Levend fossiel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een levend fossiel is een biologische soort (dier, plant of bacteriën) die als enige levende vertegenwoordiger geldt van een verder uitgestorven groep. De term wordt in het bijzonder gebruikt als:

  • de groep verder enkel bekend is van fossielen of
  • de soort welbepaalde primitieve kenmerken bezit en amper afwijkt van de fossiele vormen.

De term levend fossiel wordt in specialistische literatuur niet gebruikt. Een verwante wetenschappelijk correctere term is relict.

Voorbeelden[bewerken]

Dieren[bewerken]

  • De coelacanthen, zijn enige overlevenden kwastvinnigen, een groep waarvan voor de ontdekking in 1938-1939 werd aangenomen dat ze al 80 miljoen jaar geleden waren uitgestorven. Er zijn nog twee soorten Coelacanthen in leven.
  • De enige overgebleven longvissen in Australië, Afrika en Zuid-Amerika.
  • De degenkrabben, enige overlevenden van de eens grote groep der Xiphosuridae, een primitieve, meest aan de spinnen verwante groep van zeedieren, waarvan de jongste fossiele overblijfselen 50 miljoen jaar oud zijn.
  • De brughagedissen of tuatara's zijn de enige overgebleven soorten uit een oeroude reptielenfamilie, ze zijn lange tijd vrijwel onveranderd gebleven en komen alleen nog op Nieuw-Zeeland voor. Er zijn nog twee soorten tuatara's in leven namelijk Sphenodon punctatus en Sphenodon guntheri.
  • De nautilussen behoren tot de cephalopoda, de koppotige mollusken. Zij vormen de laatste overblijfselen van de subklasse Nautiloidea.
  • Het brachiopodengeslacht Lingula bestaat al meer dan 400 miljoen jaar, en komt ook nog eens uit een primitieve brachiopodengroep.
  • Vissen behorend tot de Steurachtigen (onder andere de 'normale' steuren en lepelsteuren worden als in het algemeen als levend fossiel beschouwd omdat hun taxonomische familie een van de oudste nog levende beenachtige vissenfamilies is.

Planten[bewerken]

  • De Japanse notenboom Ginkgo biloba is de enige overblijvende soort van een familie met ongeveer 18 leden daterend uit het Perm. Deze boom is een naaktzadige, maar is toch geen naaldboom. De huidige soort is sinds het Mesozoïcum nauwelijks veranderd.
  • De watercipres of Chinese sequoia (Metasequoia glyptostroboides) is de enige resterende boomsoort uit het geslacht Metasequoia, dat in het Tertiair in enorme wouden op het noordelijk halfrond voorkwam. Van dit geslacht, waarvan men dacht dat het uitgestorven was, werden in de jaren veertig toch nog levende exemplaren gevonden.[1]
  • De mammoetbomen (ook wel bekend als Redwood of sequoia), verwant aan de watercipres, waarvan er nog twee soorten over zijn: de kustmammoetboom (Sequoia sempervirens) en de reuzenmammoetboom (Sequoia Giganteum). Mammoetbomen kwamen al voor in het Trias, maar 100 miljoen jaar geleden kwamen mammoetbomen algemeen voor in het westen van Noord-Amerika, Europa en Azië.[2] Er waren toen een twaalftal soorten.[3] De kustmammoetboom en de reuzenmammoetboom zijn de laatste overblijfselen van deze groep. Hun natuurlijk areaal is tegenwoordig geslonken tot enkele gebieden in Californië.
  • Boomvarens waren in het laat-Paleozoïcum tot in het Jura heel gewoon en konden zeer groot worden (tot 40 m). In het Krijt verschenen de grassen en de bloemdragende planten, die hen wegconcurreerden. Boomvarens komen nu nog voor onder andere in Oceanië.
  • Wolfsklauwen, waarvan men aannam dat het de fossiele afdrukken van deze geweldige boomachtigen soorten waren die tijdens het Perm verdwenen, echter worden er steeds meer soorten ontdekt verdeeld over drie families: Isoetinae, Lycopodineae en Selaginellineae
  • Palmvarens, zeer oude planten groep waarvan de oudste fossielen dateren uit het vroege Perm.
  • Apenboomfamilie, De apenboomfamilie (Araucariaceae) is een zeer oude familie van naaldbomen. Zij bereikten hun maximumdiversiteit tijdens de Jura en het Krijt, toen zij bijna wereldwijd voorkwamen. Aan het eind van het Krijt verdwenen de Araucariaceae uit het noordelijk halfrond.
  • Wollemia nobilis, een in 1994 ontdekte plantensoort. Overeenkomsten tussen het pollen van Wollemia nobilis en de fossiele soort Dillwynites (die bekend is vanaf het late Krijt, 91 miljoen jaar geleden) wijzen uit dat de soort een levend fossiel is. De Wollemia is tevens een lid van de bovengenoemde apenboomfamilie.
  • Japanse parasolden, (Sciadopitys verticillata) of koyamaki is een unieke conifeer die endemisch is in Japan. Het is het enige lid van de familie Sciadopityaceae, een levend fossiel zonder naaste verwanten. De fossielen uit het geslacht Sciadopitys stammen terug tot 200 miljoen jaar geleden.[3]

Zie ook[bewerken]

Voetnoten

  1. De watercipres of Chinese sequoia
  2. http://www.giant-sequoia.com
  3. a b Colin Tudge. Het verborgen leven van bomen: levensloop, functie en betekenis. Spectrum (Utrecht, 2006): a p.132, b p.143. ISBN 9027484686 of ISBN 9789027484680