Lhabzang
Koning Lhabzang, ook wel Lhabzang Khan (?-1717) was een Mongools heerser in Tibet van 1703 tot 1717. Zijn dood luidde de intocht van de soldaten in van de Chinese keizer Kangxi uit de Qing-dynastie.
Inhoud |
Historische achtergrond [bewerken]
De voorvader van Lhabzang, Güshri Khan van de Khoshut-Mongolen, een ondergroep van de Oirat-Mongools, had zich tot koning van Tibet uitgeroepen nadat hij door de vijfde dalai lama om hulp werd geroepen om de gelug te ondersteunen. Op een paar maanden na zou Güshri Khan echter het politieke bestuur aan de dalai lama overlaten.
In het nieuw ingerichte statelijke structuur van Tibet was de dalai lama weliswaar het onbestreden geestelijke staatshoofd, maar hij was voorlopig relatief weinig verbonden met de regeringsbelangen. De politieke macht lag formeel in de handen van de khans van de Khosuts, maar als echte nomaden gaven ze er de voorkeur aan zich op te houden in de omgeving van Dam ten zuiden van het meer Namtso. Ze kwamen slechts in de winter naar Lhasa, waar ze hun verblijf hadden in het paleis Ganden Khagsar (dga' ldan khang gsar).
De eigenlijke politieke macht was daarom in de handen van een regent en aanvankelijk door de Mongoolse koningen benoemd werden. Onder de zwakke opvolgers van Güshri Khan nam de invloed van de Mongoolse koningen steeds meer af, wat uitliep op een toename van de macht van de vijfde dalai lama. De door hem in 1679 benoemde regent Sanggye Gyatso was een machtbewuste man die Tibet met strenge hand regeerde.
Overname van de macht in Tibet [bewerken]
De desinteresse van de Mongoolse koningen voor de actuele regeringszaken van Tibet veranderde zich met de machtovername door Lhabzang Khan. Na de dood van zijn vader Dalai Khan (1668-1701) regeerde eerst zijn broer Tenzin Wangchuk Khan over de Khoshut-Mongolen van 1701 tot 1703. In dat jaar liet Lhabzang zijn broer vergiftigen en nam hij de macht zelf in handen. Hij hield zich bezig met de onafhankelijkheid van de overige Oirat-Mongolen onder leiding van Dzjoengaren en richtte zijn blik op de gang van zaken in Lhasa.
De zesde dalai lama Tsangyang Gyatso (1683-1706) hield in tegenzin van de khan, de Chinese keizer en een groot deel van de geestelijkheid zich niet aan de strenge regels van de Vinaya Pitaka die de gelugschool voorschreef. Uiteindelijk gaf hij zijn monnikengelofte terug. Diens regent Sanggye Gyatso had tot twee maal toe geprobeerd Lhabzang te vergiftigen. Lhabzang reageerde daarop met een opmars naar Lhasa. Hij overwon de regent en verzekerde hem immuniteit. Ondanks deze toezegging liet Tsering Trashi, de echtgenote van Lhabzang, de regent in Gongkar oppakken en op 6 september 1705 executeren. Lhabzang zette de zesde dalai lama af en stuurde hem op reis naar Peking. Onderweg overleed de dalai lama, vermoedelijk aan een onnatuurlijke dood.
Verstoorde verhouding met de boeddhistische geestelijkheid [bewerken]
Met de verbanning van de zesde dalai lama haalde Lhabzang het ongenoegen en woede van delen van de boeddhistische clerus en de Tibetaanse bevolking op zijn hals. Al bij de arrestatie van de zesde dalai lama was het tot een tumult gekomen. Lhabzang had weliswaar geproclameerd dat de zesde dalai lama niet de juiste was en dat hij de echte dalai lama had gevonden en geïnstalleerd. Deze plaatsvervanger had de naam Yeshe Gyatso en sommige bronnen melden over hem dat hij een natuurlijke zoon was van Lhabzang. De Tibetanen erkenden hem echter niet en gingen op zoek naar de reïncarnatie die gevonden werd in Kälsang Gyatso. Keizer Kangxi had in eerste instantie Yeshe Gyatso erkend als de zevende dalai lama, maar besloot na een verwarrende tijd toch Kelsang Gyatso te erkennen in 1710 als de juiste reïncarnatie.
Betrekkingen met het Chinese keizerlijk hof [bewerken]
Onmiddellijk na de moord op de regent Sangé Gyatso verzond Lhabzang een bericht over het verloop van de gebeurtenissen in Tibet naar de Chinese keizer Kangxi. Kangxi was een uitgesproken tegenstander van de regent en deelde per omgaande zijn instemming mee. Hij stuurde de Mantsjoe-luitenant Hsi-chu naar Tibet om Lhabzang de titel I-fa-kung-shun-han (religieuze en trouwe khan) te verlenen. Kangxi was er ook op gewezen dat Lhabzang de instructie gegeven had, de afgezette zesde dalai lama naar Peking te laten deporteren.
In 1709 besloot keizer Kangxi een vertegenwoordiger van het keizerlijk hof naar Tibet te zenden om toezicht te houden op de uitvoering van de regeringstaken van Lhabzang. De keuze viel hierbij op Ho-shou die weliswaar met groot gevolg, maar zonder militaire escorte naar Lhasa reisde.
Ho-shou had de opdracht de orde in Tibet te herstellen en Lhabzang te ondersteunen tegen diens tegenstanders die zich voor een belangrijk deel bevonden onder de aanhang van de vermoorde regent Sanggye Gyatso. Deze missie was de eerste poging van de kant van China, Tibet in te richten als een Chinees protectoraat. De poging strandde echter en Ho-shou verliet Lhasa in het jaar 1711. Zijn post werd niet opnieuw bezet en Lhabzang regeerde soeverein, zonder directe Chinese invloed in Tibet.
Oorlog met Bhutan [bewerken]
Na een briefwisseling tussen Lhabzang met de koning va n Bhutan, waarin wederzijds bedreigingen werden uitgesproken, nam Lhabzang in 1714 voorbereidingen voor een militaire operatie tegen Bhutan. Deze oorlog waarin een vertegenwoordiger van de jonge adel in Tibet, Pholhanas, door bijzondere militaire verrichtingen naar voren trad, eindigde met een terugtrekking van de Mongoolse en Tibetaanse troepen. De oorlog droeg bij aan de verzwakking van Lhabzang Khan.
Inval van de Dzjoengaren in Tibet [bewerken]
Tsewang Rabtan was de khan van de Dzjoengaren van 1697 tot 1727. Hij streefde ernaar verzet te bieden tegen de Mantsjoe-politiek van onderwerping van de stammen van Binnen- en Buiten-Mongolië en was daarmee een gevaar voor de expansiepolitiek van China.
Tsewang Rabtan huwelijkte eerst zijn dochter uit met de zoon van Lhabzang in 1714 en verhulde een veldtocht naar Lhasa in 1717 onder het mom van de terugkeer van het bruidspaar. Lhabzang herkende de truc te laat. Weliswaar kon hij met hulp van Pholhanas een verdedigingslinie organiseren, maar deze hield tegen de aanvallen van de Dzjoengaren slechts enkele maanden stand. Lhabzang trok zich daarom terug naar Lhasa. De stad werd door de Dzjoengaren belegerd en uiteindelijk door verraad uit de eigen rijen relatief gemakkelijk ingenomen. De verschrikkingen van de gebeurtenissen en plunderingen in Lhasa door de Dzjoengaren werden in berichten van katholieke missionarissen opgetekend.
Lhabzang vluchtte met zijn familie naar het Potala. Om de vernietiging van het Potala te voorkomen en de dood van de zich daar ophoudende vluchtelingen in het geval van een bestorming, ondernam hij met getrouwen een uitval waarbij hij werd gedood. De plundering van Potala en de afvoer van alle schatten in het gebouw had hij daarmee echter niet voorkomen.
Gevolgen van de inval [bewerken]
De pogingen van Tsewang Rabtan strandden om de zevende dalai lama naar Tibet terug te voeren. Deze bleef onder toezicht van de Chinese keizer Kangxi. Voor de keizer was het een politieke noodzaak de vereniging van Tibet met het Dzjoengarije van Tsewang Rabtan te voorkomen. Het gevolg was de uitzending van een Chinees leger naar Tibet. De eerste onderneming faalde in 1718. Een tweede expeditie leverde in september 1720 de inname van Lhasa op voor de Chinezen. In het gevolg van het Chinese leger bevond zich ook de zevende dalai lama die nu in zijn ambt werd gezet.
Literatuur [bewerken]
- (en) Petech, Luciano (1972) China and Tibet in the Early XVIIIth Century. History of the Establishment of Chinese Protecturate in Tibet, Brill, Leiden
| Voorganger: Tenzin Wangchuk Khan (1701 - 1703) |
Khan van de Khoshut-Mongolen 1701 - 1717 |
Opvolger: Lobzang Danjin (overleden 1731) |
| Zie de categorie Lhabzang Khan van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |