Levensloopregeling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De levensloopregeling (of: levensloop) is een met de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT- en prepensioenregelingen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) per 1 januari 2006 in Nederland ingevoerde fiscale regeling om het sparen voor een vervangend inkomen tijdens een periode van onbetaald verlof voordeliger te maken. Dit onbetaald verlof kan bijvoorbeeld zijn ouderschapsverlof, zorgverlof of een sabbatical. Ook een periode van onbetaald verlof voorafgaand aan het pensioen is mogelijk. "Onbetaald" wil zeggen dat geen salaris uitbetaald wordt, in de plaats daarvan ontvangt de werknemer een uitkering uit zijn eigen levenslooptegoed.

Personen die werknemer zijn in de zin van de Wet arbeid en zorg hebben het recht om deel te nemen aan de levensloopregeling. De werkgever is verplicht hieraan mee te werken. De werknemer geeft aan bij welke instelling hij wil sparen voor levensloop en welk gedeelte van zijn inkomen de werkgever dient over te maken aan die instelling.

Inhoud

[bewerken] Sparen

Werknemers mogen jaarlijks maximaal 12% van hun jaarsalaris inzetten in de levensloopregeling. Voor werknemers die op 1 januari 2005 minimaal 50 jaar oud waren, maar nog geen 55, geldt een overgangsregeling: zij mogen meer sparen dan 12% per jaar. Voor alle werknemers geldt dat zij niet meer mogen sparen dan maximaal 210% van het jaarsalaris. Het spaartegoed mag dan nog wel groeien door bijvoorbeeld spaarrente of beleggingsrendement. Tussentijds een deel opnemen mag wel, daarna kan de 'levenslooppot' weer worden aangevuld tot 210% van het jaarsalaris.

De levensloopregeling wordt uitgevoerd door banken, verzekeraars en dochters van pensioenfondsen. De meeste van deze instellingen bieden verschillende varianten aan: spaarrekeningen, beleggingsrekeningen (veelal met een keuze uit verschillende risicoprofielen) en/of een verzekeringsvariant. Bij de beleggingsvariant bestaat het risico voor de deelnemer dat door tegenvallende beleggingsresultaten op enig moment het levenslooptegoed lager is dan het gestorte bedrag.

Een jaar na invoering was de levensloopregeling nog niet erg populair, nog geen 5% van de werknemers gebruikt de levensloopregeling. In 2006 hebben werknemers in Nederland 944 miljoen euro gespaard via de levensloopregeling. Er zijn in dat jaar 220.000 rekeningen geopend of verzekeringen afgesloten voor de levensloopregeling. Per rekening is gemiddeld 4300 euro gespaard.[1]

[bewerken] Opnemen

De levensloopregeling is een spaarregeling, dat wil zeggen dat de werknemer recht heeft om te sparen. Recht om verlof op te nemen, heeft hij niet. Dat moet in principe in overleg met de werkgever. In een aantal gevallen is er wel een wettelijk recht op onbetaald verlof zoals ouderschapsverlof en zorgverlof. In gevallen waarin geen wettelijk recht bestaat, moeten werknemer en werkgever (individueel of bij cao) afspraken maken over het opnemen van verlof. Wel kan de werknemer vervolgens zelf bepalen hoeveel hij opneemt uit het levenslooptegoed; hij kan er bijvoorbeeld voor kiezen om gedurende de verlofperiode een uitkering te krijgen ter hoogte van 70% van zijn salaris, maar elk ander percentage tot en met 100% is ook mogelijk. Door te kiezen voor een lager percentage kan de werknemer langer toe met zijn tegoed.

Als een werknemer verlof opneemt, dan wordt de gewenste uitkering periodiek door de levensloopinstelling overgemaakt aan de werkgever. Deze houdt de verschuldigde loonbelasting in en maakt het geld over naar de werknemer.

[bewerken] Inkomstenbelasting en premies sociale verzekeringen

Over het bedrag dat de werknemer spaart wordt op het moment van inleggen geen loonheffing ingehouden. De werknemer betaalt wel gewoon premies werknemersverzekeringen. Zodra de werknemer zijn levenslooptegoed gebruikt om verlof op te nemen, wordt wel loonbelasting ingehouden. Premies werknemersverzekeringen hoeven niet meer te worden betaald, dat is immers al gebeurd. De loonbelasting betaalt de werknemer over het gespaarde tegoed én over de rente of het rendement. Daarbij geldt een extra loonheffingskorting, in totaal voor alle jaren van uitbetaling samen, van 199 euro per jaar waarin gespaard is (bedrag 2010, in 2011: 201 euro). De inkomensafhankelijke premie zorgverzekering wordt net als de loonheffing niet in het jaar van sparen over de inleg, maar wel in het jaar van uitbetalen over de uitkering berekend.

Omdat de inleg niet aftrekbaar is voor de premies werknemersverzekeringen wordt een eventuele uitkering (WW of WIA) niet gebaseerd op een lager loon. Wettelijk is geregeld dat een werknemer maximaal 18 maanden onbetaald (levensloop)verlof op mag nemen voordat dit gevolgen heeft voor het recht op een eventuele uitkering.

Voor de inkomstenbelasting (box 1) komen de regels overeen met die voor de loonheffing.

Volgens de aanhangige Wet uniformering loonbegrip wordt de inleg wél aftrekbaar voor de premies werknemersverzekeringen, en wordt daarom een eventuele uitkering WW of WIA wél gebaseerd op een lager loon.

[bewerken] Vermogensrendementsheffing

Over het saldo wordt geen vermogensrendementsheffing berekend (box III, inkomsten uit sparen en beleggen, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001). Daar staat tegenover dat uiteindelijk loonheffing wordt betaald over de uitkering inclusief rente/rendement. De loonheffing over het rendement elimineert het extra voordeel dat behaald is door de hogere initiële inleg als gevolg van het uitstellen van betaling van loonbelasting.

Door de vrijstelling voor de vermogensrendementsheffing is het netto rendement bij een gelijke spaar- cq beleggingsvorm (nog afgezien van de extra heffingskorting) per jaar hoger dan van het sparen via een normale spaar/beleggingsrekening.

[bewerken] Fiscaal voordeel

Het fiscale voordeel is de extra heffingskorting van € 199,- per spaarjaar (stand 2010, in 2011: 201 euro). Daarnaast kan een werknemer in een uitbetalingsjaar in ander belastingtarief vallen dan in een spaarjaar. Dit zal dan vaak een lager tarief zijn, als hij kiest voor een lagere uitkering dan zijn laatste salaris (bijvoorbeeld 70% van zijn salaris).

Tot aan 1 april 2009 was deelname aan een levensloopregeling en het daarvoor storten van een bepaald bedrag in het bewuste belastingjaar een vereiste om in aanmerking te komen voor de ouderschapsverlofkorting (i.e. een extra heffingskorting waarvan gebruik gemaakt kan worden indien ouderschapsverlof is opgenomen met een terugval in loon dientengevolge).

[bewerken] Relatie tot vroegpensioen

De levensloopregeling is ingevoerd bij dezelfde wet als waarbij de fiscale faciliteiten voor VUT en prepensioen afgeschaft zijn: o.a. is per 1 januari 2006 de fiscale aftrek van premies voor een overbruggingslijfrente (lopend tot de 65-jarige leeftijd) afgeschaft. VUT en prepensioen mag dus nog wel, maar het fiscale voordeel is komen te vervallen waardoor de regelingen onaantrekkelijk (zo niet onbetaalbaar) zijn geworden. De levensloopregeling wordt gezien als vervanging voor het vroegpensioen. Dit is bijvoorbeeld terug te zien in enkele cao's waarin afspraken gemaakt zijn over levensloop als mogelijkheid om eerder te stoppen met werken voorafgaand aan het pensioen. De levensloopregeling onderscheidt zich van vroegpensioenregeling door het vrijwillige en individuele karakter en de grotere mate van flexibiliteit. De regering wil eerder stoppen met werken ontmoedigen. Wordt de levensloopregeling gebruikt om eerder met pensioen te gaan, dan komt het fiscale voordeel (de extra heffingskorting) te vervallen.

[bewerken] Relatie tot spaarloon

Een werknemer mag niet in hetzelfde kalenderjaar zowel bij het spaarloon als bij de levensloopregeling geld inleggen. Het is dus of-of. Tegelijkertijd geld opnemen mag wel.

[bewerken] Levensloop mislukt?

Anderhalf jaar na de invoering van de levensloopregeling maken veel minder mensen gebruik van de regeling dan de wetgever verwachtte. Werknemers lijken liever te kiezen voor de overzichtelijke spaarloonregeling, die voor kleinere bedragen een hoger fiscaal voordeel oplevert. Bij spaarloon wordt maximaal 613 euro per jaar bruto ingelegd en na vier jaar netto uitbetaald. Bovendien mag een werknemer zelf weten waar hij (na vier jaar) zijn spaarloon aan uitgeeft, terwijl het levenslooptegoed alleen gebruikt mag worden voor verlof.

De levensloopregeling is een 'paradepaardje' van het kabinet Balkenende. Het kabinet wil dat mensen langer doorwerken én op eigen kosten zorg- of studieverlof opnemen. Na constatering dat de levensloopregeling in de huidige vorm mislukt is, pleit de architect van de levensloopregeling, de econoom Lans Bovenberg, in juli 2007 voor aanpassing van de regeling. Het populaire spaarloon zou moeten worden opgenomen in de levensloopregeling, want zegt Bovenberg: "De levensloopregeling wordt nooit populair zolang die blijft concurreren met het spaarloon". Ook moet het mogelijk zijn het gespaarde levensloopsaldo op te nemen in geld na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, als extraatje bovenop het pensioen (overigens is dit onder de huidige regeling reeds mogelijk). Voorts wil Bovenberg dat de spaarpot ook gebruikt mag worden om een periode van werkloosheid te overbruggen of om in te zetten als iemand arbeidsongeschikt wordt. Zo wordt de levensloopregeling ook een spaarpot voor magere tijden.

[bewerken] Vitaliteitssparen

Aanhangig is de afschaffing van de spaarloonregeling en de levensloopregeling en de invoering per 1 januari 2013 van het zogenoemde vitaliteitssparen[2].

Dit kan o.m. met een speciale vitaliteitsspaarrekening (een beleggings- of verzekeringsvariant is ook toegestaan). Stortingen bedragen maximaal € 5000 per jaar en zijn alleen toegestaan als men in het betreffende jaar arbeidsinkomsten geniet en aan het begin van het kalenderjaar jonger was dan 65 jaar; de stortingen zijn aftrekbaar in box 1. De rente wordt op de rekening bijgeschreven. Opnames zijn belast in box 1, het saldo is niet belast in box 3. In een jaar wordt niet méér gestort dan € 20.000 min het saldo aan het begin van het jaar; als dit saldo groter is wordt niets gestort. Vanaf het kalenderjaar waarin de belastingplichtige 62 jaar wordt mag hij/zij in een jaar € 10.000 of minder opnemen, of het hele saldo (daarvóór zijn er geen beperkingen).[3] Met een opname van het brutobedrag van € 10 000 per jaar is financieren van voltijdspensioen de facto niet mogelijk, maar financieren van deeltijdpensioen wel. Op 65-jarige leeftijd moet het hele saldo opgenomen zijn. Bij overlijden wordt het saldo belast.

Gevolgen van het overtreden van de regels:

  • Als de belastingplichtige meer dan € 10.000 euro opneemt in een jaar waarin hij/zij 62 jaar of ouder wordt, wordt het hele saldo belast; als er saldo resteert wordt dit later bij opname nogmaals belast.
  • Hoewel de latere opname wel belast is zijn niet aftrekbaar:
    • stortingen in een jaar waarin de rekeninghouder geen arbeidsinkomsten geniet
    • stortingen voor zover meer dan €5000 in één jaar
    • stortingen voor zover meer in één jaar dan € 20.000 min het saldo aan het begin van het jaar

Een nadeel van de regeling is dat stortingen niet aftrekbaar zijn van het bijdrage-inkomen (de heffingsgrondslag) voor de Zvw-premie, maar opnamen mogelijk wel bij het bijdrage-inkomen worden meegeteld, zodat er Zvw-premie over moet worden betaald.[4] Als de opname wordt gedaan in een jaar waarin men in een lagere schijf valt dan in het jaar van storting (met de schijven 2 en 3 als één schijf gerekend) dan is er veelal toch nog wel voordeel. Dit is bijvoorbeeld (bij de huidige tarieven) het geval als de opname wordt gedaan in een jaar waarin het inkomen in box 1 inclusief de opname kleiner is dan € 19.000 en de storting is gedaan in een jaar waarin het inkomen in box 1 na aftrek van de storting groter was dan € 19.000.

[bewerken] Voetnoten

  1. Bijna miljard gespaard voor levensloop, NU.nl, 1 augustus 2007
  2. Belastingplan 2012
  3. De bedoeling van het maximum van € 10.000 is te vermijden dat de belastingplichtige de regeling gebruikt om vervroegd geheel te stoppen met werken.
  4. Dit hangt er vanaf of "loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964" mede de apart genoemde inkomsten omvat waarover "ter vergemakkelijking van de heffing van de inkomstenbelasting" loonbelasting wordt geheven. Deze wet definieert belastbaar loon als totaal loon, en stelt dat het tarief wordt toegepast op het belastbaar loon, en gebruikt daarmee de term "loon" door elkaar in twee betekenissen: inclusief en exclusief de andere inkomsten waarover loonbelasting wordt geheven.

[bewerken] Zie ook

Voor Vlaanderen zie tijdskrediet.

[bewerken] Externe links

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren