (1922). Arabic and Latin anatomical terminology. Chiefly from the Middle Ages. Kristiania: Jacob Dybwad.
  6. a b c d e f g h i j Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.
  7. Kloosterhuis, G. (1965). Praktisch verklarend zakwoordenboek der geneeskunde (9de druk). Den Haag: Van Goor Zonen.
  8. a b His, W. (1895). Die anatomische Nomenclatur. Nomina Anatomica. Der von der Anatomischen Gesellschaft auf ihrer IX. Versammlung in Basel angenommenen Namen. Leipzig: Verlag Veit & Comp.
  9. a b Federative Committee on Anatomical Terminology (FCAT) (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme
  10. a b Ivanova, A. & Holomanova, A. (2001). Anatomic nomenclature by Vesalius. Bratisl Lek Listy, 102,169–173.
  11. a b c Dirckx, J.H. (2006). Anatomical nomenclature: History. In Brown, Keith (Red.) Encyclopedia of language and linguistics (2de uitgave). Volume 1. Amsterdam: Elsevier, 244–252.
  12. Nutton, V. (2012). Vesalius revised. His annotations to the 1555 Fabrica. Medical History, 56(4), 415-443.
  13. Kopsch, F. (1941). Die Nomina anatomica des Jahres 1895 (B.N.A.) nach der Buchstabenreihe geordnet und gegenübergestellt den Nomina anatomica des Jahres 1935 (I.N.A.) (3. Auflage). Leipzig: Georg Thieme Verlag.
  14. Stieve, H. (1949). Nomina Anatomica. Zusammengestellt von der im Jahre 1923 gewählten Nomenklatur-Kommission, unter Berücksichtigung der Vorschläge der Mitglieder der Anatomischen Gesellschaft, der Anatomical Society of Great Britain and Ireland, sowie der American Association of Anatomists, überprüft und durch Beschluß der Anatomischen Gesellschaft auf der Tagung in Jena 1935 endgültig angenommen. (Vierte Auflage). Jena: Verlag Gustav Fischer.
  15. International Anatomical Nomenclature Committee (1955). Nomina Anatomica . London/Colchester:Spottiswoode, Ballantyne and Co. Ltd.
  16. Donáth, T. & Crawford, G.C.N. (1969). Anatomical dictionary with nomenclature and explanatory notes. Oxford/London/Edinburgh/New York/Toronto/Syney/Paris/Braunschweig: Pergamon Press.
  17. International Anatomical Nomenclature Committee (1966). Nomina Anatomica. Amsterdam: Excerpta Medica Foundation.
  18. International Anatomical Nomenclature Committee (1977). Nomina Anatomica, together with Nomina Histologica and Nomina Embryologica. Amsterdam-Oxford: Excerpta Medica.
  19. International Anatomical Nomenclature Committee (1983). Nomina Anatomica, together with Nomina Histologica and Nomina Embryologica. Baltimore/London: Williams & Wilkins
  20. International Anatomical Nomenclature Committee (1989). Nomina Anatomica, together with Nomina Histologica and Nomina Embryologica. Edinburgh: Churchill Livingstone.
  21. Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  22. a b c d Schreger, C.H.Th.(1805). Synonymia anatomica. Synonymik der anatomischen Nomenclatur. Fürth: im Bureau für Literatur.
  23. Mirambel, A. (1960). Petit dictionnaire Français-Grec moderne/Grec Moderne-Français. Paris: G.-P. Maisonneuve & Larose.
  24. Divry, G.C. (red.) (1982). Divry’s modern English-Greek and Greek-English desk dictionary. New York: D.C. Divry. Inc., Publishers.
  25. Lindenburg, M.A. (1989). Woordenboek Nieuwgrieks-Nederlands. Delft: Eburon.
  26. a b c d e f g h i Schleifer, S.K. (Ed.) (2011). Corpus humanum, The human body, Le corps humain, Der menschliche Körper, Il corpo umano, El cuerpo humano, Ciało człowieka, Människokroppen, Menneskekroppen, Τό ανθρώπινο σῶμα, ЧЕЛОВЕК. FKG.
  27. a b c d e f g h Muller, F. (1932). Grieksch woordenboek. (3de druk). Groningen/Den Haag/Batavia: J.B. Wolters’ Uitgevers-Maatschappij N.V.
  28. a b c d e f Kraus, L.A. (1844). Kritisch-etymologisches medicinisches Lexikon (Dritte Auflage). Göttingen: Verlag der Deuerlich- und Dieterichschen Buchhandlung.
  29. a b c d e Klein, E. (1971). A comprehensive etymological dictionary of the English language. Dealing with the origin of words and their sense development thus illustration the history of civilization and culture. Amsterdam: Elsevier Science B.V.
  30. Staden, H. von (1991). The discovery of the body: Human dissection and its cultural contexts in Ancient Greece. The Yale Journal of Biology and Medicine, 65, 223-241.
  31. Triepel, H. (1910). Die anatomischen Namen. Ihre Ableitung und Aussprache. Mit einem Anhang: Biographische Notizen.(Dritte Auflage). Wiesbaden: Verlag J.F. Bergmann.
  32. a b c d Wageningen, J. van & Muller, F. (1921). Latijnsch woordenboek. (3de druk). Groningen/Den Haag: J.B. Wolters’ Uitgevers-Maatschappij
  33. Dorland, W.A.N. & Miller, E.C.L. (1948). The American illustrated medical dictionary. (21st edition). Philadelphia/London: W.B. Saunders Company.
  34. Dirckx, J.H. (Ed.) (1997).Stedman’s concise medical dictionary for the health professions. (3rd edition). Baltimore: Williams & Wilkins.
  35. Anderson, D.M. (2000). Dorland’s illustrated medical dictionary (29th edition). Philadelphia/London/Toronto/Montreal/Sydney/Tokyo: W.B. Saunders Company.
  36. a b c Arnaudov, G.D. (1964). Terminologia medica polyglotta. Latinum-Bulgarski-Russkij-English-Français-Deutsch. Sofia: Editio medicina et physcultura.
  37. a b c d Foster, F.D. (1891-1893). An illustrated medical dictionary. Being a dictionary of the technical terms used by writers on medicine and the collateral sciences, in the Latin, English, French, and German languages. New York: D. Appleton and Company.
  38. Leflot-Soetemans, C. & Leflot, G. (1975). Standaard Geneeskundig woordboek Frans-Nederlands. Antwerpen-Amsterdam: Standaard Uitgeverij.
  39. a b Sliosberg, A. (1975). Elsevier’s medical dictionary in five languages. English/American / French / Italian / Spanish and German. (2de uitgave). Amsterdam/Oxford/New York: Elsevier’s Scientific Publishing Company.
  40. Gladstone, W.J. & Roche, P. (1990). Dictionnaire anglais-français des sciences médicales et paramédicales/English-French dictionary of medical and paramedical sciences. (3rd edition). Québec: Edisem/Paris: Maloine.
  41. Barone, R. (1986). An urgent reform: French anatomic terminology. Surgical Radiological Anatomy, 8, 85-88.
  42. Dauzat, A., Dubois, J., & Mitterand, H. (1964). ‘’Nouveau dictionnaire étymologique et historique.’’ Paris: Librairie Larousse.
  43. Spalteholz, W., Tortella, E.P. & Vilahur Pedrals, J. (1975). Atlas de anatomía humana. Tomo primero. Huesos, articulaciones y ligamentos. (Negende uitgave) Barcelona: Editorial Labor, S.A.
  44. Vosters, S.A. (1984). Nederlands Spaans Spaans Nederlands. Utrecht/Antwerpen: Uitgeverij Het Spectrum.
  45. García Jáuregui, C. (2010). La formación de la terminología anatómica en Español. Salamanca: Universidad de Salamanca.
  46. Bas Backer, J.E. (1933). Italiaansch-Nederlandsch Nederlandsch-Italiaansch woordenboekd. Deel II. Nederlandsch-Italiaansch. Zutphen: W.J. Thieme & Cie.
  47. a b Langenscheidt (1990). Langenscheidt Standard dictionary Italian. Italian-English English-Italian. Berlin/Munich: Langenscheidt KG.
  48. Lankhout, A. (1932). Italiaansch-Nederlandsch Nederlandsch-Italiaansch woordenboekd. Deel I. Italiaansch-Nederlandsch. Zutphen: W.J. Thieme & Cie.
  49. Standaard Producties (1998). Standaard klein woordenboek. Italiaans-Nederlands/Nederlands-Italiaans. Antwerpen: Standaard Producties.
  50. Barker, L.W. (1907). Anatomical terminology with special reference to the [BNA]. With vocabularies in Latin and English and illustrations. Philadelphia: P. Blakiston’s Son & Co.
  51. a b Schaldach, H. (1975). Wörterbuch der Medizin. Berlin: VEB Verlag Volk und Gesundheit.
  52. Boer-Den Hoed, P.M. (1953). Zweeds handwoordenboek. Tweede deel. Nederlands-Zweeds. Den Haag: G.B. van Goor Zonen’s U.M. N.V.
  53. Martin, W., & Tops, G.A.J. (1989). Van Dale groot woordenboek Engels-Nederlands (Tweede druk). Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie.
  54. Boer-Den Hoed, P.M. (1956). Zweeds handwoordenboek. Eerste deel. Zweeds-Nederlands. (2de druk). Den Haag: G.B. van Goor Zonen’s U.M. N.V.
  55. Kirkeby, W. (1970). Gyldendals Ordbøker. Nors-Engelsk. Oslo: Gyldendal Norsk Forlag.