Lager beroepsonderwijs
Het Lager Beroeps Onderwijs (LBO) was een onderwijsvorm in Nederland die van 1968 tot in 1992 heeft bestaan. Het LBO viel destijds onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en werd volledig door de rijksoverheid bekostigd. De onderwijssoort werd geregeld in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) uit 1963.
De opleiding had een nominale studieduur van vier jaar (leeftijd 12 tot 16 jaar), werd gevolgd na acht jaar basisonderwijs (leeftijd 4 tot 12 jaar) en maakte deel uit van het Nederlandse systeem van beroepsonderwijs.
Het LBO had veel verschillende opleidingen en legde de basis voor een loopbaan in verschillende beroepssectoren. Leerlingen konden zowel algemeen als beroepsgericht onderwijs volgen. Een belangrijk onderdeel van de opleiding was de stageperiode. Doorstroming naar verschillende vormen van Middelbaar Beroeps Onderwijs (MBO) was, onder voorwaarden, mogelijk.
Binnen het LBO waren de verschillende opleidingssectoren te onderscheiden. Hieronder vielen:
- Lager Technisch Onderwijs (LTO). Dit was een voorbereiding op vakopleidingen in de bouw-, elektro- motorvoertuigen- en installatietechniek, en consumptieve, mechanische en grafische techniek. Daarnaast had het LTO ook opleidingen in het Lager Nautisch Onderwijs, dat voorbereidde op beroepen als matroos, baggeraar en haven- en vervoerbedrijfmedewerker.
- Lager Huishoud- en Nijverheids Onderwijs (LHNO). Dit was een voorbereiding op beroepen in de verzorging, textielverwerking, uiterlijke verzorging en de kantoor- en verkooppraktijk.
- Lager Agrarisch Onderwijs (LAO). Dit was een voorbereiding op beroepen in de dierhouderij, de levensmiddelenfabricage, de planten- en bloementeelt, en bloemschikken en de aanleg en het onderhoud van tuinen.
- Lager Middenstands Onderwijs (LMO). Dit was een voorbereiding op de zelfstandige uitoefening van de detailhandel en het dienstverleningsbedrijf.
- Lager Economisch en Administratief Onderwijs (LEAO). Dit was een voorbereiding op beroepen in de kantoor-, verkoop- en winkelpraktijk.
Leerlingen deden examen in zes of zeven vakken. De leerlingen kozen in ieder geval twee beroepsgerichte vakken. De overige vakken waren algemene vakken. Het examen op verschillende niveaus (A, B en C en D) worden afgelegd, afhankelijk van de persoonlijke kwaliteiten en studieresultaten van de leerling. De niveauaanduidingen gaven de zwaarte van het programma aan, waarbij A stond voor het lichtste programma en D voor het zwaarste.