Leidersbeginsel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het leidersbeginsel (Führerprinzip) is een belangrijk aspect van het fascisme dat uitgaat van collectivisme.

De groep, collectief of natie gaat altijd boven het belang van het individu. Lager geplaatsten hebben kritiekloos te gehoorzamen aan hun superieuren. Orde, tucht en gehoorzaamheid staan voorop. Superieuren hebben hierdoor een onbeperkte bevoegdheid, maar zijn zelf onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verschuldigd aan de leiders die weer boven hen staan. Wanneer een leider zwak of corrupt was, zou een sterkere of rechtschapener leider hem mogen afzetten en vervangen, zoals een roedel wolven of leeuwen ook zwakkere mannetjes liet afstoten door sterkere.

Op deze wijze werd het gebrek aan controle gecompenseerd. Uiteraard paste een democratische besluitvorming niet in dit model: dit was alleen maar "vertragend geleuter" volgens de meeste fascisten. Fascistische landen en organisaties zijn meestal piramidaal gestructureerd met één sterke man aan het hoofd. Vaak kennen leiders van fascistische dictaturen zichzelf de titel 'leider' toe. Zo noemde Benito Mussolini zich il Duce, Adolf Hitler der Führer, Francisco Franco el Caudillo en Ante Pavelic poglavnik.

Een voorbeeld van de werking van het leidersbeginsel was de reactie van Hitler wanneer hem klachten bereikten over corrupte of slechte leiders. Hij weigerde de betreffende leider ter verantwoording te roepen, maar nodigde de lokale partijkring uit de betreffende leider af te zetten. Dit illustreert overigens de wijze waarop de leiders, waaronder Hitler zichzelf in het zadel hielden. Ondergeschikten werden tegen elkaar opgezet, en wanneer zich een conflict voordeel hield de leider zich afzijdig. Slechts wanneer zich een winnaar aftekende zou de leider ten slotte van zijn "hemelse troon" afdalen om de winnaar te steunen.

Zie ook[bewerken]