Leidse fles

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Leidse flessen, Museum Boerhaave, Leiden

De Leidse fles is het eerste type condensator.

Ontwerp[bewerken]

De Leidse fles bestaat uit een wijde glazen fles die van buiten met tinfolie is bekleed. De fles is gevuld met (geleidend) water. Het glas van de fles isoleert en fungeert als diëlektricum. Aan de bovenkant van de fles zit een bolvormige elektrode die in verbinding staat met het water in de fles. Via de bol kan lading worden afgenomen of toegevoerd. Een Leidse fles kan worden opgeladen met een elektriseermachine zoals een vandegraaffgenerator. Met de lading die opgeslagen is in een Leidse fles, kunnen spectaculaire (en gevaarlijke) experimenten gedaan worden.

Batterij[bewerken]

Een aantal parallel geschakelde Leidse flessen wordt een batterij genoemd. Zo'n batterij heeft een grotere elektrische capaciteit en kan dus meer lading bevatten. Zij werd ter vermaak gebruikt in publieksexperimenten, waarin het publiek bij aanraking van de batterij een schok kreeg.

Geschiedenis[bewerken]

De Leidse fles werd in 1746 in Leiden uitgevonden door Pieter van Musschenbroeck, die toen professor natuurkunde was aan de Universiteit van Leiden. Een jaar eerder was een dergelijke methode om elektrische lading op te slaan al uitgevonden door de Pruisische Duitser Ewald Georg von Kleist, maar doordat Van Musschenbroek over zijn vondst publiceerde, heeft zijn vondst ook internationaal de naam Leidse fles gekregen.

De Engelse natuurkundige William Watson verbeterde het ontwerp van de Leidse fles, door zowel de binnen- als de buitenzijde van metaalfolie te voorzien.

Franklin[bewerken]

Benjamin Franklin gebruikte in 1752 een Leidse fles om met zijn vlieger de elektrische lading van de bliksem op te vangen. Zo bewees hij dat bliksem elektriciteit is.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]