Laurens Praalder

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Laurens Praalder 81 jaar oud, getekend in 1792
De tekst onder dit door de graficus Pieter Hendrik Jonxis (1757-1843) in 1778 vervaardigde medaillon luidt: "LAURENS PRAALDER, / Lector der Fundatie, van wijlen de hoogwelgeb: Vrouwe / Douariere van Renswoude te Utrecht. / Lid van verscheiden Genootschappen"

Laurens Praalder (Schagen, 6 september 1711Utrecht, 18 april 1793, bijgezet in de Geertekerk Utrecht op 24 april 1793, ook wel Lauwrens Praalder, Lauwerens Praalder of Lauwerens Praelder [1] , en door sommige bewonderaars ook wel bijgenaamd "den Nederlandschen Euler") was een Nederlands wiskundige, en daarnaast ook bouwmeester, cartograaf en leermeester in de navigatie.

Levensloop[bewerken]

Leraar in Zuidschermer[bewerken]

Praalder begon als leraar in Zuidschermer (in het Westfries: "Sûdskirmare").

Leermeester aan het Zeemanscollege te Rotterdam[bewerken]

Daarna werd hij van 1751-1761 leermeester in de stuurmanskunde en de wiskunde en tevens "Examinateur voor de Stuurlieden te Rotterdam" (daartoe aangesteld door de Admiraliteit van de Maze, deels betaald door Rotterdamse Kamer van de Vereenigde Oostindische Compagnie, VOC), en dreef als zodanig het Zeemanscollege te Rotterdam. Financiële problemen ontstonden bij hem, toen de VOC zijn salaris niet volledig uitbetaalde.

Lector aan de Fundatie te Utrecht[bewerken]

Vervolgens werd hij (op aandringen van de Utrechtse hoogleraar Hieronymus van Alphen, de grootvader van de gelijknamige dichter, en de burgemeester en VOC bestuurder Gerard Aarnout Hasselaar) van augustus 1761 tot 1 november 1792 Lector bij de "Fundatie der Douarière Baronesse Van Reede, Vrijvrouwe van Renswoude" (zoals deze stichting toen heette), te Utrecht. De Fundatie was in 1757 gesticht na uitvoering van het testament van Maria Duyst van Voorhout, vrijvrouwe van Renswoude en werd in eerste aanleg geleid door een verlicht regentenbestuur. Het was oorspronkelijk een instelling die hoogbegaafde wezen een opleiding bezorgde. De Fundatie had ook vestigingen in Delft en Den Haag, waar hij tevens examinator was.

Als docent hechtte Laurens Praalder belang aan een grondige basisvorming in de Wiskunde, en de koppeling die hij vandaar uit maakte naar de praktijkopleidingen van de kwekelingen van de Fundatie was gericht op het bieden van kennis die de alumni in staat zou stellen een bijdrage te leveren aan de vooruitgang binnen de beroepen waarvoor zij werden opgeleid.

De familie Praalder woonde op de Nieuwegracht in het huis 'Onder de Linden'.

Het gebouw van de Fundatie van de Vrijvrouwe van Renswoude aan de Agnietenstraat 3-5 te Utrecht.

Wiskundeleraar van Belle van Zuylen[bewerken]

Belle van Zuylen kreeg van Praalder les in de door hem verder ontwikkelde Cartesiaanse wiskunde. Als enige vrouw in haar tijd volgde zij lessen aan de Universiteit van Utrecht, omdat vrouwen in die tijd officieel niet ingeschreven konden staan aan de universiteit kreeg ze lessen bij professor Praalder thuis. Zij had aldus veel contact met Laurens Praalder, die toentertijd woonde in de Fundatie van de Vrijvrouwe van Renswoude in de Agnietenstraat in Utrecht.

Belle heeft ook over Praalder geschreven; zij voert hem enkele jaren na zijn dood op in haar roman "Trois Femmes" (1795) als het personage van "de heer Praal", in een verhaal met aspecten die op waarheid berusten. Het verhaal verwijst naar Belle van Zuylens mening dat als je in God gelooft, het niet uitmaakt of je katholiek of protestant bent. In Trois Femmes van Belle van Zuylen doet de heer Praal een bekentenis; op een dag stellen de oudste leerlingen die graag met hun wiskundeleraar praten, hem de vraag welke godsdienst hij belijdt. Tot hun niet geringe schrik luidt zijn antwoord: "Geen enkele".

De studenten waren hierover zo verbaasd dat ze erover spraken met de kasteelheer Theobald. Deze begripvolle en vooruitstrevende man probeerde zijn pupillen gerust te stellen door erop te wijzen dat Praal uit een land komt met tal van geloofsovertuigingen en waarschijnlijk alleen heeft bedoeld geen katholiek, calvinist of lutheraan te zijn, terwijl er nog zoveel andere richtingen bestaan. De meeste mensen willen nu eenmaal graag dat iedereen een bekende, algemeen aanvaarde religie aanhangt; het zou Praal toch wel moeilijkheden kunnen bezorgen, wanneer zijn opvatting bekend werd. Theobald stelde de leerlingen daarom voor de keuze hun leraar te houden en er het zwijgen toe te doen, ofwel het risico te lopen dat hij ontslagen zou worden. Omdat de leerlingen erg op Praal gesteld waren, gaven zij er de voorkeur aan over het incident te zwijgen. Theobald liet daarop aan Praal weten dat hij in het vervolg de kwestie van de religie niet meer mocht aanroeren. De leraar antwoordde dat hij van nature niet spraakzaam is, zoals de meeste van zijn landgenoten, en dat hij niets zegt als hem niets wordt gevraagd.[2]

Gezicht vanuit de Lange Nieuwstraat te Utrecht op de voorgevel van de Fundatie van de Vrijvrouwe van Renswoude, met links de voorgevels van de Beyerskameren, getekend door Jan Bulthuis in 1789.

In een brief van 25 februari 1764 aan Constant d'Hermenches schreef Belle van Zuylen over Praalder:

"[..] ik bestudeer met de grootste ijver alle eigenschappen van de kegelsneden. Mijn leermeester, die niemand naar de mond praat, ook niet uit beleefdheid, heeft me gezegd dat hij nooit iemand met méér aanleg en evenmin ooit zulke snelle vorderingen heeft meegemaakt. Hij was vroeger schoolmeester in Noord-Holland, door zijn bekwaamheid is hij examinator geworden bij de marineofficieren in Rotterdam, nu geeft hij wiskundeles in een huis dat is opgericht door een rijke dame met de bedoeling onderricht te geven in de vrije kunsten aan begaafde kinderen uit het weeshuis. Mijn leermeester is ondanks zijn boerse uiterlijk een heel kundig man, en daarbij zo gelukkig, zo eenvoudig, zo bescheiden dat hij een goede dunk geeft van de natuurwetenschap. Mijn respect voor hem is evenredig aan de mate waarin hij zichzelf wegcijfert, en we brengen elke dag samen een paar uur door …[…] ik weet wel dat ik na een paar uur wiskunde open van geest en vrolijker van hart word. Ik verbeeld me dat ik beter slaap en eet als ik duidelijke en onbetwistbare waarheden gezien heb, dat troost me voor de duisterheden van de godsdienst en de metafysica, of liever gezegd, het doet me die vergeten; het stelt me gerust dat er tenminste iets op deze wereld zeker is." [3]

Oprichter van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen[bewerken]

In januari 1773 heeft Praalder met mr. Johannes van Haeften (1743-1812, advocaat voor "den Edelen Hove Provinciaal" van Utrecht) het "Konst-Genootschap binnen Utrecht onder de zinspreuk Besteedt den Tijd, met Konst en Vlijt" opgericht. Aanvankelijk werd met 'Konsten' de kunst van het beoefenen van wis- en natuurkunde met het oog op praktische toepassingen bedoeld. Pas veel later werd ook het bevorderen van de 'Schone Kunsten' als doel van het Genootschap gezien. Praalder was de eerste president van het genootschap. Het genootschap heeft in de loop der tijd een aantal namen gehad; het genootschap werd in 1778 omgedoopt tot "Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Konsten en Wetenschappen en enige jaren daarna tot "Provinciaal Utregtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen", daarna tot "Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen", en vervolgens tot (de huidige naam) "Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen" .

De (tweede) titel "Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Konsten en Wetenschappen" werd eerst verkregen, na een jarenlang door Praalder uitgevochten dispuut met de Staten van Utrecht, die aanvankelijk weinig ingenomen waren met de opzet en het reglement van het genootschap. De Staten waren bijzonder geprikkeld door de restrictie wegens het bepaalde in artikel 1 van de "Wetten" van het Genootschap, waarin de godgeleerdheid als onderwerp van studie werd uitgesloten. Ondanks het feit dat deze beperking onverminderd gehandhaafd bleef, werd het beoogde predicaat "Provinciaal" uiteindelijk toch verkregen (al werd Praalders overwinning al in minder dan vijf jaar verloochend, toen het predicaat wegens politieke redenen in 1798 weer (tijdelijk) verviel).

Het Genootschap telde zowel binnenlandse of gewone als buitenlandse leden. Het Genootschap heeft zich steeds tot doel gesteld, de beoefening van kunsten en wetenschappen te bevorderen. Het deed dit onder andere door het jaarlijks uitschrijven van prijsvragen, waaraan iedereen kon deelnemen, uitgezonderd de leden van het college van directeuren. De bekroonde prijsverhandelingen werden in de Verhandelingen van het Genootschap opgenomen.

Bibliografie[bewerken]

Voorblad van het boek uit 1777 van Laurens Praalder, "Mathematicus te Utrecht"
  • "Verhael van 't gepasseerde beneffens d'examen die gehouden is, ter gelegentheit der beroepinge van Adriaan Visser, tot stats schoolmeester en voorzanger te Purmarende." Rotterdam : Wed. Pieter van Gilst, 1752.
  • "Gronden der wiskonst, behelsende een klaere fondamentele instructie van de mathesis : eerste stuk / ontworpen, berekent, en in 't licht gebragt door Laurens Praelder." Rotterdam, Wed. Pieter van Gilst, 1753.

Het "tweede stuk" is nooit gepubliceerd.

  • "Verzaameling van eenige opgeloste zo bepaalde als onbepaalde mathematische voorstellen, eertyds door "den vermaarden" Ludolf van Ceulen onder den tytel van Konstige vraagen, zonder ontbindingen in 't licht gegeeven. Verrykt met noodige aanmerkingen en nuttige uitbreidingen, welken tot eene byzondere verklaaring daar toe behooren." Amsterdam, Jan Morterre, 1777.

(Derhalve anderhalve eeuw na de publicatie in 1596 van de honderd opgaven in "Vanden circkel. Daerin gheleert werdt te vinden de naeste proportie des circkels-diameter tegen synen omloop, noch de tafelen sinuum, tangentium ende secantium, ten laetsten van interest", dat geschreven was door Ludolf van Ceulen)

Laurens Praalder heeft in dit boek opzienbarende oplossingen gegeven van de eerste 70 van Van Ceulens 100 opgaven zoals deze waren geformuleerd in "Vanden circkel". De laatste 30 (niet in dit boek door hem opgeloste) opgaven gaan over intrestrekening.

  • Platte grond der Stad UTRECHT, Vertoonende alle Gragten, Straaten, Steegen, Gangen, Markten, en plaatsen der openbare Gebouwen.Gemeten en in Kaart gebragt door eenige Jongelingen in de Fundatie der Vryvrouwe van Renswoude 1776: Jan Wormerus Raven (1754-1815), Gijsbert van Tuyl (1752-1831) en Jean Paul Colognac (1746-1797) onder leiding van hun leraar Laurens Praalder en de tekenmeester J. Maurer sr.

De kaart als handgekleurde kopergravure werd gegraveerd door Reinier Vinkeles (1741-1816), uitgegeven te Utrecht door Johannes van Schoonhoven en Comp., 1778.[4]

  • Drie artikelen ingeleverd bij het P.U.G., maar niet gedrukt (1773-1775) over: 1. de Aardglobe, 2. de Watermolens, 3. de Burgerlijke tijdrekening.

Literatuur[bewerken]

  • Marian Langenbach: Laurens Praalder (1711-1793), wiskundeleraar aan de Fundatie van Renswoude en mede-oprichter van het PUG. In: Utrechtse biografieën : levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Utrechters 2, Amsterdam, Boom, 1995, p. 139-145.
  • Marian Langenbach: Onbekend talent. Leerlingen van de Utrechtse Fundatie van Renswoude 1761-1795. Zutphen, Walburg Pers, 1991. 111 p.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Doopregister Schagen geeft Louris Praalder
  2. Gebaseerd op de reprimande welke vermeld wordt in het Resolutenboek van de Utrechtse Fundatie op 11 november 1769.
  3. Belle van Zuylen, "Ik heb geen talent voor ondergeschiktheid', Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1987 p. 65-66
  4. Annotaties: Marijke Donkersloot-de Vrij, In: Kaarten van Utrecht. Topografische en thematische kartografie van de stad in vijf eeuwen. Utrecht, HES Uitgevers, 1989. p. 63, kaart 27-3