Leopold III van België

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Leopold III
1901-1983
Leopold III van België (1934).jpg
Koning der Belgen
Periode 1934-1951
Voorganger Albert I
Opvolger Boudewijn
Vader Albert I
Moeder Elisabeth in Beieren
Dynastie Saksen-Coburg en Gotha & België
Coat of Arms of the King of the Belgians (1921).svg
Wapen als koning van België

Leopold Filips Karel Albert Meinrad Hubertus Maria Miguel (Brussel, 3 november 1901 - Sint-Lambrechts-Woluwe, 25 september 1983) regeerde als koning der Belgen van 1934, na de dood van zijn vader, koning Albert I van België tot 1951, toen hij na de koningskwestie troonsafstand deed ten gunste van de kroonprins, zijn oudste zoon Boudewijn.

Geboorte en jeugd[bewerken]

Het Paleis Van der Noot d'Assche

Leopold III werd geboren in Brussel als prins Leopold van België, prins van Saksen-Coburg en Gotha.

De geboorte vond plaats in het Paleis Van der Noot d'Assche in de Wetenschapsstraat (Leopoldswijk), waar na de Tweede Wereldoorlog de Raad van State zich vestigde.[1] Bij zijn doopsel was zijn grootoom, koning Leopold II, peter. In 1909 werd hij troonopvolger en kreeg hij de titel hertog van Brabant.

De jonge Leopold kreeg huisleraars tot aan zijn veertiende jaar. In 1914, na het uitbreken van de oorlog, vergezelde hij zijn ouders en verbleef met hen in De Panne. Van 1915 tot 1919 was hij, met onderbrekingen, leerling in Eton College. Vanaf 1919 volgde hij in Brussel een militaire opleiding. Hij ondernam ook, soms met zijn ouders, grote reizen, onder meer naar de Verenigde Staten en naar Brazilië. In 1925 ging hij op studiereis in Congo.[2]

Eerste huwelijk[bewerken]

Huwelijk van Leopold III met Astrid

Nadat een jaar lang het gerucht ging dat Leopold zich met de Italiaanse prinses Mafalda zou verloven[3], trouwde hij op 4 november 1926 in Stockholm met de Zweedse prinses Astrid. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren:

Koning[bewerken]

Koninklijk monogram van koning Leopold III.

Leopold legde op 23 februari 1934 de eed af, nadat koning Albert I op 17 februari in Marche-les-Dames het leven liet bij een rotsbeklimming.

Op 29 augustus 1935 in het Zwitserse Küssnacht verloor Leopold III als chauffeur de controle over het stuur van de wagen en zijn vrouw, koningin Astrid werd uit de wagen geslingerd met haar hoofd tegen een perenboom, waarbij zij overleed. Leopold was licht gekwetst. Hij liet op de plaats van het ongeval een kapel bouwen.

Eretekens[bewerken]

Koning Leopold werd bedacht met talrijke eretekens hem verleend door andere landen. Als belangrijkste zijn te vermelden:

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Prins Leopold en zijn vader koning Albert
Leopold III op 18 mei 1940 met minister van landsverdediging generaal Denis

Neutraliteit[bewerken]

Onder invloed van de Duitse herbewapening liet België de bondgenootschappen uit de Eerste Wereldoorlog los en ging een neutrale koers volgen. Nazi-Duitsland erkende, na het opzeggen van het Verdrag van Locarno, de Belgische en Nederlandse neutraliteit. Leopold bracht ook snelle verbetering in de koele betrekkingen met de noorderbuur. Samen met koningin Wilhelmina nam hij in 1938 en 1939 enkele initiatieven met de bedoeling de vrede in Europa te bewaren. Leopold speelde wel informatie van de Belgische geheime dienst over Duitse troepenbewegingen door aan de Franse bevelhebber Maurice Gamelin.

Achttiendaagse Veldtocht[bewerken]

In mei 1940, bij de inval van België door nazi-Duitsland, stond Leopold erop om persoonlijk het opperbevel over het Belgische leger te voeren in de Achttiendaagse Veldtocht, zoals zijn vader, die zijn grote voorbeeld was, het leger in de Eerste Wereldoorlog had aangevoerd.

Hij gaf een letterlijke betekenis aan het artikel van de grondwet dat aan de koning het opperbevel over het leger gaf. De regering hield het echter bij de stelling dat, net als alle andere koninklijke prerogatieven, het bevel over het leger ondergeschikt was aan het akkoord van de regering, minstens van de minister van Defensie. Zolang er gestreden werd wilde de regering-Pierlot het ongecontroleerde bevelhebberschap aanvaarden, maar stelde de voorwaarde dat zodra de gevechten zouden eindigen en het land onder de bezetting van de Duitse overwinnaar zou komen, de koning mee met de regering het land moest verlaten en van uit het buitenland de strijd moest verder zetten. Omdat hij dit weigerde en het zijn plicht achtte bij zijn volk te blijven, kwam het tot een breuk met de regering van Hubert Pierlot. Dit gegeven vormde de kiem van de latere koningskwestie. Het laatste en dramatische gesprek tussen de koning en zijn ministers Pierlo, Spaak, Vanderpoorten en Denis vond plaats in Wijnendale op 25 mei. Na de slag aan de Leie capituleerde Leopold.

Capitulatie[bewerken]

Vanaf 25 mei en zelfs al vroeger wist de koning, en wist ook de regering, dat ze onder de voet zouden worden gelopen door het zegevierende Duitse leger. Het enige wat nog telde was nog enkele dagen stand te houden, teneinde de evacuatie van de geallieerde legers mogelijk te maken. Om hierin te helpen liet men grote delen van de Westhoek onder water lopen, teneinde de opmars van de Duitse troepen te hinderen.

De koning spande zich in om aan de geallieerden diets te maken, als ze dit niet uit zichzelf wisten, dat het uur van de capitulatie van de Belgische troepen snel naderde. Onmiddellijk na die capitulatie werd door de Britse maar vooral door de Franse overheid geprotesteerd dat ze onverwacht was gekomen en ze hierdoor schade hadden geleden. Achteraf bleek dit onjuist te zijn, want de signalen waren talrijk geweest:

  • Op 24 mei schreef Leopold een brief naar de koning van Engeland, waarin hij duidelijk liet weten dat voor het Belgisch leger de strijd ten einde liep.
  • Via admiraal Roger Keyes, de speciale gezant van de eerste minister Winston Churchill, verwittigde hij deze in dezelfde zin.
  • De Franse generaal Champon en de Britse kolonel Davy die bestendig op het Belgische hoofdkwartier aanwezig waren, kenden de hopeloze toestand waarin het leger zich bevond en berichtten hierover aan hun respectieve chefs.
  • Op 26 mei ontving de koning de generaals Champon en Blanchard en gaf hen een boodschap mee voor opperbevelhebber Maxime Weygand, meldende dat de grenzen van het weerstandsvermogen bereikt waren.

De beslissing tot capituleren werd genomen, maar werd nog een aantal uren gerekt, om nog een laatste respijt te geven voor de evacuatie van de Engelse troepen in Duinkerke. De wapens werden neergelegd op 28 mei om 4 uur. In de loop van de voormiddag namen de Duitsers de stad Brugge in en meldden zich aan op de residentie van de gouverneur waar de koning verbleef. Hij werd in de nacht van 29 mei, onder begeleiding van een militaire escorte, naar Laken gevoerd.

Krijgsgevangenschap[bewerken]

Het kasteel van Laken

Na de capitulatie op 28 mei 1940 werd hij krijgsgevangen genomen door de Duitsers en kreeg hij huisarrest in het kasteel van Laken. De ministerraad ontnam hem op 28 mei 1940 zijn bevoegdheden, op basis van artikel 82 van de Grondwet: de koning "verkeerde in de onmogelijkheid om te regeren".

Pierlot zei in een radioboodschap:

"Geen enkele houding van de koning kan enig effect hebben als die niet door de regering wordt gedekt. Door de band met de bevolking te verbreken, plaatst de koning zich onder het gezag van de bezetter. Hij is bijgevolg niet meer in staat te regeren, want de functie van staatshoofd kan niet worden uitgeoefend onder controle van de bezetter. In afwachting zal de grondwettelijke macht van de koning worden uitgeoefend door de regering, verenigd in raad en onder haar verantwoordelijkheid worden uitgeoefend."

Winston Churchill sprak op 4 juni 1940 tot het House of Commons:

"Op het laatste moment toen de invasie van België al een feit was, riep Koning Leopold ons om hulp en zelfs op dit laatste moment kwamen we. Hij en zijn dapper, efficiënt leger bijna een half miljoen man sterk, beschermden onze linkerflank en hielden zo onze terugweg naar de zee open. Plotseling, zonder voorafgaand overleg, met zo min mogelijk waarschuwing, zonder advies van zijn ministers en op zijn eigen persoonlijk initiatief, zond hij een bericht naar het Duitse opperbevel, waarin hij de overgave van zijn leger betekende en onze hele flank en onze terugtocht in gevaar bracht."

De Britse pers noemde hem de "Koning Verrader" en "Koning Rat". De Daily Mirror drukte zijn portret af met onderschrift "Het gezicht dat elke vrouw nu veracht". Belgische vluchtelingen in Parijs plaatsten bij het standbeeld van koning Albert een bericht "uw onwaardige opvolger". De Britse historicus Sir Basil Liddell Hart noemde de beslissing van Leopold eervol.

De Franse premier Paul Reynaud beschuldigde Leopold van verraad. De Vlaamse geschiedkundigen Jan Velaers en Herman Van Goethem schreven, dat Leopold de zondebok van Reynaud was geworden, omdat Reynaud besefte dat de Slag om Frankrijk verloren was. Een koning kon door het republikeinse Frankrijk verantwoordelijk gesteld worden voor het eigen falen.

Kort na de gebeurtenissen kwam aan het licht dat Leopold de Britten en de Fransen wel degelijk had ingelicht over zijn voornemen. Leopold had een brief geschreven naar de Britse koning en had op 26 mei een radiobericht verzonden naar de Franse opperbevelhebber generaal Jean Blanchard, opgevangen en geregistreerd door kolonel Thiery. Leopold achtte de capitulatie onvermijdelijk om een grote slachting onder de Belgische soldaten te vermijden. Een groot deel van de Belgen volgde hem in die gedachtegang en rond zijn persoon ontstond een ware cultus.

Leopold verbleef gedurende de Tweede Wereldoorlog in België. Als krijgsgevangene onthield hij zich van elke politieke daad. Toch onderhield hij contact met Hendrik de Man. Kort na de capitulatie ondernam de in Frankrijk verblijvende regering een eerste poging tot onderhandeling over een afzonderlijke vrede met Duitsland. Hun poging om de goedkeuring van de vorst hiervoor te bekomen, mislukte. Eens ook Frankrijk de bui zag hangen en het op 22 juni te Compiègne tot een wapenstilstand met nazi-Duitsland kwam, besloot Pierlot het lot van België aan dat van Frankrijk te koppelen: opnieuw werd contact gezocht (nu rechtstreeks) met de nazi-leiding. Deze weigerde te onderhandelen met Pierlot en co. Van toen af verkeerden de politieke 'leiders' in een staat van volkomen moedeloosheid (lees: defaitisme). Pierlot bood het ontslag van de regering aan koning Leopold III, maar die weigerde. In de maanden juli en augustus bleef de regering-Pierlot lusteloos in Frankrijk, terwijl ministers De Vleesschauwer en Gutt al in Londen waren. Herhaaldelijk drong minister De Vleesschauwer bij zijn collega's Pierlot en Spaak aan, om naar Londen te komen en de strijd verder te zetten. Ze zagen er het nut niet van in en verklaarden dat het lot van België met Frankrijk verbonden bleef en dat de plicht tegenover de garanten vervuld was. Via de krijgsraad lieten Pierlot en Spaak ettelijke Belgische piloten bij verstek ter dood veroordelen, die met hun vliegtuig de oversteek naar Groot-Brittannië waagden om samen met Engeland verder te vechten. Ook kregen duizenden soldaten het uitdrukkelijke verbod om per schip Frankrijk te verlaten.

Frans Van Cauwelaert met de parlementsleden in Limoges in 1940

Op de Franse radio viel eerste minister Hubert Pierlot de koning aan. Daarop erkende Leopold zijn regering niet meer. De Belgische parlementsleden in de Franse stad Limoges bekrachtigden kort daarop de houding van de regering. Op 18 en 19 juni was de regering Pierlot zelf reeds van mening 'iedere vijandige daad tegenover de Duitsers [te moeten] vermijden'. Na de Franse capitulatie van 22 juni raakten een aantal ministers overtuigd van het gelijk van de koning. Op 26 juni liet de regering in ballingschap door de Belgische diplomaat burggraaf Joseph Berryer een brief aan Leopold overbrengen, waarin zij haar ontslag voorstelde zodra de vorst dat wenselijk achtte om een nieuwe regering te vormen. In dezelfde brief heeft eerste minister Pierlot het over twee dringende zaken die dienen te worden behandeld, één ervan is met de Duitsers de voorwaarden (te) bespreken van een wapenstilstand of een overeenkomst betreffende België. De vorst weigerde te antwoorden en later verbood Hitler die ministers om terug te keren. De ministers Marcel-Henri Jaspar (Volksgezondheid), Albert de Vleeschauwer (Koloniën) en Camille Gutt (Financiën) weken intussen uit naar Engeland. De Vleeschauwer, die Belgisch-Kongo onder zijn gezag had, gooide het op een akkoord met de Britse regering om de strijd voort te zetten en hij overtuigde zijn collega's Pierlot en Paul-Henri Spaak te Vichy om via Spanje en Portugal naar Londen te komen en daar de regering verder te zetten.

Koning Leopolds visie was daarmee volkomen in tegenspraak, wat al een grote aanleiding gaf tot het latere conflict (de koningskwestie): verscheidene officieren hadden via zijn Militair Huis gepolst of zij naar Engeland mochten ontkomen om daar een Belgisch contingent op te richten dat verder zou strijden samen met Groot-Brittannië. Ze kregen de volle goedkeuring van koning Leopold III. Na de oorlog werden verscheidene medewerkers van het Paleis, waaronder kabinetschef burggraaf Frédéricq, secretaris graaf Cappelle en de Belgische ambassadeur in het neutrale Bern, graaf D'Ursel door Pierlot gebrandmerkt wegens medewerking met de koning. Cappelle had aan d'Ursel geschreven:

"Sinds 28 mei is voor wat België betreft de oorlog afgelopen; de ministers, die de oorlog willen voortzetten, handelen tegen de belangen van het land in; Kongo moet absoluut neutraal blijven; de Belgische diplomaten moeten zich correct gedragen tegenover de Duitse diplomaten, want België is niet meer in oorlog met Duitsland".

Eveneens na de oorlog beweerde Pierlot, samen met Spaak en Van Acker, dat koning Leopold III de Belgische ministers in ballingschap probeerde te verhinderen om de strijd voort te zetten aan de zijde van de Engelsen. Dit is een leugen, met als enige bedoeling het eigen imago op te poetsen en de foute keuzes van de weifelende regering in de periode mei-september '40 te verdoezelen.

Het is pas toen Huysmans, die naar Londen was ontkomen, stappen ondernam om een Belgische regering in ballingschap te vormen en daartoe al veelvuldige contacten had gelegd met de Britse diplomatie, dat Pierlot en Spaak naar Londen wilden vluchten. Deze heren waren in het bezit van de ontslagbrieven van hun collega-ministers. Eens ze in Londen waren, haastten ze zich om hun uitspraken van weleer (Belgiës lot aan Frankrijk te verbinden, plicht tegenover garanten vervuld ...) te doen vergeten en hun kar aan de geallieerde wagen te hangen. Toen vanuit Frankrijk de ministers Soudan, Vanderpoorten en Janson meermaals verzochten om hulp bij hun overkomst naar Londen, werd dit hen geweigerd. Gevolg van deze weigering: Vanderpoorten en Janson zijn beiden omgekomen (Vanderpoorten in het concentratiekamp van Bergen-Belsen, Janson in het concentratiekamp van Buchenwald) en Soudan overleefde ternauwernood Buchenwald.

Ook de overkomst van minister de Schryver verliep niet vlot: hij en een collega werden opgenomen in de regering na een 'stage'.

Onderhoud met Hitler[bewerken]

Een onderhoud van Leopold met Adolf Hitler in juli was niet doorgegaan. Op 19 november 1940 reisde koning Leopold III naar Berchtesgaden voor een onderhoud met Adolf Hitler. In tegenstelling tot wat vele historici beweren, gebeurde dit niet op zijn verzoek, maar werd na een eerste weigering van de koning om een onderhoud te hebben met Hitler door de nazi-leiding gedreigd de koning weg te voeren als hij opnieuw zou weigeren.[bron?] Bij de organisatie van het onderhoud te Berchtesgaden werd 's konings zuster Marie José betrokken, die gehuwd was met kroonprins Umberto II van Italië en dus een bondgenoot van Duitsland en een relatie had met Benito Mussolini. Zij reisde van Italië naar België, dan naar Berchtesgaden en dan terug naar Brussel. De koning wenste zich niet te laten vangen aan politieke onderhandelingen en bepaalde drie punten waarover hij het met Hitler wou hebben:

  1. de terugkeer van de Belgische krijgsgevangenen naar België;
  2. de verbetering van de voorwaarden voor voedselbedeling (rantsoenering zat onder het peil van Frankrijk en Nederland);
  3. hij polste naar de mogelijkheid tot behoud van de Belgische onafhankelijkheid in een door Duitsland gedomineerd Europa.

Het gesprek was georganiseerd door generaal Raoul Van Overstraeten, militair raadgever van Leopold. Aanwezig waren Hitler, Leopold en professor Schmidt, tolk van Hitler.[4] Het gesprek had geen enkel resultaat, gezien Hitler het gesprek telkens in een politieke richting poogde te duwen, wat koning Leopold telkens handig afweerde.[bron?]

Verzet[bewerken]

Toen de regering in ballingschap (lees: vier ministers die al in Londen waren, namelijk Pierlot, Spaak, Gutt en De Vleesschauwer) onder druk van Londen uiteindelijk het 'Leger van België' als verzetsbeweging aanvaardde en met opdrachten belastte, haastte zij zich om deze beweging (hoofdzakelijk bestaand uit beroepsofficieren en onderofficieren van het Leger die waren ondergedoken) van naam te doen veranderen (nieuwe naam: Geheim Leger). Bang als ze waren dat dit Leger van België, dat zeer koningsgezind was en op zeer grote aanhang in België kon rekenen, hen bij terugkeer in België zou arresteren voor hun pogingen om onderhandelingen aan te knopen met nazi-Duitsland voor en na de capitulatie met Frankrijk en voor de leugens die Pierlot in navolging van Paul Reynaud op 28 mei via de radio verspreidde.[bron?]

Geheime dochter[bewerken]

Tussen zijn eerste en tweede huwelijk had Leopold twee minnaressen: de dichteres Francesca Erik[5] en de kunstschaatster Liselotte Landbeck. Samen met Liselotte Landbeck kreeg hij in 1940 in Antwerpen een dochter, Ingeborg Verdun.

Tweede huwelijk[bewerken]

Kardinaal Van Roey

Op 6 december 1941 trouwde koning Leopold met de op dat ogenblik reeds van hem zwangere Lilian Baels, dochter van oud-gouverneur van West-Vlaanderen Hendrik Baels. Het burgerlijk huwelijk werd op 7 december via een kerkelijke brief van kardinaal Van Roey bekendgemaakt. Daarin maakte deze ook melding van hun kerkelijk huwelijk dat reeds op 11 september door hem zou ingezegend zijn.

De geboorte, zeven maanden later, van hun zoon Alexander op 18 juli 1942 maakte de reden van het burgerlijk huwelijk en het kerkelijk huwelijk dat er drie maanden aan vooraf ging (wat ook in strijd is met de grondwet[6]) voor iedereen duidelijk.

Dit huwelijk, dat slecht onthaald werd bij de onder de bezetting lijdende bevolking (zeker na de bekendmaking van de geboorte) zou de koning ook parten spelen bij de afwikkeling van de koningskwestie na de oorlog. Lilian is sindsdien nooit geaccepteerd geweest; in de ogen van nogal wat Belgen bezoedelde zij de erfenis van Astrid. Ook andere monarchieën stonden niet echt te wachten op een burgermeisje.

Politiek testament[bewerken]

In januari 1944 schreef koning Leopold III een politiek testament, dat gepubliceerd moest worden in het geval hij niet in België zou zijn als de geallieerde troepen het land zouden bevrijden. In het testament eiste hij excuses van de regering in ballingschap voor de gebeurtenissen van 1940 en verwierp hij de verdragen die zij in Londen gesloten had. Dit zette hernieuwd kwaad bloed, zowel bij de regering als bij de geallieerden.

Koningskwestie[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Koningskwestie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Deportatie[bewerken]

Schloss Hirschstein

Vlak voor het einde van de bezetting van België in juli 1944 werd eerst Leopold III en nadien de koninklijke familie door de Duitsers gedeporteerd naar Hirschstein in Saksen. Later werden ze overgebracht naar Strobl (Oostenrijk). Heinrich Himmler gaf bevel om de koninklijke familie te fusilleren, maar omdat generaal George Patton de telefoonlijnen had vernield, kwam het bericht niet aan.[7]

Zijn breuk met de regering tijdens de Duitse inval in mei 1940 en daaropvolgend het verschil in houding tussen koning en enkele regeringsleden tijdens de bezetting zouden de aanleiding vormen tot de koningskwestie die zich na zijn bevrijding uit krijgsgevangenschap in mei 1945 nog vijf jaar lang zou voortslepen.

Na zijn bevrijding vroeg de regering uitdrukkelijk aan de Amerikaanse legerleiding om koning Leopold te verhinderen direct naar België te komen.[bron?]

Zwitserland[bewerken]

Het kasteel van Pregny-Chambésy

Na hun bevrijding door de geallieerden in 1945 verhuisde de koninklijke familie naar Zwitserland, waar ze in het kasteel van Pregny-Chambésy bij Lausanne woonden. Leopold stelde Jacques Pirenne aan als secretaris. In België had het parlement op 20 september 1944 prins-regent Karel (graaf van Vlaanderen en broer van Leopold) aangesteld als tijdelijk staatshoofd. Op 13 juli 1945 vond een onderhoud plaats met Prins Karel, Koningin Elisabeth, Leopold en Lilian Baels, waarbij Lilian Baels Leopold weerhield van troonsafstand.[8]

Volksraadpleging[bewerken]

Uitslag van de volksraadpleging: groen = ja, rood = nee

Tien regeringen volgden elkaar vijf jaar lang in snel tempo op zonder tot een akkoord te komen over de toekomstige rol van Leopold III. De CVP won de Belgische verkiezingen 1949 met de terugkeer van Leopold III in haar programma. Eerste minister Gaston Eyskens van de katholiek/liberale regering-G. Eyskens I schreef ter oplossing van de koningskwestie een niet-bindende volksraadpleging uit op 12 maart 1950. De vraag luidde: "Zijt U de mening toegedaan dat Koning Leopold III de uitoefening van zijn grondwettelijke machten zou hernemen ?" 57,68% stemde "Ja"; in Vlaanderen was de meerderheid overweldigend met 72%, in Wallonië en Brussel echter was meer dan de helft tegen terugkeer.

Terugkeer naar België[bewerken]

Kortrijk tijdens de koningskwestie

De Belgische verkiezingen 1950 van 4 juni leverden de CVP een absolute meerderheid, waarmee ze een homogene CVP-regering vormden. Op 20 juli 1950 stelde het parlement het einde vast van de onmogelijkheid tot regeren van Leopold III. Dit betekende het einde van het regentschap, en twee dagen later landde de koning in België, met de bedoeling zijn koninklijke functies weer op te nemen. Dit leidde bijna tot een burgeroorlog, met betogingen, stakingen en geweld.[9] Te Grâce-Berleur schoot de rijkswacht drie betogers dood en een vierde stierf nadien. De tegenstanders van Leopold kondigden een mars op Brussel aan voor 1/2 augustus.

Troonsafstand[bewerken]

Daarop besloot Leopold III, na zware politieke druk van de regering-Duvieusart I en in de onmogelijkheid om iemand te vinden die een nieuwe regering wilde vormen die hem zou ondersteunen, de macht over te dragen aan zijn oudste zoon Boudewijn en op termijn af te treden en het koningschap aan zijn zoon te laten. Met de wet van 10 augustus 1950 werd de "koninklijke prins" Boudewijn tot plaatsvervanger van zijn vader aangesteld en op 11 augustus legde hij de eed af. Tijdens deze plechtigheid werd de kreet 'Vive la république' geroepen, waarvoor algemeen de communist Julien Lahaut verantwoordelijk werd geacht. Julien Lahaut werd op 18 augustus in zijn woning te Seraing doodgeschoten door vier Leopoldisten onder leiding van François Goossens met schuilnaam "Adolphe". Een jaar later, op 16 juli 1951 tekende Leopold zijn troonsafstand, en de volgende dag werd Boudewijn beëdigd als vijfde koning der Belgen. Leopold III was daarmee de eerste Belgische vorst die abdiceerde.

Na het koningschap[bewerken]

Koning Leopold III (1963)

Leopold III en prinses Lilian bleven, met hun gezin, inclusief koning Boudewijn, na zijn aftreden wonen op het kasteel van Laken. Pas na het huwelijk van Boudewijn met Fabiola in december 1960 verhuisden ze naar het domein Argenteuil in Waterloo. Enkel tijdens de begrafenis van koningin Elisabeth in 1965 verschenen ze nog samen in het openbaar.

Ook postuum bleef Leopold III voor controverse zorgen door de publicatie in 2001, in opdracht van prinses Lilian, van Leopold III, kroongetuige met als ondertitel "over de grote gebeurtenissen tijdens mijn koningschap". In dit boek bleef hij, op basis van zijn weergave van de feiten, zijn toenmalige houding en visie verdedigen.

Koning Leopold en prinses Lilian van Retie kregen na de oorlog nog twee dochters

Leopold kreeg een staatsbegrafenis en ligt begraven in een praalgraf in de Koninklijke Crypte, tussen koningin Astrid en Lilian, prinses van Retie. Koning Boudewijn liet - op verzoek van zijn vader - het lichaam van zijn moeder en vader opgraven en de kelder vergroten zodat ook Lilian er na haar overlijden in 2002 bijgezet kon worden.

Literatuur[bewerken]

  • Ad. GOEMAERE, De houding van Leopold III van 1936 tot de bevrijding, Brussel, 1949.
  • Robert AROON, Léopold III ou le choix impossible, Paris, Plon, 1977.
  • Jean STENGERS, Aux origines de la question royale. Léopold III et le gouvernement. Les deux politiques belges de 1940, Parijs, Duculot, 1980.
  • Albert DE JONGHE, Hitler en het politieke lot van België, Antwerpen, 1982.
  • Jean VAN WELKENHUYZEN, Quand les chemins se séparent, Parijs, Duculot, 1988.
  • Jules GERARD-LIBOIS & José GOTOVITCH, Léopold III. De l'an 40 à l'effacement, Brussel, 1991.
  • Jan VELAERS & Herman VAN GOETHEM, Leopold III: de koning, het land, de oorlog, Tielt, Lannoo, 1994, ISBN 90-209-2387-0
  • Vincent DUJARDIN, Marc VAN DEN WIJNGAERT & Michel DUMOULIN (dir.), Léopold III, Brussel, Complexe, 2001.
Bronnen, noten en/of referenties