Levensloopregeling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De levensloopregeling (of: levensloop) is een regeling die per 1 januari 2012 niet meer beschikbaar is voor nieuwe deelnemers.

Het is een per 1 januari 2006 in Nederland met de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT- en prepensioenregelingen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) ingevoerde fiscale regeling om het sparen voor een vervangend inkomen tijdens een periode van onbetaald verlof voordeliger te maken. Dit onbetaald verlof kan bijvoorbeeld zijn ouderschapsverlof, zorgverlof of een sabbatical. Ook een periode van onbetaald verlof voorafgaand aan het pensioen is mogelijk. "Onbetaald" wil zeggen dat geen salaris uitbetaald wordt, in de plaats daarvan ontvangt de werknemer een uitkering uit zijn eigen levenslooptegoed.

Personen die werknemer zijn in de zin van de Wet arbeid en zorg hebben het recht om deel te nemen aan de levensloopregeling. De werkgever is verplicht hieraan mee te werken. De werknemer geeft aan bij welke instelling hij wil sparen voor levensloop en welk gedeelte van zijn inkomen de werkgever dient over te maken aan die instelling.

Het Belastingplan 2012 bepaalde dat per 1 januari 2013 vitaliteitssparen zou worden ingevoerd. Wie op 1 januari 2013 3000 euro of meer op de levenslooprekening had staan zou naar keuze ermee door kunnen gaan of het geld overhevelen naar een vitaliteitsrekening. In het Belastingplan 2013 is het betreffende artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964 echter gewijzigd. De invoering van het vitaliteitssparen is vervallen. Nu geldt het volgende.

Wie op 31 december 2011 een tegoed had van minder dan € 3000 moet zijn hele tegoed in 2013 opnemen. Deze opname wordt belast, maar voor zover dit tegoed op 31 december 2011 al bestond wordt daarbij slechts 80% van de opname in aanmerking genomen.

Wie op 31 december 2011 een tegoed had van € 3000 of meer mag zijn tegoed laten staan en ook doorsparen, en tot en met 31 december 2021 bestedingsvrij opnemen, ook zonder verlofperiode. Voor een opname in 2013 geldt ook hier, voor zover dit tegoed op 31 december 2011 al bestond, dat slechts 80% van deze opname belast wordt.

Een suggestie voor een speciale fiscale faciliteit voor omzetting van vrijgekomen tegoed in lijfrente is door de regering afgewezen.[1]

Sparen[bewerken]

Werknemers die in 2011 al deelnamen aan de levensloopregeling en op 1 januari 2012 een saldo hebben van van minstens € 3000 mogen jaarlijks maximaal 12% van hun jaarsalaris inleggen. Werknemers die op 1 januari 2005 minimaal 50 jaar oud waren, maar nog geen 55, mogen meer sparen dan 12% per jaar. Voor alle werknemers geldt dat zij in totaal niet meer mogen inleggen dan 210% van het jaarsalaris. Het spaartegoed mag dan nog wel groeien door bijvoorbeeld spaarrente of beleggingsrendement. Tussentijds een deel opnemen mag wel, daarna kan de 'levenslooppot' weer worden aangevuld tot 210% van het jaarsalaris.

De levensloopregeling wordt uitgevoerd door banken, verzekeraars en dochters van pensioenfondsen. De meeste van deze instellingen bieden verschillende varianten aan: spaarrekeningen, beleggingsrekeningen (veelal met een keuze uit verschillende risicoprofielen) en/of een verzekeringsvariant. Bij de beleggingsvariant bestaat het risico voor de deelnemer dat door tegenvallende beleggingsresultaten op enig moment het levenslooptegoed lager is dan het gestorte bedrag.

Verlof[bewerken]

Tot en met 2012 kan opname van het tegoed alleen gedurende een verlofperiode.

De levensloopregeling geeft geen recht om verlof op te nemen, dat moet in principe in overleg met de werkgever. In een aantal gevallen is er wel een wettelijk recht op onbetaald verlof zoals ouderschapsverlof en zorgverlof. In gevallen waarin geen wettelijk recht bestaat, moeten werknemer en werkgever (individueel of bij cao) afspraken maken over het opnemen van verlof. Wel kan de werknemer vervolgens zelf bepalen hoeveel hij opneemt uit het levenslooptegoed; hij kan er bijvoorbeeld voor kiezen om gedurende de verlofperiode een uitkering te krijgen ter hoogte van 70% van zijn salaris, maar elk ander percentage tot en met 100% is ook mogelijk. Door te kiezen voor een lager percentage kan de werknemer langer toe met zijn tegoed.

Als een werknemer verlof opneemt, dan wordt de gewenste uitkering periodiek door de levensloopinstelling overgemaakt aan de werkgever. Deze houdt de verschuldigde loonbelasting in en maakt het geld over naar de werknemer.

De verlofganger blijft maximaal 18 maanden verzekerd voor de WIA.

Inkomstenbelasting en premies sociale verzekeringen[bewerken]

Over het bedrag dat de werknemer spaart wordt op het moment van inleggen geen loonheffing ingehouden. De werknemer betaalt wel gewoon premies werknemersverzekeringen. Zodra de werknemer zijn levenslooptegoed gebruikt om verlof op te nemen, wordt wel loonbelasting ingehouden. Premies werknemersverzekeringen hoeven niet meer te worden betaald, dat is immers al gebeurd. De loonbelasting betaalt de werknemer over het gespaarde tegoed én over de rente of het rendement. Daarbij geldt de levensloopverlofkorting (een extra loonheffingskorting), in totaal voor alle jaren van uitbetaling samen, van 205 euro per jaar waarin gespaard is, maar uitsluitend voor de jaren tot en met 2011. De inkomensafhankelijke premie zorgverzekering wordt net als de loonheffing niet in het jaar van sparen over de inleg, maar wel in het jaar van uitbetalen over de uitkering berekend.

Omdat de inleg niet aftrekbaar is voor de premies werknemersverzekeringen wordt een eventuele uitkering (WW of WIA) niet gebaseerd op een lager loon. Wettelijk is geregeld dat een werknemer maximaal 18 maanden onbetaald (levensloop)verlof op mag nemen voordat dit gevolgen heeft voor het recht op een eventuele uitkering.

Voor de inkomstenbelasting (box 1) komen de regels overeen met die voor de loonheffing.

Als gevolg van de Wet uniformering loonbegrip wordt de inleg vanaf 1 januari 2013 wél aftrekbaar voor de premies werknemersverzekeringen, en wordt daarom een eventuele uitkering WW of WIA wél gebaseerd op een lager loon.

Fiscaal voordeel[bewerken]

Het saldo is vrijgesteld in box 3. Daar staat tegenover dat opgenomen bedragen in hun geheel belast zijn (inleg en rente). Een werknemer kan in een uitbetalingsjaar in ander belastingtarief vallen dan in een spaarjaar. Dit zal dan soms een lager tarief zijn, als hij kiest voor een lagere uitkering dan zijn laatste salaris (bijvoorbeeld 70% van zijn salaris).

Verder is er de levensloopverlofkorting van € 205 per spaarjaar tot en met 2011.

Tot aan 1 april 2009 was deelname aan een levensloopregeling en het daarvoor storten van een bepaald bedrag in het bewuste belastingjaar een vereiste om in aanmerking te komen voor de ouderschapsverlofkorting (i.e. een andere extra heffingskorting, waarvan gebruikgemaakt kan worden indien ouderschapsverlof is opgenomen met een terugval in loon dientengevolge).

Relatie tot vroegpensioen[bewerken]

De levensloopregeling is zoals gezegd ingevoerd met de Wet VPL; dit is dezelfde wet als waarbij de fiscale faciliteiten voor VUT en prepensioen afgeschaft zijn: o.a. is per 1 januari 2006 de fiscale aftrek van premies voor een overbruggingslijfrente (lopend tot de 65-jarige leeftijd) afgeschaft. Hierdoor zijn de regelingen onaantrekkelijk (zo niet onbetaalbaar) zijn geworden. De levensloopregeling wordt gezien als vervanging voor het vroegpensioen. Dit is bijvoorbeeld terug te zien in enkele cao's waarin afspraken gemaakt zijn over levensloop als mogelijkheid om eerder te stoppen met werken voorafgaand aan het pensioen. De levensloopregeling onderscheidt zich van vroegpensioenregeling door het vrijwillige en individuele karakter en de grotere mate van flexibiliteit.

Het FLO-overgangsrecht van brandweer- en ambulancepersoneel houdt in dat men van 59- tot 62-jarige leeftijd verlof heeft en daarbij met gebruikmaking van vooral de levensloopregeling en in mindere mate een speciale spaarrekening voor het sparen van netto bedragen (gevoed door werkgeversbijdragen na inhouding van belasting) een percentage van zijn loon ontvangt, en vervolgens ontslag kan nemen met vervroegde ingang van het pensioen (op 62-jarige leeftijd dus)[2]. Extra werkgeversbijdragen bij de opbouw van het pensioen maken dit vervroegde ingaan mogelijk zonder dat het jaarlijkse pensioenbedrag lager wordt. Normaal gesproken zal de medewerker kiezen voor een pensioen dat tot de AOW-leeftijd hoger is dan daarna. Als bij het afspreken van deze hoog-laagconstructie is uitgegaan van een AOW-leeftijd van 65 jaar dan is door de verhoging van de AOW-leeftijd het inkomen sterk verlaagd van de 65-jarige leeftijd tot de AOW-leeftijd.

Relatie tot spaarloon[bewerken]

Een werknemer kan zowel een spaarloontegoed als een levenslooptegoed hebben, en onafhankelijk van elkaar geld uit het spaarloontegoed opnemen en geld inleggen bij of opnemen uit het levenslooptegoed.

In de tijd dat nog spaarloon kon worden ingelegd (tot en met 2011) kon een werknemer echter niet in hetzelfde kalenderjaar bij de spaarloon- en de levensloopregeling geld inleggen.

Voetnoten[bewerken]

  1. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/07/11/brief-over-omzetting-levensloop-in-lijfrente.html
  2. http://www.vng.nl/onderwerpenindex/arbeidsvoorwaarden-en-personeelsbeleid/flo-overgangsrecht-en-loopbaanbeleid/publicaties/het-flo-overgangsrecht

Zie ook[bewerken]

Voor Vlaanderen zie tijdskrediet.

Externe links[bewerken]