Lijncodering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Bij digitaal gegevenstransport wordt gebruikgemaakt van lijncodering. Lijncodering is het representeren van een te transporteren digitaal signaal door een amplitude- en tijd-discreet signaal, dat optimaal is toegesneden op de specifieke eigenschappen van het fysieke kanaal (en van de ontvangstapparatuur). Na lijncodering kan het signaal direct in de vorm van spanningsvariaties door transmissie-apparatuur op een transmissielijn worden gezet.

Een lijncodering mag geen gelijkspanningscomponent bevatten (de gemiddelde signaalwaarde moet dus 0 zijn), omdat transport van gelijkspanning over lange leidingen niet mogelijk is. Een aanwezige gelijkspanningscomponent zou daarom aan de ontvangstzijde zorgen voor een offset, en dus voor grotere kans op fouten in de decodering.

Daarnaast moet lijncodering ondersteunen dat aan de ontvangstzijde een goede synchronisatie op (de fase van) het ontvangen signaal mogelijk is. Als de synchronisatie niet optimaal is, dan wordt er niet op die tijdstippen gedecodeerd waarop in de ontvangen signaalvorm de verschillen (in amplitude) tussen de in de lijncodering gedefinieerde symbolen of digits optimaal zijn. Bij realistische kanalen is het bijvoorbeeld niet gewenst om lange rijen opeenvolgende nullen of enen te verzenden, omdat dan de ontvanger problemen kan krijgen met de synchronisatie. Lijncodering kan ervoor zorgen dat er een bepaald maximum zit in het aantal achtereenvolgens verstuurde nullen of enen.

Ten derde is het wenselijk als de lijncodering een structuur heeft die bij de lijndecodering detectie van fouten mogelijk maakt.

Bekende lijncoderingen[bewerken]

Zie ook[bewerken]