Agrariër

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Landbouwer)
Ga naar: navigatie, zoeken
Bioscoopjournaal uit 1946. Middelbare scholieren uit de stad helpen in hun vakantie boeren op het land.
Ploegende boer.
Een Amerikaanse boer in een schommelstoel leest de Progressive Farmer. Foto: G. W. Ackerman, 1931.
Een oude boerin door Pieter Bruegel de Oude, ca. 1563.

Een agrariër of boer is iemand die leeft van landbouw of veeteelt. Een agrariër die een man is, woont vaak met zijn vrouw, de 'boerin', op een boerderij op of bij zijn land.

Een boer met weinig land of weinig dieren wordt wel een keuterboer genoemd. Iemand die op andermans land in loondienst werkt, heet een landarbeider. In de antropologie wordt verder de peasant (kleine boer) onderscheiden.

Nederland[bewerken]

Cijfers[bewerken]

De laatste vijfentwintig jaar is het aantal agrarische bedrijven in Nederland sterk gedaald. In 1980 waren er 144.994 landbouwbedrijven, daarvan waren er in 2004 nog 83.885 over. Ook het aantal mensen werkzaam in de landbouw is gedurende die jaren sterk afgenomen: van 265.467 in 1980 tot 167.824 in 2004. Het grootste akkerbouwbedrijf in Nederland is de maatschap Koninklijke Maatschap Wilhelminapolder uit het Zeeuwse Wilhelminadorp met 1880 hectare grond, waarvan 1300 hectare landbouwgrond. Een van de grootste veeteeltbedrijven ligt in het Limburgse Vredepeel, waar 1200 koeien melk geven. Varkenshouder Van Genugten in Best heeft ruim 33.000 varkens. De grootste pluimveehouder was Van Deurzen uit Groesbeek met 300.000 kippen. Na jarenlange procedures door omwonenden en de milieubeweging werd dit bedrijf uiteindelijk gesloten.

Opleiding[bewerken]

Er zijn verscheidene opleidingen om agrariër te worden. De Agrarisch opleidingscentra (AOC's) verzorgen de agrarische beroepsopleidingen. Het Wageningen University & Research centre in Wageningen verzorgt wetenschappelijke opleidingen en leidt niet direct op tot het beroep van boer alhoewel sommige afgestudeerden een eigen boerenbedrijf hebben.

Geschiedenis[bewerken]

De boer of agrariër is ontstaan in de neolithische revolutie toen de mens in plaats van te jagen sedentair werd. Een perceel bos werd platgebrand en enige tijd beplant of beweid. Zodra de grond was uitgeput trok men naar een volgend perceel. Door de uitvinding van bemesting werd het mogelijk zich permanent te vestigen. Zo ontstonden boerendorpen waaromheen men landbouw en veeteelt bedreef.

Gedurende de middeleeuwen verloren veel boeren hun vrijheid door het feodale stelsel. Enkele boeren wisten zich te handhaven en behielden hun vrijheid en hun erf. Deze werden weerboeren (wehrbauer) genoemd. In de late middeleeuwen gingen deze vrije boeren over tot het pachten van grond van adellijke grondbezitters. De onvrije boeren volgden later. Hierdoor ontstond in Noord-Nederland en Noord-Duitsland een groot verschil in aanzien en invloed tussen herenboeren, keuterboeren en landarbeiders. In de negentiende eeuw leidde dit verschil tot sociale spanningen in met name Friesland, Drenthe en Groningen.

Zoek dit woord op in WikiWoordenboek