Leithagebergte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het Leithagebergte in de buurt van Eisenstadt

Het Leithagebergte is een Oostenrijks laaggebergte op de grens tussen Neder-Oostenrijk en Burgenland. Het is een circa 35 km lange en 5 tot 7 km brede bergkam aan de rand van het Weense bekken in het westen, tussen de Brucker Pforte in het noorden en de Wiener Neustädter Pforte in het zuiden. Als uitloper van de Alpen vormt het Leithagebergte een verbinding naar de Karpaten in het noorden.

De bergkam is sterk bebost. Loofbomen, zoals eiken, haagbeuken en rode beuken overheersen. In het zuidoosten van het gebergte langs de kant van Burgenland overheerst de wijnbouw. Het hoogste punt is de 484 meter hoge Sonnenberg, tevens hoogste punt van Burgenland.

Geologisch bestaat het Leithagebergte uit gneis en schist en daarover kalksteen, die bekend is als Leithakalk. De kalk wordt om zijn zuiverheid vooral voor krijt gebruikt. Belangrijkste vindplaats van leithakalk en leithakalksteen waren: Bad Deutsch-Altenburg, Breitenbrunn, Hainburg an der Donau, Hundsheim, Kaiserstein van Kaisersteinbruch, Kroisbach, Loretto, Mannersdorf, Müllendorf, Sankt Margarethen im Burgenland, Sommerein, Stotzing, Winden am See en Wöllersdorf. De kwaliteit van de hier gewonnen kalksteen was al in een ver verleden voldoende om de lange en gevaarlijke weg naar Wenen te nemen op volgeladen ossenkarren.

Elias Hügel, keizerlijk hofsteenhouwer- en kerkbouwmeester van de Leithaberg in de eerste helft van de 18e eeuw, is de bekendste meester uit het Leithagebergte. Pas 250 jaar later, na de Tweede Wereldoorlog, werkte in het Leithagebergte met Friedrich Opferkuh opnieuw een steenhouwer-kunstenaar.

Het Leithagebergte zelf is weinig bewoond, de nederzettingen liggen alle aan de rand. De belangrijkste plaatsen zijn Mannersdorf met een grote cementfabriek en St. Margarethen met een kalkzandsteengroeve. Een oefenplaats van het Oostenrijkse leger bevindt zich in Bruckneudorf. Militair was het Leithagebergte altijd belangrijk, omdat het, niettegenstaande de geringe verdediging die het bood tegen het oosten, toch gemakkelijker te verdedigen was dan de beide in de inleiding genoemde poorten.