Lengtegraad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kaart van de wereld gezien vanaf recht boven de noordpool. De meridianen (of lengtegraden) lopen recht, uiteenlopend vanaf de noordpool. Een doorsnede langs een van deze lijnen wordt een meridiaanvlak genoemd

De lengtegraad van een meetpunt is de hoek tussen het meridiaanvlak van dat meetpunt en het meridiaanvlak van het nulpunt, meestal het meridiaanvlak van Greenwich. Een meridiaanvlak is een doorsnede van de aarde, haaks op de evenaar. Alle punten met een gelijke lengtegraad vormen samen een ellips die meridiaan genoemd wordt. Samen met de breedtegraad kan elk punt op aarde eenduidig worden aangegeven in een geografische positieaanduiding.

Voor de coördinaten op aarde varieert de lengtegraad van 0° tot 180°, met de toevoeging O.L. (oosterlengte, ten oosten van de nulmeridiaan, op het oostelijk halfrond) of W.L. (westerlengte, ten westen van de nulmeridiaan, op het westelijk halfrond). Wanneer een teken wordt toegekend, wordt oosterlengte meestal als een positieve waarde en westerlengte als een negatieve waarde weergegeven.

Opmeten van de aarde[bewerken]

Lijnen van lengte en breedte op een bol

Afhankelijk van de toepassing kan het handig zijn om gebruik te maken van een stelsel van rechte lijnen in de richtingen noord-zuid en oost-west. Op een bol(vorm) als de aarde betekent dit dat de grootste cirkel over het oppervlak de evenaar is en dat de breedtecirkels naar de polen toe steeds kleiner worden. Haaks daarop staan de lengtegraden, die naar de polen toe steeds dichter bij elkaar komen. Beide grootheden worden aangeduid in graden. De breedtecirkels tellen alle 360° (graden), ongeacht hun grootte. De lengtegraden (of meridianen) tellen elk 180°, en met hun spiegelbeeld aan de andere kant van de planeet dus weer 360°. Een graad telt 60 minuten, een minuut 60 seconden. Daar waar verwarring dreigt met de tijdseenheden met dezelfde naam, wordt het voorvoegsel "boog" gebruikt: boogminuten en boogseconden, maar meestal moet het uit de context blijken.

De 360° die de omtrek rond de aardbol meet, worden uitgezet door vanaf de nulmeridiaan in beide richtingen tot en met 180 te tellen. Op de 180e graad komen deze tellingen weer bij elkaar en zodoende is de aardbol in twee helften verdeeld, westelijk en oostelijk halfrond. Van een nulmeridiaan is er maar één en hetzelfde geldt voor haar spiegelbeeld, de 180°-lijn. Van de andere lengtegraden zijn er altijd twee, naar het westen aangeduid met westerlengte (WL), naar het oosten met oosterlengte (OL).
Amsterdam ligt op 4 graden en 53 minuten ten oosten van de nulmeridiaan (4° 53' OL), Brussel ligt iets minder ver naar het oosten, op 4° 21' 17" OL (4 graden, 21 minuten en 17 seconden). Een verschil in (kilo)meters is met deze methode lastig aan te geven, daar de lengtegraden naar de polen toe steeds dichter bij elkaar komen. Zo is de onderlinge afstand van twee boogminuten op de evenaar -niet toevallig- 1 zeemijl, of 1852 meter, en precies op de noordpool is zij nul.

Samen met de breedtegraden, die vanaf de evenaar geteld worden (in dezelfde grootheden), komt men tot een stelsel van geografische coördinaten, die als men de afplatting van de aarde verwaarloost als bolcoördinaten geïnterpreteerd kunnen worden.

Lengtebepaling[bewerken]

Het vaststellen van de breedtegraad is relatief eenvoudig. Dit kan door het waarnemen van de hoogte van de zon of andere hemellichamen ten opzichte van de horizon, bijvoorbeeld met een sextant. Als de Poolster wordt gebruikt, dan komt de breedte vrijwel overeen met de gemeten hoogte. Bij andere hemellichamen moet gebruik worden gemaakt van een nautische almanak en als de meting niet plaatsvindt tijdens de culminatie is ook tijdmeting noodzakelijk.

Om de geografische lengte te bepalen is tijdmeting altijd noodzakelijk en daarmee werd dit pas goed mogelijk toen in de achttiende eeuw voldoende nauwkeurige klokken beschikbaar kwamen. Per etmaal draait de aarde éénmaal om haar as, zodat gesteld kan worden dat per 15 graden (360/24) één uur verstrijkt. Andersom geldt: indien tussen twee plaatsen een uur tijdsverschil wordt gemeten, deze dus 15° uit elkaar moeten liggen.
Vanaf de Griekse oudheid gebruikte men de onderlinge uitwisselbaarheid van de grootheden tijd en afstand door de lengte te bepalen aan de hand van astronomische verschijnselen. In later eeuwen produceerden astronomen nauwkeurige tabellen van voorspelbare verschijnselen aan de hemel, efemeriden genaamd, waarmee een redelijke schatting van de lengte kon worden gemaakt. Voor de scheepvaart was deze methode echter niet precies genoeg - met vele rampzalige gevolgen.

Na één zo'n ramp bij de Scilly-eilanden in 1707 schreef het Britse parlement een prijsvraag uit, die als doel had het probleem van de lengtebepaling voor eens en altijd op te lossen. Het was de uitvinder John Harrison die in de loop van de achttiende eeuw de scheepschronometer uitvond, waarmee dit doel werd bereikt. Sindsdien hadden schepen twee klokken aan boord. De ene werd dagelijks als de zon op haar hoogste punt stond aan de plaatselijke tijd aangepast. De andere gaf de tijd in Greenwich aan, waar de sterrenwacht de basis was van de meridiaan van Greenwich, die als nullijn op alle Britse (zee)kaarten was vermeld. Door het verschil tussen beide klokken af te lezen, kon zeer nauwkeurig de lengte worden uitgerekend.

Tegenwoordig kunnen de lengte en breedte eenvoudig met een gps-ontvanger worden gemeten.

Verwante termen[bewerken]

  • Een noord-zuid georiënteerde grootcirkel wordt gevormd door een lengtegraad en haar spiegelbeeld aan de andere kant van de aarde. De term is wat verwarrend, omdat de aarde aan de polen is afgeplat. Daarom is haar omtrek over de polen geen cirkel, maar een ellips. Rond de evenaar is de aarde volkomen rond en daarom is die omtrek wel een grootcirkel.
  • De Internationale datumgrens is gebaseerd op de 180°-lijn ten opzichte van de meridiaan van Greenwich en derhalve is zij een lengtegraad. Om politieke en economische redenen verloopt zij niet overal exact langs deze lijn.

Zie ook[bewerken]