Lex Saxonum

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Lex Saxonum is een wetcode van de Saksen. Deze Germaanse stam leefde in het noorden van Europa tijdens de middeleeuwen. Meer specifiek in het huidige Duitsland en in het oosten van het huidige Nederland.

De wetgeving van de Saksen werd opgemaakt onder Karel de Grote, de Frankische koning tussen 768 en 814. Het correcte jaartal waarin de tekst werd opgemaakt is het jaar 803. Dit weet men doordat er bepalingen en regels in genoteerd staan die ook voorkomen in de Capitulare legi Ribuariae additum, die dateert uit hetzelfde jaartal.

Karel de Grote stelde de Lex Saxonum op nadat hij de Saksen had onderworpen. Deze wetgeving was een zet van Karel de Grote om de Saksische stammen onder de duim te houden en hen te binden aan het Frankische rijk. De Lex Saxonum kan dus in dit opzicht gezien worden als een versmelting van het Frankische recht met de gewoontes en gebruiken van de heidense Saksen.

De wettekst bestaat uit twee manuscripten en twee oude uitgaven van respectievelijk B.J. Herold en du Tillet. Dit betekent dat de wettekst in twee handschriften bestaat. We vinden de teksten ook terug in de Monumenta Germaniae Historica van Karel von Richthofen. Deze Monumenta Germaniae Historica is een organisatie die onderzoek doet naar de geschiedenis van Duitsland. Deze organisatie heeft al enkele tekstkritische edities van middeleeuwse bronnen uitgegeven, onder meer ook over de Lex Saxonum.

De wettekst bestaat uit verschillende ongeschreven wetten door de Saksen. Dit soort wetten kennen we onder de term ‘gewoonterecht’. Het zou duidelijk te merken zijn in de teksten dat in die tijd een sterk mannenvoorrecht gold. Dit blijkt uit het volgende citaat: ‘Pater aut mater defuncti filio non filiae hereditatem relinquent.’

De Lex Saxonum bestaat allereerst uit een deel oud-Saksisch recht, daarna uit enkele wetten die dateren van het jaar 780 en als laatste de laatst toegevoegde wetten. Binnen deze laatste groep wetten wordt een onderscheid gemaakt tussen het Saksisch recht dat bestemd is voor Oostfalen, Westfalen en de Engeren of de Angrivariërs. Het was waarschijnlijk het recht voor de Westfalen die het meest invloed gehad heeft in onze streken. Deze Westfalen waren namelijk de meest westelijke Saksen en daarom het meest naburig ten opzichte van onze streken.

De wetten worden voorafgegaan door twee hoofdstukken van Karel de Grote die bedoeld zijn voor de Saksen. Deze worden de Capitulatio de partibus Saxoniae en de Capitulare Saxonicum genoemd. Het eerste hoofdstuk dateert uit het jaar 782 en is gekenmerkt door zijn strenge karakter. Hierin wordt gesteld dat elke zonde of overtreding tegenover het christendom bestraft moet worden met de dood van de zondaar. Het tweede hoofdstuk dateert van 28 oktober 797. Hierin treedt Karel de Grote niet zo hard op als wetgever. Zonden en criminele feiten werden volgens deze wettekst minder streng bestraft als in de vorige maar hielden uiteindelijk toch vaak de dood in als gevolg.

Bronnen, noten en/of referenties