Lee Thompson (saxofonist)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Lee Thompson
Afbeelding gewenst
Algemene informatie
Volledige naam Lee Jay Thompson
Bijnamen Kix
El Thommo
Geboren 5 oktober 1957
Londen, Engeland
Land Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Werk
Genre(s) Ska, Pop, New wave
Instrument(en) Saxofoon
Act(s) Madness
Portaal  Portaalicoon   Muziek

Lee Jay Thompson (5 oktober 1957), ook wel Kix of El Thommo genoemd, is een Britse saxofonist en zanger. Hij is een van de oprichters van de ska-popband Madness.

Geschiedenis[bewerken]

Thompson groeide op als zoon van een crimineel die regelmatig in de gevangenis zat. Zelf dreigde hij ook te ontsporen; zo werd hij op zijn veertiende veroordeeld tot anderhalf jaar tuchthuis wegens het uitdelen van gestolen geld.

Na zijn vrijlating en een periode als straatbendelid koos Thompson voor de muziek, maar zijn streken zou hij nooit helemaal kwijtraken; volgens de officiële lezing zou zijn eerste saxofoon uit een volgeladen vrachtwagen zijn gevallen.

In 1976 richtte hij met partners in crime Chris Foreman (die een voordelige gitaar kon kopen omdat Thompson het prijskaartje had verwisseld) en Mike Barson de North London Invaders op; terugkerend fenomeen was de ruzie met Barson over een vermeend gebrek aan talent. Thompson verliet dan met slaande deuren de repetitie en bleef wekenlang weg. Begin 1978 kostte het hem zelfs een optreden; daarna dreigde hij definitief uit zicht te raken omdat hij met zijn ouders naar het platteland verhuisde en een baan bij een oliemaatschappij kon krijgen. Thompson bedankte voor het aanbod en sloot zich aan bij de lokale Springsteen-coverband Gilt Edge; desondanks bleef hij, waar mogelijk, met de Invaders repeteren en aan het eind van het jaar was hij terug van nooit echt weggeweest.

In 1979 veranderden de Invaders hun naam in Madness, naar een nummer van de Jamaicaanse zanger Prince Buster; Thompson schreef als eerbetoon de debuutsingle The Prince. Madness had aanvankelijk de reputatie van een band die populair was bij skinheads, maar door de humoristische videoclips ontstond al snel het beeld van een stel lolbroeken. Thompson werd als de mafste gezien en was daar niet altijd blij mee, maar desondanks bleef hij in de clips opvallende rollen spelen; van vliegende saxofonist (Baggy Trousers) en agent-met-clownsschoenen (Shut Up) tot ongeschoren huismoeder (Our House) en Hare Krishna (Yesterday's Men).

Vanaf 1982 ging Madness serieuzere muziek maken; Thompson leverde voor het anti-Thatcher-album Rise & Fall de nummers Blue Skinned Beast (over de gesneuvelde Falklandmilitairen) en Are You Coming With Me ? (over drugsverslaving). In een interview zei hij "Als je ziet wat er in je omgeving gebeurt dan schrijf je geen (onzinliedjes) meer".

Ook in zijn privé-omgeving gebeurde het een en ander; in 1984schoof hij de trouwring om de vinger van zijn vriendin Debbie Fordham (met wie hij drie kinderen kreeg) en verloor hij zijn vader tijdens diens laatste gevangenisstraf. Madness begon in deze periode aan de uiterst moeizame opnamen van Mad Not Mad, het enige album zonder Barson. Thompson kon de stress niet aan en hield zich zo veel mogelijk afzijdig. Hij werkte mee aan de volgende editie van het eveneens serieuzer geworden fanclubblad en nam onder het pseudoniem The Argonauts een coverversie op van de Kinks' Apeman met op de B-kant Under My Thumb van de Rolling Stones'; deze exclusieve single verscheen een jaar later en de opbrengsten gingen naar Greenpeace.

Mad Not Mad verscheen in oktober 1985 maar wist voorgaande successen niet te evenaren. Madness ging in 1986 uit elkaar en bracht de afscheidssingle Waiting For The Ghost Train uit; Thompson zong de r&b-achtige B-kant Maybe In Another Life.

In 1988 maakte hij met Foreman en zangers Suggs en Chas Smash het door drumcomputers en synthesizers gedomineerde album The Madness, de slechtstverkopende in de geschiedenis van de band. Het werd slechts gepromoot met een televisieoptreden en een handvol radio-interviews namens Chas Smash die de meeste nummers schreef en zong.

Nutty Boys/Crunch[bewerken]

Nadat het contract van The Madness afliep gingen Thompson en Foreman als duo verder; in 1990 brachten ze The Nutty Boys' Crunch uit dat op dezelfde manier tot stand kwam als The Madness. Zeven maanden (!) na de release was het duo een band geworden die volgens het back to basics-principe in kroegen en zalen optrad. Dit hield echter ook in dat Thompson bijverdiende als vuilnisman (om er na zes weken al mee te stoppen).

Tijdens de eerste anderhalf jaar werd er nog weleens een (minder vaak gespeeld) Madness-nummer ingezet zoals Razorblade Alley (van One Step Beyond) of Fireball XL5 (B-kant van The Sun & The Rain), maar deze verdwenen van het repertoire bij de aankondiging van de reunie.

De terugkeer van Madness schiep hoge verwachtingen omtrent nieuw materiaal, maar ondanks het uitproberen van Barsons Moondance werden deze niet waargemaakt, ook omdat iedereen z'n eigen dingen bleef doen.

Tijdens de tweede Kersttournee in 1993 dreigde Thompson, verkleed als de geest uit Disney's Aladdin, om op te stappen als Madness niet snel met nieuwe nummers over de brug zou komen. Als tussenoplossing zong hij van 1994 tot 1996 een reggaeversie van de Kinks' Lola.

In 1999 verscheen dan eindelijk het comeback-album Wonderful met de top 10-hit Lovestruck; Thompson moest echter een paar (televisie)optredens missen vanwege persoonlijke problemen; in de destijds gefilmde documentaire voor het programma Young Guns zei hij op een gegeven moment "It's time for my pill".

Vanaf de jaren 00 profileerde Thompson zich ook buiten Madness en Crunch (sinds 1995 de officiele naam); hij formeerde de kortstondige coverband Like Father Like Son (met zoon Dali op drums), woonde een half jaar in Australië in het kader van een uitwisselingsproject, deed mee aan een amateurproductie van Oliver, the Musical en was quizmaster tijdens de door fans georganiseerde House Of Fun Weekend.

In 2008 ontving de nutty grandad een speciale onderscheiding voor het feit dat hij dat jaar met vijf bands optrad, waaronder The Dance Brigade en The Camden Cowboys.

Lee Thompson Ska Orchestra[bewerken]

In 2011 richtte Thompson met Madness-bassist Mark Bedford een authentieke skaband op. Oorspronkelijk bedoeld voor een avond, maar dit was zo'n succes dat de Lee Thompson Ska Orchestra meer aanbiedingen kreeg voor optredens. Voor het Specials-tribute-album Specialized werd een cover van Racquel (B-kant van het alleen in Nederland uitgebrachte Concrete Jungle) opgenomen; bijgestaan door zwager Darren Fordham (de Chas Smash van de band) leverde Thompson ook een solo-uitvoering van Madness.

Verder hervatte hij zijn samenwerking met Dance Brigade-collega Keith Finch door een nieuw nummer bij te dragen aan diens Ska Jam-verzamel-cd.

In november 2012 speelde de LTSO tijdens de door Madness georganiseerde House of Fun Weekender; Crunch!-bassist Paul Tadman viel in voor Bedders.

In juni 2013 verscheen het debuutalbum The Benevolence of Sister Mary Ignatius (naar de Jamaicaanse non en muzieklerares), voorafgegaan door de single Fu Man Chu, een cover van Desmond Dekker met zang van UB40-producer Bitty McLean. Ook heeft de band meegewerkt aan de documentaire Rude Boy Revival.

Ondertussen houdt Thompson zijn band whore-status overeind door een nieuwe coverband op te richten en weer met Crunch! op te treden. Ook maakt hij zich, in navolging van Madness-drummer Daniel Woody Woodgate, sterk voor kankerpatienten.

Op 16 augustus speelde de LTSO voor het eerst in de Lage Landen tijdens het Brussels Summer Festival.

Op 27 april 2014 zal de tweede single verschijnen; een nieuwe versie van Bangarang met zangeres Dawn Penn en accordeoniste Sharon Shannon.