Landbouw in Vlaanderen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Druivenserres in Vlaams-Brabant
Suikerbieten worden van het land gehaald bij Tienen

De land- en tuinbouw in Vlaanderen heeft traditioneel een familiaal karakter, maar wordt, net als de landbouw in andere regio’s, in toenemende mate gekenmerkt door schaalvergroting, modernisering en verbreding. Intensieve sectoren maken in Vlaanderen het grootste deel van de landbouw uit: varkens-, pluimvee- en melkveehouderij, groenten en fruit, sierteelt. In Wallonië ligt de nadruk op akkerbouw en extensieve grondgebonden veeteelt.

Economisch belang[bewerken]

De Vlaamse land- en tuinbouwsector realiseerde in 2012 een eindproductiewaarde van 5,7 miljard euro. Dat is de hoogste waarde van de afgelopen tien jaar. Van de totale productiewaarde neemt de veeteelt 60,5% in, de tuinbouw 27% en de akkerbouw 12,5%. De vijf belangrijkste landbouwproducten zijn varkensvlees (1,6 miljard euro), rundvlees (690 miljoen euro), groenten (670 miljoen euro), melk en melkderivaten (630 miljoen euro) en sierteeltproducten (530 miljoen euro).

In 2011 zijn er 51.530 personen regelmatig tewerkgesteld in de Vlaamse land- en tuinbouw. Omgerekend naar voltijdse arbeidskrachten en rekening houdend met de niet-regelmatig tewerkgestelden in de sector, zijn dat 40.828 voltijdse arbeidskrachten. 42% daarvan werkt op gespecialiseerde veeteeltbedrijven (melkproductie, varkens, rundvee en pluimvee), 31% op tuinbouwbedrijven, 11% op akkerbouwbedrijven en 16% op gemengde bedrijven.

België heeft in 2011 een handelsoverschot van 3,1 miljard euro in de handel in landbouwproducten. Zowel de invoer als de uitvoer steeg. Enkele belangrijke exportproducten zijn diepvriesgroenten, varkensvlees, aardappelen en aardappelbereidingen, fruit en chocoladeproducten. België prijkt op de vierde plaats in het EU-klassement van agro-exporteurs, na Nederland, Duitsland en Frankrijk. Vlaanderen neemt 81% van de Belgische landbouwexport voor zijn rekening.

Structurele aspecten[bewerken]

Aantal landbouwbedrijven in Vlaanderen en gemiddelde oppervlakte per bedrijf, 2001-2011

Vlaanderen telde in 2011 25.982 landbouwbedrijven, waarvan 73% met beroepsmatig karakter. Het aantal landbouwbedrijven is ten opzichte van 2001 met een derde teruggelopen. Dat betekent een daling van 4% per jaar. Vooral kleinere bedrijven stoppen. In tien jaar tijd is de gemiddelde oppervlakte cultuurgrond per bedrijf met 46% gestegen tot 23,6 ha. De schaalvergroting laat zich ook voelen in de gemiddelde veebezetting per bedrijf. Een gemiddeld rundveebedrijf telt vandaag 111 dieren, een varkensbedrijf 1.700 en een pluimveebedrijf 42.606.

De land- en tuinbouw bewerkte in 2011 een areaal van 613.860 ha. Daarvan nemen voedergewassen met 55% het grootste aandeel voor hun rekening. Ten opzichte van 10 jaar geleden is de oppervlakte cultuurgrond met 3% gedaald. Dat komt volledig op rekening van de voedergewassen, waarvan het areaal met 9% verminderde. De uitbreiding van de graan- en aardappeloppervlakte zorgde daarentegen voor een toename van het akkerbouwareaal met 10%. In de tuinbouwsector kromp het groenteareaal in, maar tegelijk nam de oppervlakte sierteelt toe. De bewerkte oppervlakte is voor 35% in eigendom, de rest is in pacht.

De land- en tuinbouw wordt gekenmerkt door een sterke specialisatiegraad. Bijna negen op de tien bedrijven zijn gespecialiseerd in een van de drie subsectoren. 56% van de bedrijven heeft als specialisatie veeteelt, 19% als specialisatie akkerbouw en 13% als specialisatie tuinbouw.

De biologische landbouw nam in Vlaanderen in 2011 een areaal van 4.563 ha in, 0,6% van de totale cultuuroppervlakte. Het aantal biologische bedrijven bedraagt 282 eenheden, een netto-toename van 26 stuks in vergelijking met 2010. De laatste jaren nemen het areaal en het aantal bedrijven gestaag toe, mede onder impuls van het Strategisch Actieplan Biologische Landbouw, dat in 2013 aan zijn tweede editie toe is, voor de periode 2013-2017.

Regionale spreiding[bewerken]

Landbouwtyperingskaart, Vlaanderen, 2010

Het belang van de landbouwsector in Vlaanderen is regionaal gebonden. Een landbouwtyperingskaart geeft het resultaat weer van een classificatie van gemeenten met een gelijkaardige landbouwactiviteit. De typische regio’s zijn herkenbaar: fruit rond Sint-Truiden en groenten rond Sint-Katelijne-Waver, Roeselare en Hoogstraten. Sierteelt wordt beoefend rond Gent. De varkenshouderij is thuis in West-Vlaanderen, het Meetjesland, het Waasland en de Kempen. Melkvee is belangrijk in de Vlaamse Ardennen en het Pajottenland en in combinatie met de veredeling in de Kempen. Rundvee komt vooral voor in de regio rond Brugge, het zuiden van West- en Oost-Vlaanderen en in combinatie met akkerbouw in Vlaams-Brabant en Zuid-Limburg.

De verklaring voor deze variatie ligt in de geschiedenis en in bodemfysische factoren. Veredelingsbedrijven hebben zich gevestigd in de onmiddellijke nabijheid van de mengvoederindustrie en de slachthuizen. De groente- en fruitteelt is geconcentreerd rond de veilingen en de afgeleide industrie. Akkerbouw vindt vooral op de rijke gronden plaats en veeteelt op armere gronden.

Landbouw en milieu[bewerken]

Eco-efficiëntie van de Vlaamse landbouw, index: 2001 = 100%, 2001-2010

De eco-efficiëntie van de Vlaamse landbouw is tussen 2001 en 2008 toegenomen, want het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en nutriënten en de emissie van broeikasgassen en fijn stof vertoonden een dalende trend. Drijvende krachten daarachter zijn het gevoerde mestbeleid en de conjunctuur, die een afname van de veestapel veroorzaakten. Ook schaalvergroting versterkte de dalende trend van emissies en brongebruik, net als rationeel energiegebruik en de omschakeling naar aardgas in de glastuinbouw. Vanaf 2009 is er opnieuw een lichte stijging van een aantal milieudrukindicatoren: verzurende emissies, broeikasgassen en fijn stof. Oorzaken zijn de opnieuw groeiende veestapel en het stijgende energieverbruik door het toenemende aantal warmte-krachtkoppelingen in de glastuinbouw.

De landbouw gebruikte in 2010 20,5 miljoen m³ water. Dat ligt in dezelfde lijn als het gebruik in 2005 en 2009, maar is meer dan in 2007 en 2008. Voornamelijk weersomstandigheden verklaren het verschil in watergebruik. Van dat water is 57% grondwater en 32% hemelwater. Het directe energiegebruik van de landbouw bedraagt in 2010 28.800 Tera Joule (TJ). Dat is een stijging ten opzichte van 2008 en 2009. Het aandeel van aardgas (45%) is in 2010 voor het eerst groter dan dat van petroleum (LPG, benzine en stookolie) (42%). De glastuinbouw is de grootste gebruiker van water en energie.

In 2010 bedroeg de totale emissie van de broeikasgassen methaan (CH4), lachgas (N2O) en koolzuurgas (CO2) uit de landbouw 9.048 kton CO2-equivalenten. Dat is een daling met 16% tegenover 1990 en van 6% tegenover 2001. De landbouw neemt wel nog een aandeel van 11% in de totale broeikasgasemissie in, want 53% van de N2O-emissie en 77% van de CH4-emissie komt uit de landbouw. Methaanuitstoot is vooral afkomstig van verteringsprocessen uit de veehouderij.Lachgasemissie komt grotendeels direct uit de bodem.

Landbouwbeleid[bewerken]

Ontwikkelingen op internationaal vlak hebben een impact op de landbouw in Vlaanderen en Europa: de groeiende wereldbevolking, de klimaatverandering, de uitputting van fossiele brandstoffen en niet-hernieuwbare grondstoffen, de prijsschommelingen van voedingsproducten, de omgang met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s). De landbouwsector zal ook in de toekomst geconfronteerd worden met een verdere liberalisering van de wereldhandel en een globalisering van de voedselketens. Het Gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013 moet beter inspelen op diverse uitdagingen op het vlak van de voedselproductie, de omgang met het leefmilieu en de natuurlijke hulpbronnen en de evenwichtige territoriale ontwikkeling. Het beleid staat minder op zich, maar is geïntegreerd in de EU 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei.

In Vlaanderen hebben de landbouwers in 2011 265,6 miljoen euro aan rechtstreekse steun ontvangen. De toeslagrechten namen daar 229,4 miljoen euro van in. De zoogkoeienpremie was goed voor 28,6 miljoen euro en de slachtpremie kalveren voor 5,7 miljoen euro. 55% van de totale rechtstreekse steun ging in de periode 2008-2010 naar de bedrijfstypes melkveehouderij, vleesveehouderij en de gemengde rundveebedrijven. Ook de akkerbouwbedrijven nemen een aanzienlijk percentage in, terwijl de bedrijfstypes varkenshouderij en tuinbouw traditioneel weinig of geen rechtstreekse steun ontvangen. Voor de totale land- en tuinbouwsector bedraagt het aandeel van de rechtstreekse steun in het bedrijfsinkomen gemiddeld 26%.

Voor het plattelandsontwikkelingsprogramma waren er in Vlaanderen in 2011 118,6 miljoen euro overheidsuitgaven. Budgettair gezien waren de belangrijkste maatregelen investeringen in landbouwbedrijven (53%), beheerovereenkomst water en diversificatiesteun (elk 8%) en vestigingssteun voor jonge landbouwers (6%). Een kwart van het PDPO-budget gaat naar milieudoeleinden, waarvan de agromilieumaatregelen het grootste deel voor hun rekening nemen. Deze hebben als doel de landbouwproductie te verzoenen met bepaalde milieu- en natuurdoelstellingen, zoals de vermindering van het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, de bescherming van de flora en de fauna op percelen in landbouwgebruik en de bestrijding van erosie. Plattelandsontwikkelingssteun is in de totale land- en tuinbouwsector goed voor 9% van het bedrijfsinkomen.

Sociale aspecten[bewerken]

De gemiddelde leeftijd van de bedrijfshoofden van beroepslandbouwbedrijven in Vlaanderen is de afgelopen jaren continu gestegen van 49 jaar in 2005 tot 51 jaar in 2010. Uit de leeftijdspiramide blijkt dat bijna 11% van de bedrijfshoofden ouder is dan 65 jaar. Nog geen 2% is jonger dan 30 jaar. Ongeveer een vijfde is tussen 45 en 50 jaar. Slechts 14% van de bedrijfshoofden ouder dan 50 jaar beschikt over een vermoedelijke opvolger. Vooral bij de kleinere bedrijven is de opvolging niet gegarandeerd.

Het opleidingsniveau van de Vlaamse landbouwbedrijfsleiders is gestaag gestegen. In 2010 bedroeg het aandeel bedrijfsleiders met een volledige landbouwopleiding 34%. In 2005 was dat nog maar 30%. Vooral kleine bedrijven worden vandaag geleid door bedrijfsleiders met enkel praktische ervaring. Hoe groter de bedrijven, hoe meer de bedrijfsleiders een hogere opleiding genoten hebben. De jongere bedrijfsleiders zijn doorgaans beter opgeleid. Het percentage bedrijfsleiders jonger dan 40 jaar met een volledige landbouwopleiding bedraagt 61% ten opzichte van 30% voor de oudere landbouwers.

Uit een enquête in 2012 bij de deelnemers van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) blijkt dat de gemiddelde tevredenheid van de land- en tuinbouwers 6,5 op tien bedraagt. 64% van de respondenten is tevreden tot zeer tevreden, 25% is matig tevreden en 11% is ontevreden. Een relatief hogere tevredenheid heerst er in de akkerbouwsector. In de varkenshouderij bleken de ondervraagden relatief minder tevreden. Een pijnpunt is stress, want 52% van de respondenten heeft hoge tot zeer hoge stress. De gemiddelde inkomenstevredenheid bedraagt ook maar 4,5 op tien.

Sommige landbouwgezinnen kampen met ernstige financiële moeilijkheden of psychische en relationele problemen. Het aantal landbouwers in nood die aankloppen bij de vzw Boeren op een Kruispunt, schommelt over de periode 2007-2001 rond de 200 aanmeldingen per jaar.

Innovatie[bewerken]

Innovatie is van groot belang voor de economische ontwikkeling van de land- en tuinbouw in Vlaanderen. Innovatie helpt om de concurrentiekracht te behouden, maar kan ook tegemoet komen aan maatschappelijke uitdagingen, zoals het voeden van de groeiende wereldbevolking, het aanleveren van voldoende vezels, biomassa en biomaterialen en de beperkte beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen.

Uit een enquête bij land- en tuinbouwbedrijven die deel uitmaken van het LMN blijkt dat 52% van de respondenten de voorbije vijf jaar een of meerdere innovaties doorvoerde. In de tuinbouw is dat zelfs 64%. Daarna volgt de intensieve veehouderij met 56%. In de rundveehouderij, akkerbouw en bij de gemengde bedrijven is het percentage innoverende bedrijven iets lager dan de helft. In vergelijking met 2007 is het percentage innoverende bedrijven in alle sectoren sterk gestegen.

De resultaten tonen aan dat bedrijven in 2012 vooral innoveren in verbeteringen in het productieproces op het bedrijf. Daarna volgen vermarktingsinnovaties, organisatorische innovaties en productinnovaties. Concrete voorbeelden van innovatie zijn nieuwe of aangepaste stallen, automatisering, de installatie van WKK’s, investeringen in zonne-energie, de oprichting van een landbouwvennootschap, kwaliteitsverbeteringen en het starten met thuisverkoop of een webwinkel. De voorbeelden tonen aan dat het vooral gaat om vernieuwingen op het niveau van de bedrijven en minder voor de volledige sector.

Landbouw binnen het agrobusinesscomplex[bewerken]

De landbouwsector staat niet alleen, maar maakt deel uit van een veel ruimer agribusinesscomplex. Naast de land- en tuinbouwsector spelen daarin vooral de agrarische toelevering, de voedingsindustrie en de handel een belangrijke rol. De tendens is dat een steeds kleiner aantal bedrijven toch steeds meer omzet en toegevoegde waarde produceert. Het Vlaamse agrobusinesscomplex telt volgens de laatst beschikbare cijfers 40.466 bedrijven, noteert een omzet van 43,8 miljard euro, stelt 154.015 personen tewerk en is goed voor een toegevoegde waarde van 6,5 miljard euro.

Een belangrijk knelpunt is de voor de landbouw nadelige prijsvorming. De landbouwer wordt geconfronteerd met stijgende grondstofprijzen die zich vertalen in hogere productiekosten. De inputprijzen, de kosten voor bv. energie, veevoeder en machines, vertonen zowel in België als in de EU een stijgende trend. Aan de inkomstenzijde is er sprake van lagere en volatielere afzetprijzen. Die prijsvolatiliteit heeft enerzijds te maken met de afbouw van de marktondersteuning op Europees niveau, waardoor landbouwbedrijven gevoeliger geworden zijn voor evoluties op de wereldmarkt. Anderzijds moet de primaire sector optornen tegen geconsolideerde ketenschakels zoals verwerking en distributie. Hun macht is vergroot door schaalvergroting en concentratie.

Literatuur[bewerken]

Externe links[bewerken]