Landbouw in Vlaanderen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Druivenserres in Vlaams-Brabant
Suikerbieten worden van het land gehaald bij Tienen

De land- en tuinbouw in Vlaanderen heeft traditioneel een familiaal karakter, maar wordt, net als de landbouw in andere regio’s, in toenemende mate gekenmerkt door schaalvergroting, specialisering, innovatie en verbreding. Intensieve sectoren maken in Vlaanderen het grootste deel van de landbouw uit: varkens-, pluimvee- en melkveehouderij, groenten en fruit, sierteelt. In Wallonië ligt de nadruk op akkerbouw en extensieve grondgebonden veeteelt.

Structurele aspecten[bewerken]

Aantal landbouwbedrijven in Vlaanderen en gemiddelde oppervlakte per bedrijf, 2001-2011

Vlaanderen telde in 2013 24.884 landbouwbedrijven, waarvan 73% met beroepsmatig karakter (standaard output van minstens 25.000 euro). Het aantal landbouwbedrijven is ten opzichte van 2004 met 30% teruggelopen. Dat betekent een daling van gemiddeld bijna 4% per jaar. Vooral kleinere bedrijven stoppen. In tien jaar tijd is de gemiddelde oppervlakte cultuurgrond per bedrijf met 40% gestegen tot 25 hectare. De schaalvergroting laat zich ook voelen in de gemiddelde veebezetting per bedrijf. Een gemiddeld rundveebedrijf telt vandaag 119 dieren, een varkensbedrijf 1.848 en een pluimveebedrijf 47.092.

De land- en tuinbouw bewerkte in 2013 een areaal van 622.738 ha of 46% van de Vlaamse oppervlakte. Daarvan nemen voedergewassen met 56% het grootste aandeel voor hun rekening. Ten opzichte van 10 jaar geleden is de oppervlakte cultuurgrond met 1,7% gedaald. Dat komt door de inkrimping van het akkerbouwareaal en dan vooral van het suikerbietenareaal onder invloed van de Europese suikerhervorming. De bewerkte oppervlakte is voor 36% in eigendom, de rest is in pacht.

De land- en tuinbouw wordt gekenmerkt door een sterke specialisatiegraad. Bijna negen op de tien bedrijven zijn gespecialiseerd in een van de drie subsectoren. 54% van de bedrijven heeft als specialisatie veeteelt, 21% akkerbouw en 13% tuinbouw.

De biologische landbouw nam in Vlaanderen in 2013 een areaal van 5.065 hectare in, 0,8% van de totale cultuuroppervlakte. Het aantal biologische bedrijven bedraagt 319 eenheden. De laatste jaren nemen het areaal en het aantal bedrijven gestaag toe, mede onder impuls van het Strategisch Actieplan Biologische Landbouw, waarvan de tweede editie loopt van 2013 tot 2017.

Economisch belang[bewerken]

De Vlaamse land- en tuinbouwsector realiseerde in 2014 een eindproductiewaarde van 5,5 miljard euro. Van de totale productiewaarde neemt de veeteelt 65% in, de tuinbouw 26% en de akkerbouw 9%. De vijf belangrijkste landbouwproducten zijn varkensvlees (1,46 miljard euro),melk en melkderivaten (844 miljoen euro) rundvlees (712 miljoen euro), groenten (602 miljoen euro) en sierteeltproducten (512 miljoen euro).

In 2013 zijn er 51.583 personen regelmatig tewerkgesteld in de Vlaamse land- en tuinbouw. Omgerekend naar voltijdse arbeidskrachten (minstens 38 uren per week of 20 dagen per maand) en rekening houdend met de niet-regelmatig tewerkgestelden in de sector, zijn dat 41.141 voltijdse arbeidskrachten of gemiddeld 1,65 per bedrijf. 34% van de totale voltijdse arbeid is terug te vinden op gespecialiseerde veeteeltbedrijven (melkproductie, varkens, rundvee en pluimvee), 32% op tuinbouwbedrijven, 13% op akkerbouwbedrijven en 19% op gemengde bedrijven.

België heeft in 2013 een handelsoverschot van 4,9 miljard euro in de handel in landbouwproducten. De invoer klokte af op 34,5 miljard euro, de uitvoer op 39,4 miljard euro. Enkele belangrijke exportproducten zijn chocoladeproducten (2,1 miljard euro), aardappelbereidingen en varkensvlees (elk 1,4 miljard euro), bier en diepvriesgroenten (elk 1,1 miljard euro). België heeft een aandeel van 8% in de totale agrarische uitvoer van de EU-28 en prijkt daarmee op de vijfde plaats in het EU-klassement, na Duitsland, Nederland, Frankrijk en Spanje. Vlaanderen neemt 80% van de Belgische landbouwexport voor zijn rekening.

Het aandeel van de landbouw, inclusief bosbouw en visserij, in de totale bruto toegevoegde waarde bedraagt in Vlaanderen 0,9%. Gemiddeld in de Europese Unie bedraagt dat kengetal 1,7%. Kroatië, Letland, Roemenië en Bulgarije zitten bij 5% en meer. Ten opzichte van het gemiddelde van de Europese Unie en onze buurlanden neemt de varkenssector in Vlaanderen een groter aandeel van de productiewaarde van de landbouw in. Akkerbouw neemt daarentegen een kleiner percentage voor zijn rekening.

Regionale spreiding[bewerken]

Landbouwtyperingskaart, Vlaanderen, 2010

Het belang van de landbouwsector in Vlaanderen is regionaal gebonden. Een landbouwtyperingskaart geeft het resultaat weer van een classificatie van gemeenten met een gelijkaardige landbouwactiviteit. De typische regio’s zijn herkenbaar: fruit rond Sint-Truiden, glasgroenten ten noorden vanSint-Katelijne-Waver, sierteelt ten oosten van Gent, rundvee in de Vlaamse Ardennen en het Pajottenland en ten slotte intensieve veehouderij (varkens en pluimvee) verspreid over West-Vlaanderen, het Meetjesland, het Waasland en de Kempen. Rond Mechelen is er een streek met overwegend openluchtgroenten. In de omgeving van Leuven komt akkerbouw in combinatie met intensieve veehouderij voor. De Gentse sierteeltstreek wordt omgeven door een gebied met de combinatie intensieve veehouderij en rundvee. De streek rond Geel, Malle en Peer wordt geklasseerd als melkvee en intensieve veehouderij.

De verklaring voor deze variatie ligt in de geschiedenis en in bodemfysische factoren. Veredelingsbedrijven hebben zich gevestigd in de onmiddellijke nabijheid van de mengvoederindustrie en de slachthuizen. De groente- en fruitteelt is geconcentreerd rond de veilingen en de afgeleide industrie. Akkerbouw vindt vooral op de rijke gronden plaats en veeteelt op armere gronden.

Landbouw en milieu[bewerken]

Eco-efficiëntie van de Vlaamse landbouw, index: 2001 = 100%, 2001-2010

Om een beeld te krijgen van de eco-efficiëntie van de landbouw plaatsen we drukindicatoren tegenover een economische indicator. In de periode 2007-2012 blijft de eindproductiewaarde min of meer stabiel, terwijl de milieudrukindicatoren sterk evolueren. Bij de emissie van zeer fijn stof, het fosforkunstmestgebruik en de druk door chemische bestrijdingsmiddelen verbetert de eco-efficiëntie dankzij het gevoerde mestbeleid, de stijgende kunstmestprijzen en de omschakeling naar aardgas in de glastuinbouw. Daarentegen zorgen de toenemende veestapel vanaf 2008 en het toenemende aantal warmte-krachtkoppelingen in de glastuinbouw ervoor dat inspanningen voor het milieu zich niet vertalen in een daling van het energiegebruik, de broeikasgasemissie en de potentieel verzurende emissie.

Het netto primaire energiegebruik door de landbouwsector bedraagt in 2012 24.916 TJ. De glastuinbouw blijft met 46% de grootste energiegebruiker. Het aandeel van aardgas stijgt van 21% in 2007 tot 58% in 2012 terwijl het aandeel petroleum in die periode daalt tot 35%. Zware stookolie is helemaal weggedeemsterd, van 21% naar 2%. Sinds 2010 is de Vlaamse landbouwsector een nettoproducent van elektriciteit. Het teveel aan zelf geproduceerde elektriciteit uit een eigen WKK of zonnepanelen wordt in de praktijk immers terug op het net gezet en wordt dus niet noodzakelijk door de landbouwsector zelf gebruikt.

Het aandeel van de landbouw in de totale Vlaamse broeikasgasemissie bedraagt 10% in 2011. Het relatief grote aandeel van de landbouw is te wijten aan het feit dat 53% van de lachgas (N2O)-emissie en 76% van de methaan (CH4)-emissie uit de landbouw komt. Aangezien beide gassen een veel zwaarder broeikaseffect hebben dan koolzuurgas (CO2), komt de landbouw aan een groter aandeel in de totale broeikasgasemissie dan de economische grootte en het energiegebruik van de sector doet vermoeden. In 2011 bedroeg de totale emissie van broeikasgassen uit de landbouw 8.636 kton CO2-eq, een daling met 19% t.o.v. 1990. Nochtans neemt de emissie sinds 2008 weer toe met 3,5%. Methaanuitstoot is vooral afkomstig van verteringsprocessen uit de veehouderij. Lachgasemissie komt grotendeels direct uit de bodem.

Landbouwbeleid[bewerken]

De landbouw- en voedingssector is via allerlei complexe interacties verbonden met de rest van de economie. Verdergaande mondialisering beïnvloedt de sector diepgaand. Ook andere internationale ontwikkelingen hebben een impact op de landbouw in Vlaanderen: de groeiende wereldbevolking, de klimaatverandering, de uitputting van fossiele brandstoffen en niet-hernieuwbare grondstoffen, de prijsschommelingen van voedingsproducten, de omgang met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s). De landbouwsector zal ook in de toekomst geconfronteerd worden met een verdere liberalisering van de wereldhandel en een globalisering van de voedselketens.

Het hervormde Gemeenschappelijk landbouwbeleid is voor de periode 2014-2020 sterk verweven met de globale EU 2020-strategie voor een slimme, duurzame en inclusieve groei. Het GLB mikt op een versterkt concurrentievermogen, een verbeterde duurzaamheid en een verhoogde doeltreffendheid. De steun wordt anders verdeeld tussen en binnen de EU-lidstaten. De rechtstreekse steun wordt ‘groener’ door het invoeren van drie verplichte vergroeningspraktijken. Het belang van het plattelandsbeleid neemt toe.

In Vlaanderen hebben de landbouwers in 2013 258,8 miljoen euro aan rechtstreekse steun ontvangen. De toeslagrechten namen daar 228,2 miljoen euro van in en de zoogkoeienpremie 27,3 miljoen euro. 23% van de totale rechtstreekse steun ging in de periode 2007-2012 naar de melkveehouderij. Daarnaast gaat een aanzienlijk deel naar de vleesveehouderij, de akkerbouw, gemengd akkerbouw/rundvee, gemengd rundvee en veeteeltcombinaties. De bedrijfstypes varkenshouderij en tuinbouw ontvangen traditioneel weinig of geen rechtstreekse steun. Voor de totale land- en tuinbouwsector bedraagt het aandeel van de rechtstreekse steun in het bedrijfsinkomen gemiddeld 24%.

Voor het plattelandsontwikkelingsprogramma waren er in Vlaanderen in 2013 115,2 miljoen euro overheidsuitgaven. In de periode 2007-2013 ging 67% van het budget naar de verbetering van het concurrentievermogen (voornamelijk investeringen in landbouwbedrijven), 20% naar de verbetering van het milieu (vooral agromilieumaatregelen zoals de beheerovereenkomst water) en 9% naar de leefkwaliteit op het platteland. De sectoren varkens en pluimvee, melkvee en glastuinbouw ontvingen de meeste pijler 2-steun.

Sociale aspecten[bewerken]

De gemiddelde leeftijd van de bedrijfshoofden van beroepslandbouwbedrijven is de afgelopen jaren gestegen van 48 jaar in 2004 tot 52 jaar in 2013. 11% van de bedrijfshoofden is een vrouw De vrouwelijke bedrijfshoofden zijn gemiddeld anderhalf jaar ouder dan de mannelijke. De toenemende leeftijd hangt samen met het geringe aantal jonge bedrijfshoofden. In 2013 is slechts 5%van de bedrijfshoofden jonger dan 35 jaar, zowel bij de mannelijke als de vrouwelijke bedrijfshoofden. Het aandeel 65-plussers ligt daarentegen beduidend hoger: 11% bij de mannen en 17% bij de vrouwen. Het grootste deel van de bedrijfshoofden is tussen de 50 en 55 jaar. Tien jaar geleden was dat nog tussen 40 en 45 jaar.

Uit een enquête in 2012 bij de deelnemers van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) blijkt dat de gemiddelde tevredenheid van de land- en tuinbouwers 6,5 op tien bedraagt. 64% van de respondenten is tevreden tot zeer tevreden, 25% is matig tevreden en 11% is ontevreden. Een relatief hogere tevredenheid heerst er in de akkerbouwsector. In de varkenshouderij bleken de ondervraagden relatief minder tevreden. Een pijnpunt is stress, want 52% van de respondenten heeft hoge tot zeer hoge stress. De gemiddelde inkomenstevredenheid bedraagt ook maar 4,5 op tien.

Sommige landbouwgezinnen kampen met ernstige financiële moeilijkheden of psychische en relationele problemen. Het aantal landbouwers in nood die aankloppen bij de vzw Boeren op een Kruispunt, schommelt rond de 200 aanmeldingen per jaar.

Innovatie[bewerken]

Innovatie is van groot belang voor de economische ontwikkeling van de land- en tuinbouw in Vlaanderen. Innovatie helpt om de concurrentiekracht te behouden, maar kan ook tegemoet komen aan maatschappelijke uitdagingen, zoals het voeden van de groeiende wereldbevolking, het aanleveren van voldoende vezels, biomassa en biomaterialen en de beperkte beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen.

Uit een enquête uit 2014 bij land- en tuinbouwbedrijven die deel uitmaken van het LMN blijkt dat 43% van de bedrijfsleiders de voorbije twee jaar een innovatie of vernieuwing doorvoerde op het bedrijf. Dat percentage is het hoogst in de tuinbouwsector (52%) en het laagst in de rundveehouderij (35%). Binnen de tuinbouwsector heeft de sierteelt met 62% het hoogste aandeel innoverende bedrijven.

De resultaten tonen aan dat procesinnovaties het meest voorkomen. Meer dan de helft van de bedrijven investeert voornamelijk in machines en infrastructuur zoals stallen en serres. Daarna volgen innovaties in de vermarkting, zoals de overstap naar een ander afzetkanaal of de start met diverse vormen van korteketenverkoop. Op de derde plaats staan organisatorische innovaties, zoals de aanwerving van extra arbeidskrachten, de bedrijfsovername door een nieuwe bedrijfsleider en de aanpassing van de juridische structuur.

Landbouw binnen het agrobusinesscomplex[bewerken]

De landbouwsector staat niet alleen, maar maakt deel uit van een veel ruimer agribusinesscomplex. Naast de land- en tuinbouwsector spelen daarin vooral de agrarische toelevering, de voedingsindustrie en de handel een belangrijke rol. De tendens is dat een steeds kleiner aantal bedrijven toch steeds meer omzet en toegevoegde waarde produceert. Het Vlaamse agrobusinesscomplex telt volgens de laatst beschikbare cijfers 35.471 bedrijven, noteert een omzet van 61 miljard euro, stelt 159.0104 personen tewerk en is goed voor een netto toegevoegde waarde van 8,4 miljard euro. De voedingsindustrie is de grootste werkgever en levert het grootste aandeel van de omzet en de netto toegevoegde waarde.

Een belangrijk knelpunt is de voor de landbouw nadelige prijsvorming. De landbouwer wordt geconfronteerd met stijgende grondstofprijzen die zich vertalen in hogere productiekosten. De inputprijzen, de kosten voor bv. energie, veevoeder en machines, vertonen zowel in België als in de EU een stijgende trend. Aan de inkomstenzijde is er sprake van lagere en volatielere afzetprijzen. Die prijsvolatiliteit heeft enerzijds te maken met de afbouw van de marktondersteuning op Europees niveau, waardoor landbouwbedrijven gevoeliger geworden zijn voor evoluties op de wereldmarkt. Anderzijds moet de primaire sector optornen tegen geconsolideerde ketenschakels zoals verwerking en distributie. Hun macht is vergroot door schaalvergroting en concentratie.

Literatuur[bewerken]

Externe links[bewerken]