Libanese Burgeroorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Libanese Burgeroorlog was een burgeroorlog in Libanon van 1975 tot 1990.

Achtergronden[bewerken]

Het is altijd moeilijk om een ‘reden’ te geven voor een burgeroorlog en elke poging daartoe zal onvolledig zijn. Desondanks kan globaal worden gesteld dat onder de moslimbevolking van Libanon in de beginjaren 70 een groeiende onrust ontstond. Bij de onafhankelijkheid van Libanon in 1943 werd namelijk bepaald dat de christenen de helft van de parlementszetels zouden krijgen alsmede belangrijke posities mochten innemen, zoals het presidentschap en het opperbevelhebberschap van het Libanese leger. De zetelverdeling en verdeling van machten was gebaseerd op de laatste volkstelling uit 1932, toen de Christelijke bevolking (zelf absoluut ook geen homogeen blok) uit 55% van de bevolking bestond. Echter, de demografische ontwikkelingen sindsdien leidden ertoe dat de moslims de numerieke meerderheid verkregen zonder dat hun politieke invloed toenam. Er gingen steeds meer stemmen op om het politieke stelsel te herzien, iets waar de christenen weinig voor voelden.

Als bijkomende oorzaak kan tevens de destabiliserende factor van de PLO worden genoemd. De PLO vluchtten sinds de Zwarte September van 1970 uit Jordanië en vonden met name in Libanon onderdak. Vanuit Zuid-Libanon begon de PLO met aanvallen op het noorden van Israël. De aanwezigheid van de PLO zorgde hierdoor echter voor een constante dreiging van vergeldingsacties door het Israëlische leger. De toenmalige VN ambassadeur van Libanon, Edward Ghorra, klaagde over de PLO bij de VN, volgens hem werden zowel buitenlanders als Libanezen door de PLO ontvoerd, ondervraagd en soms vermoord.[1] Er vonden ook verkrachtingen, verminkingen en moorden plaats door de PLO [2]. Zowel Libanese moslims als Libanese christenen vielen aan de PLO ten prooi, aldus de Libanese dokter Khalil Torbey. Mannen werden levend achter auto's gespannen en door de straten gereden.[3] Zelfs milities die op momenten bevriend waren met de PLO klaagden over de brute wijze waarop Palestijnse militanten met de plaatselijke bevolking omgingen. Musa as-Sadr, leider van de sjiitische emancipatie-organisatie Amal, zei dat de PLO een "militaire machine" was die "de Arabische wereld terroriseert".[4].

Escalatie[bewerken]

Algemeen wordt 13 april 1975 als het begin gezien van de Libanese burgeroorlog die zou duren tot 1990. Op de morgen van die dag werd een aanslag gepleegd op de leider van de Falangisten, een christelijke beweging onder leiding van Pierre Gemayel, waarbij vier mensen omkwamen. De Falangisten vermoedden dat Palestijnse fracties achter deze aanslag zaten en vielen in reactie hierop een bus met Palestijnen aan waarbij 26 mensen omkwamen. De volgende dag braken er verscheidene gevechten uit tussen Palestijnse en Falangistische milities. Het Libanese leger kwam voor de moeilijke keuze te staan: dient het Palestijnse geweld te worden aangepakt of moeten juist de Falangisten worden ingetoomd? Welke beslissing men ook zou nemen, het zou verdeeldheid hebben gezaaid in het leger wegens de sterk toegenomen animositeit tussen moslims en christenen.

Ook in politiek opzicht braken er roerige tijden aan. De toenmalige premier Rashid el Solh en zijn gehele kabinet trad af en werd opgevolgd door Rashid Karami. De president, de pro-Syrische christen Suleiman Franjieh, bleef wel aan en wilde zich herkiesbaar stellen, ondanks vele oproepen om af te treden.

In de daaropvolgende maanden breidden de gevechten zich uit naar andere regio’s van het land en werden meerdere milities bij de strijd betrokken. Ruwweg ontstonden twee groeperingen: het Libanese Front, gericht op handhaving van de status-quo, en de Libanese Nationale Beweging, gericht op het moderniseren van de politieke machtsverhoudingen. Het Libanese Front bestond met name uit christelijke facties, terwijl de Libanese Nationale Beweging werd gevormd door Palestijnse milities, aangevuld met de Druzen van Kamal Jumblatt.

Tegen het einde van 1975 had geen van de partijen een overwicht bereikt en talloze staakt-het-vuren werden telkens verbroken. Syrië begon zich te roeren als vredestichter aan het begin van 1976 toen bleek dat de schermutselingen van april 1975 een langdurige en bloederige wending hadden genomen.

Inmenging door PLO[bewerken]

De situatie in 1976

In januari 1976 werd onder Syrische invloed een nieuw staakt-het-vuren bedongen, maar een complicerende factor was een verhevigde uitbraak van gewelddadigheden tussen het Libanese Front en de Libanese Nationale beweging. De eerste viel een Palestijns vluchtelingenkamp in Oost-Beiroet aan, Tell Zatar. Dit kamp lag als een moslimenclave in het overwegende christelijke Oost-Beiroet en was een doorn in het oog van de christenen. Tevens werd een andere moslimwijk in Oost-Beiroet, Karantina, met de grond gelijk gemaakt waarbij vele doden vielen, onder wie talloze onschuldige burgers.

Deze aanslagen leidden ertoe dat de militaire tak van de PLO, die zich tot dan toe afzijdig had gehouden, zich met de strijd ging bemoeien. In reactie op de aanslagen door de christelijke milities, viel de PLO de christelijke stad Damour aan, waarbij vele burgers werden vermoord en de overlevenden werden verdreven.

Door deze ontwikkelingen liet het staakt-het-vuren een maand op zich wachten, maar in februari 1976 was Syrië toch in staat een bestand af te kondigen. Een maand later, echter, werd dit bestand alweer verbroken door het opbreken van het Libanese leger, wat tot dan toe, neutraal was gebleven. De luitenant Ahmad Khatib, een moslim, pleegde muiterij en stelde met medestanders een eigen leger samen, het Libanees-Arabische leger. Dit leger trok vervolgens ten strijde tegen de christenen en met succes want ze verdreven de president, Franjieh, uit de presidentiële woning, zonder overigens politieke consequenties want Franjieh bleef aan de macht, zij het op een andere locatie.

De termijn van Franjieh liep af in september 1976 en als opvolger werd Elias Sarkis aangewezen, een pro-Syrische president. Hij ontmoette veel tegenstand met zijn kandidatuur, met name van de kant van Jumblatt, de druzenleider die inmenging door Syrië via Sarkis, onacceptabel noemde. Jumblatt intensiveerde zijn aanvallen op christelijke dorpen om zodoende druk uit te oefenen op de regering.

De splitsing van het leger, de kandidatuur van Sarkis en de groeiende verdeeldheid tussen moslims en christenen zou, indien de rust niet snel werd hersteld, verstrekkende consequenties kunnen hebben, zo was de algemene opvatting. Men dacht dat indien de moslims zouden winnen, Libanon wellicht werd omgevormd tot een islamitische natie, terwijl de christenen dan uit waren op het vestigen van een afzonderlijke christelijke staat in het Libanon gebergte.

Inmenging door Syrië[bewerken]

Beide opties waren onverteerbaar voor Syrië, dat in mei 1976 derhalve besloot om militair in te grijpen en zodoende de rust te herstellen. De Syrische troepen traden met name hard op tegen de moslim milities en hadden eind juli vrijwel alle milities in bedwang.

Door zo overduidelijk partij te kiezen voor de christenen en tegen de moslims, verloor Syrië veel sympathie bij de andere moslim landen in het Midden-Oosten. Om hieraan tegemoet te komen, zette Syrië de aanval op de moslim milities niet volledig door, volgens het principe "Geen winnaars, geen verliezers".

Tevens organiseerde Syrië in oktober 1976 een vredesconferentie in Riyad, Saoedi-Arabië. Tijdens deze conferentie en de daarop volgende Arabische Liga top in Caïro werd besloten tot het instellen van de Arab Deterrent Force, de ADF. Dit leger stond officieel onder bevel van de Libanese president, Sarkis, en bestond voor het grootste deel uit Syrische soldaten die met 27.000 personen de meerderheid uitmaakten van het 30.000 tellende leger. Het ADF bracht de beloofde rust en gedurende enkele maanden leek het erop dat de Libanese burgeroorlog ten einde was.

De president van Libanon, Sarkis, stelde in december 1976 Salim al Hoss aan als premier, met als opdracht een technocratisch kabinet samen te stellen. Voornaamste taken waren het het gezag van het leger te herstellen en, conform het Caïro Akkoord, het zuiden van Libanon onder haar invloed te brengen.

Inmenging door Israël[bewerken]

De PLO, onder druk van het ADF om haar zware wapens in te leveren, nam haar toevlucht tot het zuiden van Libanon. Het zuiden van Libanon werd door de militie 'Zuid-Libanese Leger' van de Libische deserteur Saad Haddad gedomineerd. Israël had behoefte aan het beschermen van het noorden van Israël tegen aanvallen van de PLO en startte het initiatief Good Fence. Hier werd invulling aan gegeven door het steunen van Libanese christelijke groeperingen, zoals het Zuid-Libanese Leger van Haddad. Haddad opende een offensief tegen de Palestijnse milities en werd hierbij militair en financieel gesteund door Israël. Deze operatie Vrij Libanon veroorzaakte een massale vlucht van met name sjiitische burgers naar noordelijk Libanon.

De escalatie van de burgeroorlog tot een regionaal conflict bleef in de eerste jaren beperkt tot de grensgebieden tussen buurlanden. In juli en augustus 1977 werd een conferentie belegd tussen Libanon en Syrië om de positie van de PLO in Libanon te bespreken. Feitelijk was deze conferentie bedoeld om de Conferentie van Caïro in 1976 te verduidelijken. Tijdens de conferentie in Chtoura werd besloten om in lijn met de wens van Syrië een veiligheidsbuffer van 15 kilometer in te stellen. Hiermee werd geprobeerd ervoor te zorgen dat PLO bij de Libanees-Israëlische grens wegbleef, omdat Syrië niet zat te wachten op een hernieuwde confrontatie met Israël.

Uitvoering van dit verdrag was echter lastig omdat het Libanese leger op haar beurt niet de confrontatie met de PLO wilde aangaan. De PLO bleek niet vrijwillig te willen vertrekken. Het zuiden bood immers een bescherming tegen de Syrische troepen. Het Libanese leger bleek op deze manier de PLO niet daadwerkelijk uit het zuiden weg te krijgen.

In het voorjaar van 1978 drong het Israëlische leger het zuiden van Libanon binnen voor een aanval op de PLO-milities in reactie op een PLO aanval op de Israëlische kustplaats Tel Aviv. Hierbij werden opzettelijk ook bewoonde gebieden door de Israëlische krijgsmacht gebombardeerd.[5]

Onder druk van de Verenigde Naties trok Israël zich na drie maanden weer terug. De VN vredesmacht UNIFIL nam de posities in het zuiden over en kreeg als taak de grens te bewaken. Ook de militie van Haddad keerde terug in het zuiden van Libanon en zijn milities raakten soms in zware vuurgevechten verwikkeld met UNIFIL, zoals met Nederlandse soldaten, waarvan enkelen ook een tijdlang gegijzeld werden uit wraak voor de dood van een militielid, maar na betaling van losgeld weer werden vrijgelaten.

Nuvola single chevron right.svg Zie UNIFIL voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Nuvola single chevron right.svg Zie Dutchbatt voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Wrijving tussen Libanon en Syrië[bewerken]

De Libanese president Sarkis was in de begindagen van zijn presidentschap sterk gericht op nauwe samenwerking met Syrië, immers, de Syriërs brachten via de ADF rust en herstelden de machtsbalans ten gunste van de christenen. Maar mede als gevolg van de vredesbesprekingen tussen Egypte en Israël, stelde Syrië zich steeds meer pro-Palestijns op. Daar kwam bij dat de ADF geen volledige controle in Libanon kon uitoefenen tenzij het alle milities zou ontwapenen, een onmogelijke opgave. Het ADF, dat voornamelijk werd gefinancierd door Syrië, drukte steeds zwaarder op de begroting van dat land, terwijl haar invloed aan het afnemen was.

Beiroet in 1978

In februari 1978 kwam het tot een confrontatie tussen het Libanese leger en de ADF in Oost-Beiroet, gevolgd door zware ADF bombardementen op christelijke stadsdelen. De president Sarkis trad af als protest tegen deze aantasting van de Libanese soevereiniteit, maar kwam later terug op zijn besluit. De ADF staakte haar bombardementen in oktober 1978, als gevolg van VN-resolutie 436 dat Syrië opriep de gevechten te staken.

In Libanon gingen steeds meer stemmen op om het ADF leger te verzoeken uit Libanon te vertrekken, maar Sarkis zegde in mei 1979 met de Syrische president Assad toe dat de ADF in Libanon kon blijven zolang het Arabische belang dat rechtvaardigde.

Libanese verdeeldheid[bewerken]

Het eenheidskabinet dat de premier Hoss was gevraagd op te zetten, kwam feitelijk niet van de grond en na een periode van twee jaar van moeizaam proberen, werd Shafiq Al Wazzan in oktober 1980 aangesteld als premier. Hij ondervond zo mogelijk nog meer problemen, onder meer doordat hem de steun ontbrak van de meerderheid van de parlementsleden.

Daarnaast raakte men onderling verdeeld in 1980. Gevechten braken uit tussen sji-ietische moslims, georganiseerd in de Amal militie, en de PLO strijdkrachten die was gevormd uit soennitische moslims. Ook de christenen raakten slaags. Zo behaalde de Falangisten militie van Bashir Gemayel een klinkende overwinning op de Tijger militie van de Nationale Liberale Partij onder leiding van Camille Chamoun.

Gedurende 1981 nam de verdeeldheid en de onveiligheid alleen maar toe. In september 1981 maakte Libanon kennis met een nieuw fenomeen: een aanhoudende stroom van autobommen en ontvoeringen. In combinatie met soms felle gevechten tussen moslims en christenen, alsmede tussen moslims onderling en christenen onderling, bracht dit met name moslims tot de realisatie dat het ADF niet machtig genoeg was om daadwerkelijk vrede te brengen. Dit creëerde een hernieuwde oproep aan het onmachtige Libanese leger om de partijen te scheiden.

Bashir Gemayel, die sterk aan macht had toegenomen nadat hij de militie van opponent Chamoun had verslagen, was een belangrijke kandidaat tijdens de presidentsverkiezingen van 1982. Echter, zijn broer Amin Gemayel genoot de voorkeur van Syrië en de PLO wegens Bashirs banden met Israël.

Een aanhoudende bron van conflicten was tevens de gevechten tussen de PLO en het Israëlische leger aan de grens. Toch was onder leiding van de Amerikaanse onderhandelaar Philip Habib, een vredesakkoord gesloten tussen beide partijen op 24 juni 1980. Dit verdrag hield 10 maanden stand en werd verbroken door vele raketaanvallen op Noord-Israël alsmede een moordaanslag op de Israëlische ambassadeur in Londen.

Invasie door Israël[bewerken]

Als reactie viel Israël opnieuw Libanon binnen op 6 juni 1982. Binnen twee weken was de hoofdstad Beiroet bereikt en werd gedurende drie maanden felle strijd geleverd met het hoofdkwartier van de Palestijnen aldaar. Habib was tenslotte in staat om een bestand te organiseren, met als belangrijkste consequentie het vertrek van de PLO uit Libanon onder het toeziend oog van een tijdelijke internationale monitoringsgroep, bestaande uit de Verenigde Staten, Frankrijk en Italië. Op 10 september was het vertrek compleet en verlieten de internationale troepen Beiroet. In eerste instantie zagen veel Libanezen Israël als een handige bondgenoot tegen politieke rivalen, dan wel als een bevrijder. Israëlische soldaten werden op verscheidene plekken begroet met liederen en het gooien van rijst.[6][7] Geïnterviewde overlevenden van PLO terreur zeiden blij te zijn met Israëls komst.[8][9]

Ondanks de Israëlische invasie, ging het politieke leven door, en in augustus werd Bashir Gemayel gekozen tot opvolger van Elias Sarkis als president . Op 14 september echter, ruim een week voor zijn installatie, werd Bashir Gemayel vermoord. Een dag later trokken Israëlische troepen West-Beiroet binnen en met Israëlische goedkeuring vielen christelijke milities onder het commando van Elie Hobeika twee Palestijnse vluchtelingenkampen in West-Beiroet aan: Sabra en Shatila. Wat volgde was een orgie van geweld die drie dagen zou duren en waarbij naar schatting ongeveer 700 Palestijnen, voor de overweldigende meerderheid burgers, door de Falangisten werden vermoord.

Amin Gemayel volgde, in plaats van zijn vermoorde broer, Sarkis op als president van Libanon op 23 september 1982. Ter ondersteuning van zijn positie kwamen de internationale strijdmachten Amerika, Frankrijk en Italië terug in Libanon om mee te helpen de rust te bewaren, later (februari 1983) aangevuld met Britse strijdkrachten.

De belangrijkste doelstelling van Amin Gemayel was de beëindiging van de aanwezigheid van de buitenlandse strijdkrachten, Israël en Syrië. Daartoe opende hij eind 1982 vredesbesprekingen met Israël die werden gesponsord door Amerika. Dit mondde uit in een omstreden Vredesverdrag tussen Israël en Libanon op 17 mei 1983. Dit verdrag bepaalde onder meer de terugtrekking van Israëlische troepen uit Libanon.

Het vertrek van Israël[bewerken]

Aanslag op de kazerne van Amerikaanse mariniers op 23 oktober 1983

Het vertrek van Israël leidde tot hevige gevechten in het Shouf-gebergte tussen christelijke en Druzen-milities. Daarnaast inspireerde de steun die Amerika verleende aan het verdrag, tot aanslagen op Amerikaanse soldaten die onderdeel uitmaakten van de monitoringsgroep (23 oktober 1983, 298 doden) en aanslagen op de Amerikaanse ambassade op 18 april 1983 en 20 september 1984.

Toen duidelijk werd dat de Amerikanen voornemens hadden om Libanon te verlaten na de aanslag op de Amerikaanse ambassade en een aanslag op Amerikaanse en Franse mariniers waarbij 299 mariniers van hen het leven verloren, nam de druk op de regering toe om het vredesverdrag met Israël op te zeggen. De regering kondigde dan ook op 5 maart 1984 aan dat het verdrag werd opgezegd.

Een nieuwe eenheidsregering werd gevormd door Rashid Karami in april 1984, echter zonder veel succes. De interne veiligheid was sterk afgenomen, het Libanese leger was vrijwel geheel uit elkaar gescheurd, mede door felle gevechten die plaatsvonden nadat het Israëlische leger zich had teruggetrokken uit Libanon. Met name in het Shouf gebergte werd hevig gevochten tussen Druzen en christenen.

In 1985 braken opnieuw zware gevechten uit, ditmaal tussen Palestijnse milities en Amal, de militie van de sjiieten. Deze gevechten werden ook wel de “oorlog van de kampen” genoemd aangezien de Palestijnse milities zich in de vluchtelingenkampen bevonden. Ondanks het vertrek van de PLO uit Beiroet in de zomer van 1982, hadden verscheidene Palestijnse facties zich (her)bewapend. Eind 1985 begon Syrië met vredesonderhandelingen tussen de diverse partijen. Echter, een belangrijke partij, de Forces Libanaises (LF, vert: Libanese Krachten) alsmede de president van Libanon, Gemayel, wezen het akkoord af.

Toen in januari 1986 het leiderschap van de LF werd overgenomen door de fanatieke Samir Geagea, gaf Syrië instructies aan de pro-Syrische, moslim kabinetsleden om niet meer mee te werken aan de regering. De moord op premier Rashid Karami op 1 juni 1987 alsook de sterke devaluatie van de Libanese munt, maakte dat Libanon verder wegzakte in een politiek en economisch moeras.

Salim Hoss volgde de vermoorde premier Rashid Karami op als waarnemend premier. Echter, toen de termijn van Amin Gemayel afliep, werd generaal Michel Aoun aangesteld als minister-president, wat in strijd was met het Nationaal Pact van 1943 waarin was bepaald dat de premier een soenniet dient te zijn. Dit had tot gevolg dat de Libanese regering nu feitelijk was gesplitst in een christelijk kabinet in Oost-Beiroet onder leiding van Aoun en een moslim kabinet in West-Beiroet onder leiding van Hoss.

Aoun bond de strijd aan met zowel christelijke als moslim milities, die belangrijke havens in hun bezit hadden en derhalve de import van wapens en dergelijke controleerden. Dit leidde tot hevige gevechten en bombardementen op Beiroet en in het Shouf-gebergte.

Het einde in zicht[bewerken]

Op 4 november 1989 ratificeerde het Libanese parlement het Vredesakkoord van Taif, dat een nationale verzoening in zou moeten leiden en onder meer door bemiddeling van Saoedi-Arabië tot stand kwam. Tevens werd René Mouawad op 5 november benoemd tot president. President Aoun accepteerde zowel het Taif akkoord, als de benoeming van zijn opvolger niet.

De pas aangestelde president Mouawad kwam bij een aanslag op 22 november 1989 om het leven en werd opgevolgd door Elias Hrawi, die Salim Hoss benoemde tot premier.

Ondanks internationale erkenning van de regering van Hrawi, weigerde Aoun loyaal te zijn aan Hrawi, die hem daarop uit zijn ambt van opperbevelhebber zette in december 1989. De (voormalige) generaal Aoun trok vervolgens ten strijde tegen de milities van de LF in januari 1990 en er ontstond een bloedige strijd tussen beide christelijke milities.

Het Libanese parlement nam in augustus 1990 diverse moties aan die gestalte gaven aan de praktische invulling van het Taif akkoord. Zo werd het aantal parlementszetels uitgebreid van 99 tot 108 en kregen moslims evenveel zetels als christenen.

In oktober 1990 dwong een Syrisch offensief Michel Aoun tot overgave en hij zocht zijn toevlucht in de Franse ambassade. Hij verbleef daar bijna een jaar, waarna hij op 27 augustus 1991 politiek asiel kreeg in Frankrijk.

In december 1990 werd Omar Karami aangesteld als premier en volgde daarmee Hoss op. De Libanese staat werd weer machtiger en herstelde haar gezag over Libanon. Zo werden de diverse milities ontbonden in mei 1991, met uitzondering van Hezbollah. Ook werden diverse haarden van Palestijns verzet aangepakt in Sidon in juli 1991 en in mei 1992 werden de laatste westerse gijzelaars vrijgelaten. Als einddatum wordt meestal de nederlaag van Michel Aoun gezien in 1990, alhoewel ook 1991 wordt genoemd vanwege de ontwapening van de milities.

Het vertrek van Syrië[bewerken]

In 2005 vertrokken de Syrische troepen uit Libanon na massale demonstraties en grote internationale druk op Syrië volgend op de moord op de voormalige Libanese premier Hariri. Veel Libanezen houden Syrië verantwoordelijk voor de dood van de ex-premier. Door de toenemende binnenlandse en internationale druk moest Damascus uiteindelijk overstag gaan.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. New York Times, (October 15, 1976); Official Records of the General Assembly, Thirty-first Session, Plenary Meetings, 32nd meeting.
  2. http://www.jewishvirtuallibrary.org/jsource/myths/mf11.html#7
  3. Los Angeles Herald-Examiner, (July 13, 1982), cited in Becker, p. 153.
  4. Yasir Arafat Door Judith Colp Rubin notitie negen voor pagina's 78-83.
  5. Aldus de Israëlische generaal Gur in een interview met de krant Al-Hamishmar, 10 mei 1978. Geciteerd door Edward Said (1980). The Question of Palestine. Londen/Henley: Routledge & Kegan Paul.
  6. http://fr.jpost.com/servlet/Satellite?cid=1154525936435&pagename=JPost/JPArticle/ShowFull Jerusalem Post Artikel
  7. http://www.youtube.com/watch?v=sUYxKbMDUaw Filmmateriaal
  8. http://www.jewishvirtuallibrary.org/jsource/myths/mf11.html#c
  9. David K. Shipler, New York Times 20 Juni 1982