Lijst van stadhouders in de Nederlanden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Lijst van stadhouders)
Ga naar: navigatie, zoeken

Een overzicht van stadhouders in de Nederlanden.

Korte geschiedenis[bewerken]

Een stadhouder is een plaatsvervanger van een vorst in een van diens gewesten; in de Zuidelijke Nederlanden wordt hij ook wel gouverneur genoemd. In de Nederlanden waren de stadhouders eerst in dienst van de Bourgondische, daarna van de Habsburgse vorsten, maar ook Karel van Gelre en de Saksische hertogen in Friesland hadden stadhouders in gewesten die zij bezetten, tot de Habsburgers in 1543 alle Nederlanden hadden veroverd (zie Gelderse Oorlogen). Bij het aanstellen van stadhouders werden leden gekozen uit de hoge Nederlandse adel, en belangrijke families leverden meerdere stadhouders.

Door de Tachtigjarige Oorlog waren er twee partijen die aanspraken maakten op verscheidene gewesten in de Nederlanden, die derhalve twee verschillende stadhouders kregen, één voor de Spaanse koning/Oostenrijkse aartshertog en één in dienst van de Staten-Generaal der Nederlanden. Uiteindelijk kwamen alle stadhouders in de Verenigde Provinciën uit het huis Oranje-Nassau en werd het Noord-Nederlandse stadhouderschap erfelijk in 1747.

Erfstadhouder Willem VI werd, na terugkeer uit ballingschap in 1813 ten gevolge van Franse bezetting in 1815 ingehuldigd als eerste koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830/1839) dat ook het latere België omvatte en een personele unie met het Groothertogdom Luxemburg onderhield. De Koning(in) der Nederlanden stelt sindsdien de provinciaal gouverneur aan over iedere provincie, die sinds 1850 commissaris van de Koning(in) wordt genoemd (behalve in Limburg). België (onafhankelijk sinds 1830/1839) heeft nog steeds provinciale gouverneurs; Luxemburg schafte het stadhouderschap/gouverneurschap in 1890 af bij zijn onafhankelijkheid.

Artesië[bewerken]

In dienst van de Habsburgers:

Brabant[bewerken]

Brabant kende geen stadhouder, aangezien de landvoogd(es) dit gewest rechtstreeks vanuit Brussel bestuurde. Willem van Oranje heeft eens voorgesteld om een soort stadhouder (superintendent noemde hij het) aan te stellen om de staten van Brabant te kunnen bewegen tot gehoorzaamheid, omdat zonder stadhouder de staten te zelfstandig konden optreden. Zijn voorstel werd echter verworpen door Granvelle.[4] Bij de intocht van Willem van Oranje te Brussel in 1577 kreeg hij wel de middeleeuwse titel van ruwaard, wat op een stadhouderschap neerkwam, maar vooral een symbolische waarde had.

Doornik[bewerken]

Drenthe[bewerken]

Vóór 1536 was de drost de vertegenwoordiger van de landsheer geweest. Met Georg Schenck van Toutenburg ontving Drenthe van de Habsburgers in 1536 haar eerste stadhouder; sindsdien had Drenthe meestal dezelfde stadhouder als Groningen. Meer nog dan Groningen is Drenthe strijdperk geweest tussen de dynastieën Nassau-Dillenburg en Nassau-Dietz enerzijds en Nassau-Oranje/Oranje-Nassau anderzijds.
Met meer moeite dan in Groningen werd Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg in 1593 door de Drentse adel, in 1596 ook door de Staten-Generaal erkend als stadhouder, hoewel landelijk een groep edelen meer voelde voor Maurits van Nassau,[6] die met de dood van Willem Lodewijk in 1620 alsnog stadhouder van Drenthe werd. Tussen 1625 en 1640 bestuurden de Casimirs van Nassau-Dietz Drenthe en Groningen, van 1640 tot 1650 weer de Nassau-Oranjes, waarna zij de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz verkozen boven het Eerste Stadhouderloze Tijdperk dat in de andere gewesten inging. In 1696 werd in Drenthe dan weer Willem III van Oranje erkend in plaats van Johan Willem Friso van Nassau-Dietz. Toen Willem III in 1702 kinderloos stierf kwam Drenthe, evenals een groot deel van de Republiek, ditmaal ook terecht in een Stadhouderloos Tijdperk. Dit eindigde in 1722 toen Drenthe de stadhouder van Friesland en Groningen (Willem IV van Oranje-Nassau, de zoon van Johan Willem Friso die de titel prins van Oranje-Nassau had geërfd) erkende als stadhouder. In 1747 zou Willem IV stadhouder van alle gewesten van de Verenigde Nederlanden worden, in 1751 opgevolgd door Willem V die tot 1795 regeerde.

In dienst van de Habsburgers:

In dienst van de Staten-Generaal:

Friesland[bewerken]

Vanaf 1498, toen Friesland onder de Saksen kwam te staan en de Friese Vrijheid eindigde, werden de eerste Friese stadhouders aangesteld. Hertog George met de Baard verkocht Friesland aan Karel van Habsburg toen de Saksische vete met de Groningers, Friezen, Geldersen en Oost-Friezen voor hem op een totale nederlaag leek uit te draaien. In de periode 1515-1524 probeerden zowel de Habsburgers als Geldersen Westerlauwers Friesland te veroveren en stelden elkaar bestrijdende stadhouders aan, tot de heerlijkheid Friesland uiteindelijk bij de Habsburgse Nederlanden ging horen. Vanaf 1528 regeerde de Friese stadhouder ook over Overijssel en vanaf 1536 ook over Groningen en Drenthe.

Tijdens de beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog kende Friesland opnieuw enige tijd twee stadhouders: één namens koning Filips II (achtereenvolgens de naar de Spanjaarden overgelopen graaf van Rennenberg en de Spanjaard Francisco Verdugo) en één namens de Republiek (achtereenvolgens Willem van Oranje en Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg).

Friesland heeft ten tijde van de Republiek, in tegenstelling tot de overige Nederlanden die stadhouders uit de lijn van Oranje-Nassau hadden, lang een eigen stadhouder gehad uit de Dillenburgse en later Dietze tak van het geslacht Nassau (dit gold tot 1711 ook voor Groningen en Drenthe), die bijgevolg bekend geworden zijn als de "Friesche Nassau's". Friesland heeft hierdoor -als enige gewest- geen stadhouderloze tijdperken gekend, en het was uiteindelijk de Friese tak die de in 1702 uitgestorven Oranje-tak voortzette: vanaf Willem IV kregen alle gewesten in de Republiek geleidelijk dezelfde stadhouder, wiens ambt tenslotte in 1747 erfelijk werd verklaard.

In dienst van de Saksen:

In dienst van de Geldersen:

In dienst van de Habsburgers:

In dienst van de Staten-Generaal:

Gelre en Zutphen[bewerken]

Het hertogdom Gelre en het graafschap Zutphen, sinds de 12e eeuw al in personele unie met elkaar verbonden, werden in 1473 veroverd door de Bourgondische hertog Karel de Stoute, die zich liet vertegenwoordigen door stadhouders. In 1492 wist Karel van Gelre, erfgenaam van de Gelderse hertog, het hertogdom weer in handen te krijgen, en in 1492-1504 bestuurde hij Gelre zelf. Vervolgens stelden ook hij en zijn opvolger Willem V van Kleef stadhouders aan. Gelre werd in 1543 ingelijfd door de Habsburgse keizer Karel V, die ook weer stadhouders aanstelde.
In 1581 maakten Gelre (met uitzondering van het Opper-Gelre) en Zutphen zich samen met enkele andere gewesten en steden los van de Spaanse koning Filips II middels het Plakkaat van Verlatinghe. In 1591 ging het graafschap Zutphen volledig op in het hertogdom Gelre.

In dienst van de Bourgondiërs:

In dienst van de Habsburgers:

In dienst van de Staten-Generaal:

Gouverneurs van Opper-Gelre[bewerken]

In dienst van de Habsburgers:

In dienst van de Staten-Generaal:

  • 1632-1637: Hendrik van den Bergh, markgraaf van Bergen op Zoom (in 1632 overgelopen naar de Staten-Generaal)

De Stad Groningen en de Ommelanden[bewerken]

Tussen 1514 en 1536 viel Groningen (de Ommelanden inbegrepen) onder de Gelderse hertog Karel, die erover zijn stadhouders aanstelde. Vanaf 1536 werden de gewesten Groningen en Landschap Drenthe bij de Habsburgse Nederlanden gevoegd. De stadhouder van Friesland en Overijssel kreeg zeggenschap over deze gebieden. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog ging Groningen deel uitmaken van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die ook met stadhouders werkte. In de overgangsperiode waren er twee stadhouders: namens de Spaanse koning Filips II en namens de Staten Generaal. De macht van de eerste brokkelde steeds verder af ten gunste van de tweede.

In dienst van de Geldersen:

In dienst van de Habsburgers:

In dienst van de Staten-Generaal:

Gulik[bewerken]

Er is maar één stadhouder ooit aangesteld over Gulik, toen dat land bezet was in 1543 aan het einde van de Gelderse Oorlogen. Het werd echter spoedig duidelijk dat Gulik geen onderdeel zou worden van de Habsburgse Nederlanden, maar in het bezit van het Huis van der Mark bleef. Het stadhouderschap werd hetzelfde jaar weer opgeheven.

Henegouwen[bewerken]

De stadhouder van Henegouwen werd doorgaans ook gouverneur van Valencijn. Daarnaast genoten de ambten groot-baljuw (rechtspraak) en kapitein (leger) van Henegouwen groot prestige; deze moeten niet verward worden met het stadhouderschap (bestuur), hoewel één persoon meerdere van deze functies tegelijk kon bekleden, zoals gebeurde vanaf 1560.

Holland en Zeeland[bewerken]

Na Hoekse en Kabeljauwse twisten kwamen in 1428 de graafschappen Holland en Zeeland in handen van Filips de Goede van Bourgondië.

Philips benoemde op 21 maart 1426 Frank van Borssele, samen met zijn achterneef Hendrik II van Borselen tot generaal en groot kapitein van Zeeland. Op 25 december 1430 werd hij, samen met zijn twee achterneven Floris en Filips, pandhoudende schuldeiser van Holland, Zeeland, Friesland en Zevenbergen.

In 1433 liet Philips zich officieel vertegenwoordigen door een stadhouder. Later gingen Holland en Zeeland door vererving van het huis Bourgondië over in handen van het huis Habsburg.

Na het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog gingen Holland en Zeeland deel uitmaken van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden die ook stadhouders aanstelde.

In dienst van de Bourgondiërs:

In dienst van de Habsburgers:

In dienst van de Staten-Generaal:

Limburg en de Landen van Overmaas[bewerken]

In dienst van de Bourgondiërs:

In dienst van de Habsburgers:

Staats-Overmaas[bewerken]

Enkele gebieden die het Staatse leger in 1632 in de Landen van Overmaas had veroverd, werden uiteindelijk krachtens het Partagetractaat (1661) aan de Republiek toegewezen en heetten sindsdien Staats-Overmaas; net als de andere generaliteitslanden Staats-Vlaanderen en Staats-Brabant werd het rechtstreeks door de Staten-Generaal bestuurd en kende dus geen stadhouder.

Luxemburg[bewerken]

In dienst van de Habsburgers:

In dienst van de Oranje-Nassaus:
1815-1890: Luxemburg groothertogdom in personele unie met Nederland

  • 1817-1830: Jean-Georges Willmar
  • 1830-1839: Belgische bezetting; verschillende regeringscommissies
  • 1839: Duitstalig (Luxemburgstalig) oostelijk Luxemburg aan Oranje-Nassau (Nederland) hersteld; tot 1842 geen stadhouder.
  • 1842-1848: Gaspard-Théodore-Ignace de la Fontaine (1848: 1e premier van Luxemburg (President van de Regeringsraad))
  • 1850-1879: Hendrik van Oranje-Nassau, prins der Nederlanden
  • 1890: Luxemburg onafhankelijk, stadhouderschap afgeschaft

Mechelen[bewerken]

Namen[bewerken]

In dienst van de Habsburgers:

Overijssel[bewerken]

Vanaf 1528 hoorde Overijssel (voordien samen met Drenthe Oversticht geheten) bij de Habsburgse Nederlanden, nadat keizer Karel V de gebieden verkreeg van de bisschop van Utrecht. In de jaren 1528-1584 had Overijssel dezelfde stadhouder als Friesland. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog ging Overijssel deel uitmaken van wat later de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd, die ook met stadhouders werkte. Overijssel onderhield van 1546 tot 1677 een leenband met het graafschap Lingen, dat daardoor van Overijssel afhankelijk was.

In dienst van de Habsburgers:

In dienst van de Staten-Generaal:

Utrecht[bewerken]

Vanaf 1528 waren de stadhouders van Holland ook stadhouder van Utrecht. Voor die tijd kende Utrecht geen stadhouder maar was het een zelfstandig prinsbisdom, het Sticht geheten, totdat de Habsburger Karel V ook Utrecht inlijfde en een stadhouder benoemde.

Na het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog ging Utrecht deel uitmaken van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden die ook stadhouders aanstelde.

In dienst van de Habsburgers:

In dienst van de Staten-Generaal:

Vlaanderen[bewerken]

In dienst van de Habsburgers:

In dienst van de Staten-Generaal:

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c d e f Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden, 369.
  2. Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden, 366.
  3. a b Louis-Prosper Gachard, Relations des ambassadeurs vénitiens sur Charles-quint et Philippe II (1847) 86.
  4. Robert Fruin, Het voorspel van den tachtigjarigen oorlog (1859).
  5. a b c Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden, 371.
  6. a b c Lucas Oldenhuis Gratama, De Stadhouders van Drenthe, hunne magt en staatsregterlijke verhouding tot de landschap (1867) 4-6.
  7. a b c d Encarta (1993-2002) s.v. Bergh, Huis. § Frederik.
  8. a b Na Rennenbergs verraad werd Oranje de facto de stadhouder van de noordelijke gewesten namens de Staten-Generaal; feitelijk hadden de Staten echter geen gezag over Groningen en Drenthe in deze jaren.
  9. Hoewel nooit feitelijk vastgelegd, gold Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg als de Staatse opvolger van Willem van Oranje in Groningen en Drenthe vanaf 1584. Een groep onder leiding van Maarten Schenk van Nydeggen ijverde in 1585 vergeefs om Maurits van Nassau aan te stellen als stadhouder over het op dat ogenblik in Spaanse handen verkerende Drenthe, maar de Drentse edelen steunden unaniem Willem Lodewijk, dus dat ging niet door.
  10. Nadat Coevorden in 1592 werd veroverd op de regeringstroepen, stelden gevolmachtigde Drentse edelen Willem Lodewijk op 5 januari 1593 te Kampen hem aan als stadhouder van de landschap Drenthe. Dit werd pas op 24 augustus 1596 door de Staten-Generaal te Den Haag bevestigd.
  11. a b c Fryske Akademy, De Vrije Fries, Volumes 47-50 (1966).
  12. Jan Kuys, "Maarten van Rossem" in Biografisch Woordenboek Gelderland. Geraadpleegd op 22 december 2012.
  13. Maarten van Rossum werd op een landdag te Sneek op 1 augustus 1518 gekozen tot stadhouder van Friesland namens Karel van Gelre, ter vervanging van Hendrik de Groiff, erfvoogd van Erkelenz. Johan Frieswijk, Fryslân, staat en macht 1450-1650: bijdragen aan het historisch congres te Leeuwarden van 3 tot 5 juni 1998 (1999) 114-115.
  14. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNBW). Deel 19, blz. 819-820 s.v. ROBLES (Caspar de) (1911-1937)
  15. a b c Rennenberg betuigde aanvankelijk adhesie aan de Unie van Utrecht (1579), maar koos op 3 maart 1580 om terug te keren onder de 'obediëntiën des Konings', ook wel aangeduid als het 'verraad van Rennenberg'.
  16. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (1911-1937) s.v. Adolf, III, graaf van Nassau-Wiesbaden-Idstein, Deel 1, 24.
  17. De nakomeling van Adolf van Egmont
  18. De Staten-Generaal hadden de Raad van State geadviseerd om Boussu met het stadhouderschap over Groningen en Friesland te bekleden, maar Oranje stak daar een stokje voor omdat hij Boussu niet vertrouwde, en zorgde ervoor dat Rennenberg de post kreeg. Boussu overleed echter in 1578 strijdend voor de Opstand, terwijl Rennenberg in 1580 naar Spanje overliep; Oranje had zich wellicht vergist. J.F.J. van den Broek, Voor god en mijn koning: het verslag van kolonel Francisco Verdugo over zijn jaren als legerleider en gouverneur namens Filips II in Stad en Lande van Groningen, Drenthe, Friesland, Overijssel en Lingen (1581-1595) (2009) blz. 94. Assen: Uitgeverij Van Gorcum.
  19. Oranje benoemde Willem Lodewijk in februari tot zijn "plaatsvervanger in Friesland"; dit werd door de Staten van Friesland definitief gemaakt en in november door de Staten-Generaal bevestigd nadat Oranje in op 10 juli 1584 was vermoord. In theorie strekte dit stadhouderschap zich ook uit over Groningen, maar dit werd pas werkelijkheid na de Reductie van Groningen in 1594; in de jaren daarvoor kon hij zijn gezag feitelijk al doen gelden in delen van de Ommelanden.
  20. L.V.G. Gorter-Van Royen, Maria van Hongarije: regentes der Nederlanden : een politieke analyse op basis van haar regentschapsordonnanties en haar correspondentie met Karel V (1995) 336. Uitgeverij Verloren.
  21. Willem Pieter Blockmans, Keizer Karel V, 1500-1558: de utopie van het keizerschap (2001) 196. Van Halewyck.
  22. Laetitia V. G. Gorter-Van Royen, Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden: een politieke analyse op basis van haar regentschaps-ordonnanties en haar correspondentie met Karel V (1995) 366. Uitgeverij Verloren.
  23. a b c Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden, 365.
  24. Mansfeld trok zich terug uit het openbare leven in 1597, maar onduidelijk is of hij vanuit zijn landgoed Clausen (Luxemburg-stad) zijn ambt als stadhouder bleef uitoefenen. Florent van Berlaymont wordt genoemd als Mansfelds directe opvolger zodra hij in 1604 overleed, dus dit lijkt waarschijnlijk. (J. Israel, Conflicts of empires: Spain, the low countries and the struggle for world supremacy, 1585-1713 (1997) 12-13.)
  25. Berlaymont, Charles, graaf van. Universiteit Leiden.
  26. Jean Coenen, Baanderheren, boeren en burgers (2004) 145.
  27. Utrecht had niet deelgenomen aan de Eerste Vrije Statenvergadering, waar Oranjes andere twee gewesten, Holland en Zeeland, hem weer erkenden als stadhouder. In februari 1577 wilde Oranje ook weer zijn Utrechtse stadhouderschap op zich nemen, maar stuitte daarbij op weerstand. Pas na de inname van de Naamse citadel werden de Utrechters overtuigd van zijn argumenten om één groot defensief blok te vormen in West-Nederland tegen Don Juan, en op 9 oktober 1577 sloten de Utrechtse Staten met Oranje het Verdrag van Satisfactie dat zijn stadhouderlijke macht sterk aan banden legde, maar later kon hij dat verdrag straffeloos overtreden. K.W. Swart, Willem van Oranje en de Nederlandse Opstand 1572-1584 (1994) 116-117.
  28. Willem Pieter Blockmans, Bourgondië voorbij: De Nederlanden 1250-1650 (2010) 211-214. Uitgeverij Verloren.
  29. Na de terechtstelling van Egmont had Vlaanderen (waarschijnlijk) tijdelijk geen stadhouder. Jan van Croÿ (de graaf van Rœulx) wordt genoemd als zijn opvolger, maar hij ontving zijn aanstelling pas op 3 juli 1572.