Leenstelsel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het begrip leenstelsel of leenwezen, ook wel feodaal stelsel of de feodaliteit, is een bestuursvorm waarbij de leenheer zich van de persoonlijke afhankelijkheid van zijn vazallen of leenmannen verzekerde door het uitgeven van lenen.

Omschrijving[bewerken]

Een bekende vorm van leenstelsel is het feodale leenstelsel van de Europese middeleeuwen. Toch bestond het leenstelsel al veel vroeger dan de middeleeuwen en ook buiten Europa. Zo kennen we uit Mesopotamië het Kassitisch leenstelsel dat we kennen uit de vele kudurru's die ons zijn nagelaten door de Kassieten. Op deze kudurru's werd aangegeven hoe groot het gebied was dat men in leen kreeg, wie zou genieten van deze leen en onder welke voorwaarden dit zo bleef.

Een ander leenstelsel uit de oudheid is het Laat-Romeinse leenstelsel, dat gebaseerd was op het systeem van foederati ("bondgenoten"). In ruil voor dienst in het Romeinse leger kregen ze land toegewezen dat ze mochten bewerken. Op deze manier sijpelden onder andere de Franken het Imperium Romanum binnen.

Na de val van het West-Romeinse Rijk ontstonden verscheidene Germaanse staten, die het Germaanse leenstelsel toepasten dat de basis zou vormen van het feodale stelsel. Tot de tijd van het renaissance en de opkomst van het absolutisme bleef het feodalisme de belangrijkste maatschappelijke indeling in West-Europa.

Ook in het oosten kende men een leenstelsel: het Ottomaans leenstelsel. Hierbij werden Turkse ruiters beloond voor hun diensten. Maar als tegengewicht voor deze machtig wordende ruiters zette de Ottomaanse sultan Janitsaren in, aan wie als soldaat-slaven geen grond hoefde worden geschonken.

Varianten in de geschiedenis[bewerken]

Van de oudheid tot in vrij recente tijden had een groot deel van de wereldbevolking met een leenstelsel te maken. Hieronder zijn verscheidene leenstelsels kort beschreven.

Kassitisch leenstelsel[bewerken]

De «Caillou» Michaux, een Babylonische kudurru uit de Kassitische periode, muntenkabinet van de Bibliothèque nationale de France

De Kassieten, die over Babylon heersten in de Midden-Babylonische periode (ca. 1595-1155 v.Chr.), introduceerden de kudurru in Mesopotamië. Een kudurru kan als volgt worden omschreven: "Een grenssteen, genaamd ‘kudurru’, komt overeen met een modern contract. Haar inscriptie bepaalt accuraat de grenzen van een uitgestrekt gebied van land en verzekert haar bezit, voor de toekomstige tijd, aan de persoon en zijn afstammelingen genoemd door haar bepalingen."[1] Deze kudurru's werden waarschijnlijk opgesteld in een tempel om onder bescherming van de god te staan en waren dus niet échte grensstenen. Ze dienden eerder als garantie dat het gegeven land, gegeven bleef. Toch gaat het hier om een vorm van leenstelsel, daar men geen eigenaar maar bezitter was van de grond. Zolang de bepalingen nageleefd bleven, bleef de grond in bezit van de "leners". Bij schending ervan ging de grond terug naar de instantie die het schonk.

Laat-Romeins leenstelsel[bewerken]

Omdat er steeds meer Germanen het Imperium Romanum binnendrongen, besloten de Romeinse keizers dit probleem op te lossen door de Germanen als foederati ("bondgenoten") te beschouwen en in het Romeinse leger te laten dienen, zoals al eeuwen gebeurde door middel van de auxilia. Hierdoor verwierven volkeren zoals de Franken zich gebied in het Imperium Romanum in ruil voor militaire bijstand tegen de andere Germanen die de Rijn nog niet waren overgestoken.

Middeleeuws leenstelsel[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Feodalisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Roland vouwt zijn handen ten teken van manschap aan Karel de Grote; uit een manuscript van een chanson de geste.

Het Feodalisme in de middeleeuwen wordt vaak voorgesteld als een piramide, waarbij de vorst - helemaal bovenaan - aan vertrouwelingen een bezit schenkt als leen. Dat leen maakt de vorst tot leenheer of suzerein, en de ontvanger tot leenman of vazal. Die vazal kan daarbij verder zelf als leenheer optreden en met (stukjes van) zijn leen weer diverse onderliggende leenmannen begiftigen. En zo verder.

Bijna alles wat inkomsten verschaft kan een leen zijn, alles waar de leenman dus profijt van heeft: een stuk land met rechten en inkomsten, een ambt of een functie waaraan voorrechten en inkomsten vasthangen, een geldelijke rente enz. Van zijn kant is de leenman de leenheer een aantal diensten verschuldigd: raad (deelname aan zijn hof, zijn rechtbank ...) en daad (bijvoorbeeld militaire steun), of ook financiële tussenkomst, wanneer bijvoorbeeld de oudste zoon huwt. Vandaar dat het leenstelsel zowel 'zakelijke' als 'persoonlijke' rechten bevat.
Het leenstelsel lijkt vrij rechtlijnig (de piramide), maar leidt vaak tot een erg versnipperd en ingewikkeld systeem. Daarbij cumuleren leenmannen lenen, zelfs van andere leenheren, wat bij een conflict tussen die leenheren - die de leenman telkens omwille van een ander leen zou moeten volgen - tot problemen leidt.

Op het West-Europese vasteland ontstond het leenstelsel als een uitvloeisel van de versnippering van grond en macht na Karel de Grote. In Engeland werd het geïntroduceerd na de verovering door Willem de Veroveraar in 1066, als een sterke machtsfactor in het beheersen van heel het land.

Ottomaans leenstelsel[bewerken]

Een Sipahi, op een 16de-eeuwse westerse gravure.

De Turken die het Ottomaanse Rijk hadden gesticht, beloonden hun Turkse ruiters (Timar(lu): "houder"; Sipahi) met stukken land (timar, cf heerlijkheid) voor hun diensten. Hoewel deze in principe in leen waren in ruil voor legerdienst, werden deze stukken steeds meer beschouwd als persoonlijk eigendom, zoals ook in het middeleeuwse West-Europa was gebeurd.

De Ottomaanse sultan vond echter een oplossing in de vorm van de Janitsaren: christelijke jongeren die waren geroofd uit de Balkanregio en tot slaaf werden gemaakt. Na te zijn bekeerd tot de Islam en een militaire training te hebben gekregen, werden de Janitsaren ingezet als elitetroepen van de sultan. Aldus vormden ze een tegengewicht voor de Turkse ruiters. Aan Janitsaren moest immers geen grond worden geschonken, daar ze slaven waren. Maar doordat Janitsaren steeds meer hogere posten gingen bekleden in het rijk, brokkelde de macht van de Ottomaanse sultan af. Ook de gouverneurs in de verafgelegen provincies van het rijk streefden naar meer autonomie. Dit zou uiteindelijk leiden tot de desintegratie van het rijk en de oprichting van de seculiere Turkse staat.

Japans leenstelsel[bewerken]

Het Japanse leenstelsel werd ingevoerd in 645 bij de Taika hervormingen, toen Japan naar Chinees model werd gereorganiseerd. Erfelijke titels en grondbezit ontleende men voortaan aan de keizer, zodat lokale leiders hun autonomie kwijtraakten en de macht overging naar adellijke leenheren (kugu), als bestuurders van nieuwgevormde provincies (kuni). In 1185 grijpt de militair Minamoto no Yoritomo de macht en verwerft de titel Shogun. Hij vestigt de eerste shogun-dynastie (Kamakura-shogunaat). Hofadel en adellijke titels bestaan wel voort in de luwte van het machteloze keizerlijk hof. Tot de Meiji-restauratie regeert echter de krijgersklasse, de Buke. Werkelijke macht en grondbezit is in handen van de verschillende krijgsheren, de daimyo en hun - gewoonlijk erfelijke - vazallen, de samoerai. Sommige daimyo zijn vazallen van de heersende shogun, anderen onderwerpen zich al dan niet vrijwillig aan zijn gezag. In de 15de eeuw hebben de door de daimyo beheerste grondgebieden effectief de provincies vervangen als indeling van Japan.

In 1573 werd de regerende maar verzwakte shogun-dynastie ten val gebracht door Oda Nobunaga. Zijn opvolger, Toyotomi Hideyoshi, formaliseerde het grondgebied van elk van de clans van de verschillende daimyo's, de han. Een herschikking volgde na de overwinning van Ieyasu Tokugawa bij Sekigahara. Nadien is het stelsel, met ongeveer 300 han, tot aan de Meiji-restauratie in stand gebleven. Aan het hoofd van een han stond een daimyo, met een domein dat meer dan 10.000 koku aan rijst opleverde. Deze daimyo moest loyaliteit aan de shogun zweren, of hij nu diens leenman was of niet. Daarnaast werd zijn macht beknot doordat hij was gedwongen hof te houden op zijn eigen domein en in de hoofdstad, waar hij en de zijnen min of meer gegijzelden waren van de shogun. Niet zelden was een daimyo zelf zo machtig dat ook hij leenmannen had met een domein van meer dan 10.000 koku beheerde. Hoewel zulke mannen geen daimyo waren, en hun trouw zwoeren aan de daimyo in plaats van aan de shogun, werden hun domeinen soms toch han genoemd.

Tegen het einde van het leenstelsel hadden veel daimyo al behoorlijk aan macht ingeboet ten opzichte van de kooplui en vaak grote schulden opgebouwd. Na de afschaffing van het feodale stelsel kreeg een aantal daimyo een plek in het nieuwe staatssysteem. De daimyo werden bovendien, in ruil voor het opgeven van hun domeinen de schulden kwijt gescholden. Door deze ontwikkelingen werd het einde van het leenstelsel vrij algemeen aanvaard.

Indisch leenstelsel[bewerken]

Het Indisch leenstelsel onder het Mogolrijk kende de jagir (land) en de mansab als leen. Maar een soort van leenstelsel gold vaak ook voor formeel administratieve/dominiale (vooral de belastingvergarende) 'landerijen' zoals een taluqa of thikana.

Perzisch/Parthisch leenstelsel[bewerken]

Het Perzisch leenstelsel bestond onder de heerschappij van de Kadjaren. In dit stelsel had men een tuyuldar die een uitgestrekte heerlijkheid bezat, te vergelijken met de grote heren in het middeleeuwse West-Europa.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. W. Hinke, Selected Babylonian kudurru-inscriptions (Semitic Study Series 14), Leiden, 1911, VII.