Lijst van sterke en onregelmatige werkwoorden in het Nederlands

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Dit is een zo volledig mogelijke lijst van alle Nederlandse werkwoorden waarvan de vormen in de onvoltooid verleden tijd (OVT) en/of het voltooid deelwoord afwijken van de meest gebruikelijke manier van vervoegen.

Van op geheel dezelfde manier vervoegde samengestelde werkwoorden wordt alleen het grondwoord (tweede deel) vermeld, tenzij de manier van vervoegen in de samenstelling afwijkt; afblijven, verbieden enz. worden daarom niet apart vermeld, bekvechten en stofzuigen bijvoorbeeld wel.

Inhoud

[bewerken] Alleen voorkomend als sterk

Bij deze eerste categorie verandert in zowel de onvoltooid verleden tijd als het voltooid deelwoord uitsluitend de klinker van de stam. Incidenteel worden van deze werkwoorden met name in de OVT ook zwakke vormen aangetroffen (zie ook morfologische nivellering), maar deze worden in de standaardtaal niet erkend.

bederven bedierf bedorven** (derven, "missen", is zwak)
bedriegen bedroog bedrogen
beginnen begon begonnen*
bergen borg geborgen
bevelen beval bevolen
bezwijken bezweek bezweken*
bidden bad gebeden
bieden bood geboden
bijten beet gebeten
binden bond gebonden
blazen blies geblazen
blijken bleek gebleken*
blijven bleef gebleven*
blinken blonk geblonken
breken brak gebroken*
buigen boog gebogen
dingen dong gedongen
dragen droeg gedragen
drijven dreef gedreven
dringen drong gedrongen
drinken dronk gedronken
druipen droop gedropen
duiken dook gedoken
dwingen dwong gedwongen
eten at gegeten (voltooid deelwoord in samenst. overeten zònder g!)
fluiten floot gefloten
gelden gold gegolden
genezen genas genezen
genieten genoot genoten
geven gaf gegeven
gieten goot gegoten
glijden gleed gegleden
glimmen glom geglommen
graven groef gegraven
grijpen greep gegrepen
hangen hing gehangen
heffen hief geheven
helpen hielp geholpen
hijsen hees gehesen
houden hield gehouden
houwen hieuw gehouwen (eveneens sterk in samenst. uithouwen, maar zwak in samenst. beeldhouwen)
kiezen koos gekozen (naast uitverkozen ook uitverkoren, gekoren is het oude volt. deelw.)
kijken keek gekeken
kijven keef gekeven
klimmen klom geklommen
klinken klonk geklonken
knijpen kneep geknepen
krijgen kreeg gekregen
krijten kreet gekreten
krimpen kromp gekrompen
kruipen kroop gekropen
kwijten kweet gekweten
laten liet gelaten
lezen las gelezen
liegen loog gelogen
liggen lag gelegen
lijden leed geleden
lijken leek geleken
lopen liep gelopen*
luiken look geloken*
mijden meed gemeden
nemen nam genomen
nijpen neep genepen
ontginnen ontgon ontgonnen
pluizen ploos geplozen (vooral in samenst. uitpluizen ofwel "navorsen"; pluizen in bet. "pluisjes afgeven" is zwak)
prijzen prees geprezen (in bet. "loven"; prijzen in bet. "van een prijsetiket voorzien" is zwak)
rieken rook geroken
rijden reed gereden
rijgen reeg geregen
rijten reet gereten
rijzen rees gerezen*
roepen riep geroepen
ruiken rook geroken
schelden schold gescholden
schenden schond geschonden
schenken schonk geschonken
scheppen schiep geschapen (in bet. "creëren"; scheppen, "putten, naar boven halen", is zwak)
schieten schoot geschoten
schijnen scheen geschenen**
schijten scheet gescheten
schrijden schreed geschreden
schrijven schreef geschreven
schuiven schoof geschoven
slapen sliep geslapen
slijpen sleep geslepen
slijten sleet gesleten
slinken slonk geslonken*
sluipen sloop geslopen
sluiten sloot gesloten
smelten smolt gesmolten
smijten smeet gesmeten
snijden sneed gesneden
snuiten snoot gesnoten
snuiven snoof gesnoven
spijten speet gespeten
spinnen spon gesponnen
splijten spleet gespleten
spreken sprak gesproken
springen sprong gesprongen*
spruiten sproot gesproten*
spuiten spoot gespoten
steken stak gestoken
stelen stal gestolen
sterven stierf gestorven*
stijgen steeg gestegen*
stijven steef gesteven* in bet. "met stijfsel behandelen"
stinken stonk gestonken
strijden streed gestreden
strijken streek gestreken
stuiven stoof gestoven
tijgen toog getogen
treden trad getreden
treffen trof getroffen
trekken trok getrokken
uitscheien schee uit uitgescheeën* (in bet. "ophouden"; vrijwel uitsluitend spreektaal; merk tevens op dat "uitscheiden van een vloeistof" zwak is en vervoegd wordt met hebben)
vallen viel gevallen*
vangen ving gevangen
vechten vocht gevochten (echter bekvechten is zwak)
verdrieten verdroot verdroten
verdwijnen verdween verdwenen*
vergelijken    vergeleek    vergeleken
vergeten vergat vergeten**
verlaten verliet verlaten
verliezen verloor verloren**
verslinden verslond verslonden
vertrekken vertrok vertrokken
verzinnen verzon verzonnen
verzwelgen verzwolg verzwolgen* (echter zwelgen is ook zwak)
vinden vond gevonden*
vlechten vlocht gevlochten
vliegen vloog gevlogen (zwak in samenst. zweefvliegen)
vóórkomen kwam voor voorgekomen*
voorkómen voorkwam voorkomen*
vreten vrat gevreten
wassen wies gewassen ("groeien"; vooral in samenst. aanwassen)*
wegen woog gewogen
werpen wierp geworpen
werven wierf geworven
wijken week geweken*
wijten weet geweten
wijzen wees gewezen
winden wond gewonden
winnen won gewonnen**
worden werd geworden*
wrijven wreef gewreven
wringen wrong gewrongen
zenden zond gezonden
zijgen zeeg gezegen*
zingen zong gezongen
zinken zonk gezonken* (de afleiding verzinken is sterk in bet. "laten wegzakken", zwak in bet. "galvaniseren")
zinnen zon gezonnen
zitten zat gezeten
zuigen zoog gezogen (in samenst. stofzuigen meestal zwak)
zuipen zoop gezopen
zwellen zwol gezwollen
zwemmen zwom gezwommen
zweren zwoer gezworen (in bet. "eed of trouw zweren")
zwerven zwierf gezworven
zwijgen zweeg gezwegen

[bewerken] Verouderd

De volgende werkwoorden zijn eveneens volledig sterk, maar komen in de standaardtaal vrijwel niet meer voor.

bersten borst geborsten (nevenvorm van barsten)
drijten dreet gedreten ("zijn behoefte doen")
kwellen kwol gekwollen ("opzwellen"; kwellen in andere bet. is zwak)
miegen meeg gemegen ("urineren")
nijgen neeg genegen (maar neigen is zwak)
pijpen peep gepepen ("fluiten" of "aan mann. lid zuigen")
rijven reef gereven ("harken")
rinnen ron geronnen
verbelgen verbolg verbolgen
verdrieten verdroot verdroten
verzwinden verzwond verzwonden
vlieden    vlood    gevloden
vlieten vloot gevloten (nevenvorm van vlieden)

[bewerken] Onregelmatig

Bij deze groep treden meer veranderingen op dan gewoonlijk, maar meestal is de vervoeging in principe gewoon sterk (zoals bij komen en slaan) of zwak (zoals bij zeggen, willen en kunnen). Men kan deze werkwoorden daarom nog het beste typeren als "onregelmatig zwak/sterk".

brengen bracht gebracht
denken dacht gedacht
doen deed gedaan
dunken docht gedocht (OVT en voltooid deelwoord zijn verouderd)
durven dierf/dorst/durfde gedurfd (de sterke en onregelmatige VT zijn archaïsch en/of gewestelijk)
gaan ging gegaan*
hebben had gehad
komen kwam gekomen*
kopen kocht gekocht
kunnen kon/konden gekund
leggen lei/legde/legden gelegd
moeten moest gemoeten** (ontmoeten is regelmatig zwak, maar hangt hier vermoedelijk niet mee samen)
mogen mocht gemogen (in literaire taal is het voltooid deelwoord ook gemoogd/gemocht)
plegen placht geplacht (in bet. "de gewoonte hebben"; plegen in bet. "begaan" is regelmatig zwak)
slaan sloeg geslagen
staan stond gestaan
vriezen vroor gevroren
weten wist geweten (eigenlijk onregelmatig zwak; de t in de OVT maakt geen deel uit van de stam, maar van de gedeeltelijk weggevallen uitgang -te(n) ; vgl. de Duitse vormen wissen - wußte(n))
wezen was/waren geweest* (gewezen was oorspronkelijk het volt. deelw.; thans nog slechts attributief gebruikt: "mijn gewezen echtgenoot". etc.)
willen wou/wilde/wilden gewild (in de spreektaal ook wouden of wouwen)
zeggen zei/zeiden gezegd (regelmatig zwakke OVT in samenstellingen als afzeggen)
zien zag gezien
zijn was/waren geweest (zie ook wezen; deze twee synonieme werkwoorden zijn in de loop van de geschiedenis gemengd)*
zoeken zocht gezocht
zullen zou -- (de vorm gezuld staat in Van Dale met de annotatie 'weinig gebruikt'. In het Groene Boekje is deze vorm echter niet opgenomen. Hij komt dan ook vrijwel nooit voor, aangezien zullen alleen maar als hulpwerkwoord dienst kan doen).

[bewerken] Voorkomend als zwak en sterk of als zwak en onregelmatig

Deze groep werkwoorden heeft zowel een volledig zwakke als een volledig sterke of onregelmatige vervoeging, waarvan er meestal één later is ontstaan door analogie. Meestal is er sprake van een verschil in register, stijl en/of dialect, soms ook in betekenis.

breien bree/breide gebreeën/gebreid (de sterke vormen zijn informeel en vooral spreektaal)
delven dolf/delfde gedolven/gedelfd (maar alleen sterk in de samenst. bedelven)
kerven korf/kerfde gekorven/gekerfd
klieven kloof/kliefde gekloven/gekliefd (de sterke vormen zijn vooral Zuid-Nederlands)
kluiven kloof/kluifde gekloven/gekluifd
krijsen krees/krijste gekresen/gekrijst
melken molk/melkte gemolken/gemelkt (vooral in niet-letterlijke bet. zoals "langzaam en moeilijk uitvragen" zwak vervoegd)
raken rocht/raakte gerocht/geraakt (in de standaardtaal uitsluitend zwak)
scheren schoor/scheerde geschoren/gescheerd (in bet. "ontharen"; scheren in bet. "langsstrijken" is alleen zwak)
schrikken schrok/schrikte geschrokken/geschrikt (sterk in bet. "plotseling angstig worden"; zwak in bet. "laten/doen schrikken" of "plotseling doen afkoelen")
schuilen    school/schuilde    gescholen/geschuild
spugen spoog/spuugde gespogen/gespuugd (de nevenvorm spuwen is uisluitend zwak)
stijven steef/stijfde gesteven/gestijfd
vrijen vree/vrijde gevreeën/gevrijd
werken wrocht/werkte gewrocht/gewerkt (vrijwel alleen in de uitdrukking doorwrocht; in de standaardtaal uitsluitend zwak)
wuiven woof/wuifde gewoven/gewuifd
zeiken zeek/zeikte gezeken/gezeikt
zweren zwoor/zweerde gezworen/gezweerd (in bet. "etteren van een wond"; voor zweren in andere bet. zie boven )

[bewerken] Onvolledig sterk

Deze categorie omvat de werkwoorden waarvan de meest gangbare vervoeging gemengd is, d.w.z. een sterke onvoltooid verleden tijd en een zwak voltooid deelwoord of (vaker) een zwakke onvoltooid verleden tijd en een sterk voltooid deelwoord. Oorspronkelijk waren dit meestal ofwel volledig sterke ofwel volledig zwakke werkwoorden, waarvan de onvoltooid verleden tijd dan wel het voltooid deelwoord door analogie is veranderd [1] '***.

bakken bakte gebakken
bannen bande gebannen
barsten barstte gebarsten
braden braadde gebraden
brouwen brouwde gebrouwen (van bier etc.; brouwen in bet. "met keel-r spreken" is volledig zwak)
ervaren ervoer/ervaarde ervaren (zie ook varen)
erven erfde georven/geërfd (een enkele keer komen de OVT's ierf en orf voor [2])
heten heette geheten
hoeven hoefde gehoeven/gehoefd
jagen joeg/jaagde gejaagd (zwakke OVT alleen in letterlijke bet. "de jacht beoefenen", sterke OVT zowel in letterlijke als in figuurlijke bet.)
klagen kloeg/klaagde geklaagd (sterke OVT vooral gewestelijk of in samenstellingen als zich beklagen)
lachen lachte gelachen
laden laadde geladen
meten mat/meette gemeten
raden ried/raadde geraden (sterke OVT tegenwoordig vooral nog in samenstellingen zoals aan-/afraden)
scheiden scheidde gescheiden
spannen spande gespannen
stoten stiet/stootte gestoten (sterke OVT is enigszins archaïsch)
varen voer/vaarde gevaren (alleen sterke OVT in bet. "gaan", zowel sterke als zwakke OVT in specifiekere bet. "zich over water voortbewegen")
verhelen verheelde verholen
vouwen vouwde gevouwen (ontvouwen is geheel zwak)
vragen vroeg gevraagd (oude OVT vraagde, deze is alleen nog archaïsch of gewestelijk)
waaien woei/waaide gewaaid
wassen waste gewassen (in bet. "schoonmaken" ; wassen in bet. "met was bekleden" is uitsluitend zwak)
wreken wreekte gewroken (oude OVT wrak, deze komt nog een heel enkele keer voor)
weven weefde geweven
zieden zood/ziedde gezoden
zouten zoutte gezouten
zweten zweette gezweet/gezweten

[bewerken] Nota

* = vervoegd met zijn

** = vervoegd met zijn of hebben

***: vergelijk ook verwante Duitse vormen als backen- buk/backte - gebacken, heißen - hieß - geheißen, laden - lud - geladen, scheiden - schied - geschieden[3], of een Engelse vervoeging als show - showed - shown (oorspr. show - showed - showed)[1].

[bewerken] Zie ook

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

 
Persoonlijke instellingen
Boek maken