Limburgs
| Limburgs | ||||
| Nederfrankische taalvariant | ||||
![]() |
||||
| Het Limburgs in kaart gebracht | ||||
| Gesproken in | Nederland, België en Duitsland | |||
| Taalgebied | Het overgrote deel van Belgisch en Nederlands Limburg, de Platdietse streek (Provincie Luik) en aangrenzende gebieden in Noordrijn-Westfalen | |||
| Aantal sprekers | circa 2 miljoen |
|||
| Streekdialecten | Zuidoost-Limburgs, Platdiets | |||
| Stadsdialecten | Maastrichts, Hasselts, Roermonds, Sittards, Venloos, Weerts | |||
|
||||
Het Limburgs is de zuidoostelijke dialectgroep van het Nederlands taalgebied. Het wordt gesproken in het overgrote deel van zowel Belgisch als Nederlands Limburg. Het precieze spraakgebied is afhankelijk van de definitie. Enkele in de aangrenzende gebieden in Duitsland traditioneel gesproken dialecten zijn ook nog Limburgs, maar deze dialecten groeien sinds de 19e eeuw steeds meer naar de Duitse cultuurtaal toe.[1]
Inhoud |
[bewerken] Definitie
De term "Limburgs" slaat taalkundig op de Nederfrankische dialecten gesproken tussen de Benrather linie (maken/machen) en de Uerdinger linie (ik/ich), die hoofdzakelijk worden gekenmerkt door een beperkte deelname aan de Tweede Germaanse klankverschuiving en het gebruik van stoot- en sleeptonen; beide unieke ontwikkelingen binnen het Nederfrankisch.
In het dagelijks taalgebruik wordt met de geografische term Limburgs onder meer verwezen naar de dialecten van Belgisch- en Nederlands-Limburg als zodanig, hoewel niet elke taalvariatie in de Belgische of de Nederlandse provincie Limburg ook in taalkundig opzicht Limburgs te noemen is. Zo wordt het dialect in het noorden van Nederlands-Limburg weliswaar Noord-Limburgs genoemd ("Kleverlands" op de hier rechts getoonde kaart), maar in wezen zijn dit overgangsdialecten met taalkundig vooral Brabantse en daarnaast enkele Limburgse kenmerken. Ook in het westen van Belgisch-Limburg worden dialecten gesproken die taalkundig tot het Brabants behoren, terwijl de dialecten in het uiterste zuidoosten van Noord-Brabant taalkundig weer Limburgs zijn. In het zuidoosten behoren het Kerkraads en het Vaalser dialect taalkundig gezien tot de Ripuarische dialecten, hoewel ze met name door de sprekers zelf vaak "Limburgs" genoemd worden.[2]
Binnen de Nederlandse taalkundige traditie worden de Zuid-Limburgse dialecten traditioneel gezien als Nederfrankische taalvariëteiten met een Middelduitse invloed. Vanuit de Duitse optiek vormt het Noordelijk Rijnfrankisch een doorlopend dialectcontinuüm en is het de som van alle Nederlandse/Nederfrankische en Westmiddelduitse (Middel- en Moezelfrankische) dialecten. Een term die specifiek het historische continuüm van de Limburgse en de aangrenzende Nederrijnse dialecten overkoepelt, is Maas-Rijnlands.
[bewerken] Alternatieve definities
Afhankelijk van de criteria die gehanteerd worden, wordt Limburgs in verschillende (gedeeltelijk overlappende) gebieden gesproken:
- 1 Politieke definitie: Limburgs is alle streektaal die binnen de provinciegrenzen van de beide Limburgen wordt gesproken.
- 2 Limburgs volgens Jo Daan(1969), die de associatieve pijltjesmethode van het Meertens Instituut gebruikt.
- 3 Zuidnederfrankisch, de isoglossendefinitie tussen de Uerdinger en Benrather linies volgens Wenker(1877), Schrijnen(1902,1907) en Goossens(1965).
- 4 Westelijke grens van tonaliteit, zijnde de grootste lexicale afstand van het Standaardnederlands (Hoppenbrouwers, 2001)
- 5 Zuidoostlimburgs volgens Wintgens(1998) en Frins(2009), dat een gedeelte van het Ripuarisch in Duitsland bevat.
[bewerken] Positie binnen het Nederlands
Wie de positie van het Limburgs binnen het Nederlands wil bepalen, dient eerst aan te geven wat er onder “het” Nederlands wordt verstaan. In groter verband is het Nederlands een van de vier talen die tezamen het continentaal West-Germaans worden genoemd, met Duits, het Engels en het Fries. Binnen het Nederlands zijn ook weer onderverdelingen mogelijk, waardoor het woord ten minste twee betekenissen krijgt.
- Enerzijds bedoelt men met het Nederlands veelal: het Standaardnederlands, dat wil zeggen de standaardtaal zoals die vanaf de zestiende eeuw in het Nederlandse taalgebied ontstond. Deze standaardtaal is grotendeels een construct: een samenstel van elementen uit dialecten, waarbij de dialecten met het grootste prestige de grootste inbreng kregen toebedeeld. De Limburgse dialecten staan naar verhouding relatief ver van deze Nederlandse standaardtaal af. Dit komt doordat zij ten tijde van de conceptie van het Standaardnederlands te weinig prestige genoten, en zo een zeer beperkte invloed op de vorming ervan hebben gehad.
- Anderzijds wordt met het Nederlands bedoeld: dat samenstel van dialecten die samen de Nederlandse taal vormen, waarbij sprake is van 28 hoofddialecten. Tussen deze dialecten bestaan doorgaans geen abrupte, plotselinge afgrenzingen: de overgangen vormen veeleer in alle gevallen een dialectcontinuüm, en geleidelijke overgangen zijn ook binnen de 28 hoofddialecten gemakkelijk aan te geven. (De enige werkelijke uitzonderingen zijn de verschillende hoogontwikkelde stadsdialecten en de dialectgrens tussen het Noordwest-Brabants en het Zeeuws.) Tegelijkertijd behelst deze definitie ("Nederlands, dat zijn de Nederlandse dialecten") een kringredenering, die het geenszins gemakkelijk maakt te benoemen waar het Nederlands ophoudt en een aangrenzende taal, met name het Duits, begint.
Maar zoals hierboven bij Definitie reeds werd aangegeven, maken de Limburgse dialecten onderdeel uit van de Rijnlandse waaier, die onder Keulse dominantie is ontstaan.[3] Ook vanuit het Duitse taalgebied gezien, maken de Limburgse dialecten deel uit van een dialectcontinuüm.
Het is dan ook uit taalkundig oogpunt niet goed te bepalen of de Limburgse dialecten tot het Duitse, het Nederlandse of tot een eigen taalgebied behoren. Historische reconstructie heeft weinig zin, aangezien er vóór de zeventiende eeuw geen sprake was van het Nederlands. Wel worden de Middelnederlandse dialecten doorgaans ingedeeld als Vlaams, Brabants, Hollands, Limburgs en oostelijk Nederlands,[4] maar aangezien “het” Middelnederlands een projectie terug in de tijd is van het begrip “Nederlands”, zegt ook die indeling niet heel veel over de huidige Limburgse dialecten.
Vanuit taalkundig oogpunt heeft de vraag of het Limburgs een taal is of een dialect, weinig zin: er zijn geen vaste onderscheidende criteria. Zowel taal als dialect hebben een eigen grammatica, een eigen woordenschat, en soms, maar niet altijd, een overkoepelende standaardvariant, die het interne dialectcontinuüm (de geleidelijke overgangen binnen taal of dialect) overstijgt en als algemene gebruiksvariant geldt.[5] Taalkundigen maken dan ook wel een pragmatisch onderscheid, dat weliswaar weinig taalkundig is: dan worden al die dialecten als Nederlands beschouwd die worden gesproken waar het Nederlands de officiële standaardtaal is.[6] Een dialectkaart uit 1974 bijvoorbeeld, waarop het gehele Nederlandstalige gebied in kaart werd gebracht, nam ook het Limburgs op; te midden van de 28 dialecten neemt het de 17e plaats in, uit oogpunt van zijn afstand tot het Standaardnederlands. (Nr. 1, Zuid-Hollands, staat zeer dicht bij, nr. 28, Bildts, Stadsfries etc. zeer ver af van het Standaardnederlands.) Ook de Reeks Nederlandse dialectatlassen bevat een deel Dialektatlas van Belgisch-Limburg en Zuid-Nederlands-Limburg (1962).[7]
De vraag of het Limburgs nu een (groep) dialect(en) is dan wel een "inheemse niet-dominante taal", is dan ook vooral een kwestie van taalpolitiek.[8]
[bewerken] Geschiedenis
In het Oudnederlandse taalgebied ontstond rond de 8e eeuw een scheiding. De reden hiervoor was dat het Oudnederlands in het zuidoosten van het huidige Nederlandse taalgebied onder invloed van het Merovingische en vooral ook het Karolingische hof kwam. Het zwaartepunt hiervan lag rondom Aken, Luik en Keulen. Hier werden geen Oudnederlandse, maar Oudhoogduitse dialecten gesproken.
In het Oudnederlandse taalgebied bevonden zich destijds (zeker na de ondergang van Dorestad in het midden van de 9e eeuw) geen steden die het politiek-economische belang (en het daarbijhorende prestige) van deze nederzettingen konden evenaren, een situatie die zich tot de opkomst van de Vlaamse steden in de late 10e en vroege 11e eeuw zou handhaven, en hierdoor vond er een verspreiding plaats van bepaalde Hoogduitse kenmerken onder de Oudnederlandse dialecten, waarvan de resulterende vorm het Oud-Oost-Nederlands is. De Oudnederlandse dialecten - waar deze ontwikkelingen (ook wel de Keulse expansie genoemd) niet of nauwelijks plaatsvonden - worden West-Oudnederlands genoemd. Het Oud-Oost-Nederlands is de directe voorloper van de huidige Zuid-Limburgse, en Midden-Limburgse dialecten.
In de 12e eeuw is de Hoogduitse invloed gestopt. In de loop van de twee voorgaande eeuwen hebben typisch Middelnederlandse klankontwikkelingen (zoals eindklankverscherping ofwel de verdoffing van uitgangen, assimilatie en reductie) zich langs de afnemende Hoogduitse invloeden doorgezet. Desalniettemin (en ondanks dat de plaatselijke woordenschat vrijwel geheel Nederlands van aard bleef) is het Limburgs in zijn Middelnederlandse vorm over het algemeen eenvoudig te onderscheiden van de overige Middelnederlandse hoofdgroepen (het Hollands, Vlaams, Brabants en Oost-Middelnederlands).
De vroege Middeleeuwen eindigen met nieuwe ontginningen, bevolkingsgroei en een sterk verbeterde infrastructuur die interactie over langere afstanden makkelijker maakt. Het is in deze periode dat de Limburgse regio zich heroriënteerd; in plaats van zich te blijven richten op de nabij gelegen Duitse steden verplaatst men het zwaartepunt van de economische en culturele betrekkingen naar het Westen, waar de bloeiende steden Gent, Brugge en Ieper zich bevinden.
Wanneer in 1288 het Hertogdom Limburg na de Slag bij Woeringen onder Brabants bestuur komt en in de daarop volgende eeuw Antwerpen de Vlaamse steden voorbijstreeft begint ook in Limburg de Brabantse expansie; de overname van Brabantse kenmerken door omliggende dialecten. In het geval van het Limburgs zijn in het begin vooral de dialecten in het huidige Belgisch-Limburg hierbij betrokken, al krijgen op den duur vrijwel alle Limburgse varianten hiermee te maken.
Wanneer rond het begin van de 16e eeuw de eerste verregaande pogingen worden gedaan om het Nederlands te standaardiseren, is de basis vooral het Brabants. Als tijdens de Tachtigjarige Oorlog Antwerpen valt, verschuift het culturele, politieke en economische zwaartepunt naar de Noordelijke Nederlanden, in het bijzonder het gewest Holland. Het gevolg is, dat het Hollands een grote invloed heeft gehad op de vorming van de Nederlandse standaardtaal, vooral op de uitspraak. De huidige Limburgse dialecten staan om deze reden relatief ver van de Nederlandse standaardtaal.
De oudst bekende in het Limburgs geschreven tekst dateert uit de 18e eeuw. Dit is een in het Maastrichts geschreven tekst getiteld Sermoen. Vanaf de negentiende eeuw werden er veel meer teksten in het Limburgs geschreven, waarin nieuwe schrifttekens werden uitgeprobeerd en sommige Nederlandse spellingsregels aan het Limburgs werden aangepast. Zo verdween de voor de spelling-De Vries en Te Winkel karakteristieke -sch aan het woordeinde, omdat er anders een in het Limburgs onjuiste uitspraak zou worden gesuggereerd. In 1927, een jaar na het oprichten van de Vereniging Veldeke, werd er voor het eerst een aparte spellingregeling voor het Limburgs vastgelegd, de zogeheten Veldekespelling. Sindsdien zijn er in 1952, 1983 en 2000 aanpassingen van deze spelling geweest.[9]
In de twintigste eeuw is, mede door de opkomst van radio en televisie, een groot verschil ontstaan tussen het dialect in België, Nederland en Duitsland. In België verliest het Zuidnederfrankisch dialect terrein aan het Verkavelingsvlaams, in Duitsland wordt er steeds meer het Rijnlands regiolect gesproken[10]. Alleen in Nederlands Limburg blijft het aantal dialectsprekers constant, mede door het gebruik van dialect op de regionale radio en tv. Een uitzondering is Heerlen, waar het Heerlens Nederlands overheerst.
[bewerken] Kenmerken
Het Limburgs dialectgebied wordt doorsneden door verschillende isoglossen, zowel in horizontale als in verticale richting, en vormt in beperkte mate een eenheid. De belangrijkste van deze isoglossen is de Panninger linie die ruwweg een scheiding vormt tussen de Westelijke en Oostenlijke Limburgse dialecten.
[bewerken] Stoot- en sleeptonen
Evenals het Ripuarisch maken veel Limburgse dialecten gebruik van een zeer bijzondere fonologische eigenschap: een verschil in toonhoogte om een verschil in betekenis uit te drukken.[11] Het Limburgse woord bein kan bijvoorbeeld zowel 'been' (enkelvoud) als 'benen' (meervoud) betekenen. De klinkers en de medeklinkers zijn hetzelfde, alleen de toonhoogte waarop ze worden uitgesproken verschilt: het enkelvoud heeft een sleeptoon, het meervoud een stoottoon.
Het betreft hier een voor de West-Europese talen unieke eigenschap. Omdat het Limburgs deze bijzondere eigenschap deelt met het aangrenzende en veel grotere Ripuarische taalgebied, maakt deze verspreiding zichtbaar dat het Limburgs als een uitloper van het Ripuarisch Frankisch kan worden beschouwd. Afgezien van dit hoofdkenmerk bezit het overgrote deel van de Limburgse taalvariëteiten evenwel een Nederfrankisch karakter.
[bewerken] Eenheid en verscheidenheid
[bewerken] Nederlands Limburg
De dialectische verscheidenheid binnen de Nederlandse provincie Limburg is groot; de variëteiten die in Noord-Limburg worden gesproken, zoals het Venloos en het Venrays, hebben veel gemeen met de Brabantse en Zuidgelderse dialecten, en wijken daarin sterk af van de (geografisch) Zuid-Limburgse dialecten (zoals het Maastrichts en het Sittards), en ook van de (geografisch) Midden-Limburgse (zoals het Weerts en het Roermonds). Deze beide laatstgenoemde groepen, in de dialectkunde deels tot het Centraal Limburgs en deels tot het Oost-Limburgs gerekend, nemen binnen de Nederlandse dialecten een bijzondere positie in door hun fonologie (onder andere, zoals hierboven aangegeven, toon als betekenisonderscheidend kenmerk) en andere Rijnlandse elementen. Het Zuidoost-Limburgs moet zelfs (geheel dan wel gedeeltelijk) tot het Middelfrankische Ripuarisch worden gerekend.
[bewerken] Belgisch Limburg
In Belgisch Limburg wordt geen Oost-Limburgs gesproken (op een gedeelte van de Voerstreek na), maar wel West-Limburgs en Centraal Limburgs. Vanwege de aanwezigheid van tonaliteit wordt ook het West-Limburgse taalgebied zonder meer tot het grotere taalgebied van het Limburgs gerekend. In het midden van de provincie ligt een groep van dialecten die de overgang naar het Zuid-Brabants aankondigt. Zo verdwijnt naarmate men meer naar het westen trekt het woordje doe/dich, transformeert de sj- naar sch- en krijgen de klinkers andere waarden (een belangrijke uitzondering is de Belgisch-Limburgse ontronding). Tenslotte verdwijnt ook het verschil tussen sleeptoon en stoottoon en uiteindelijk de woorden ich en mich. Het Genks, Tongers, Hasselts, Truierlands, Tienens en Lommels laten een geleidelijke afname van Limburgse kenmerken zien. Onderzoek van J.Cajot uit 2001 wees uit dat in enkele dialecten ten zuidwesten van Maastricht het onderscheid tussen stoot- en sleeptoon niet langer distinctief is en dat in Belgisch-Limburg het onderscheid tussen stoot- en sleeptoon niet meer bestaat in het dialect van Riemst.[12]
[bewerken] Status
Die taalpolitiek ten opzichte van het Limburgs kan worden beschouwd vanuit het standpunt van de taalgebruikers en vanuit het standpunt van de overheid.
[bewerken] Taalgebruikers
- Er is een verschil in sociale status tussen een “taal” (dat is de benaming voor een taalvariant die aanzien geniet) en een “dialect” (een taalvariant die met minder achting, soms zelfs met verachting wordt bezien).[13] Deze sociale status straalt af op de gebruikers van de taalvariant, althans zo kan dit worden gevoeld.
- Door de niet-dominante rol van een taalvariant zullen woorden verdwijnen ten gunste van woorden uit de standaardtaal, en dit wordt door taalgebruikers als taalverlies ervaren. (De taalkundige wijst daarbij op nog andere veranderingen: het verlies van grammaticale elementen). Hoewel taalverandering altijd en overal aanwezig is, wordt de onderhavige als extra betreurenswaardig ervaren: er verdwijnt een deel van het linguïstisch geheugen.[14]
- Aangezien taal als het vehikel van de cultuur wordt gezien, ontstaat aldus ook de vrees voor cultuurverlies.[15]
Dat ondertussen andere taalgebruikers het verdwijnen van regionale taalvarianten juist toejuichen, doet aan de genoemde gevoelens niets af. Het kan wel leiden tot scherpe controversen en polemieken.
[bewerken] Overheid
Taalpolitiek in engere zin is een aandachtspunt voor de overheid. Zo dient in Europees verband te worden aangegeven welke taalvarianten als (niet-dominante) taal worden aangemerkt; dit wordt geregeld in het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Dan nog hebben niet alle aldus erkende talen dezelfde status. Talen die onder Deel III van het Handvest vallen, genieten de grootste erkenning, en dit houdt onder meer in dat er onderwijs in wordt gegeven en dat juridische transacties die de taal als voertaal hebben, worden erkend. Talen die onder Deel II vallen, genieten weliswaar erkenning en het gebruik wordt door de overheid gestimuleerd, maar dit alles gaat minder ver dan Deel III: rechten kunnen er in de praktijk niet aan worden ontleend.[16] Het Fries ressorteert onder Deel III; op 19 maart 1997 ging de Nederlandse overheid tot erkenning van het Limburgs als streektaal onder Deel II over.[17] Het Limburgs geniet hierbij dezelfde status als het Nedersaksisch (dit laatste sinds 1995). Onomstreden is dit besluit niet gebleven; er kwam veel kritiek op.[16]
In Vlaanderen, waar de discussie na de erkenning van het Limburgs in Nederland ook op gang kwam, werd door de politiek om taalkundig advies bij onder meer de Nederlandse Taalunie gevraagd. Het verzoek om ook hier het Limburgs te erkennen, werd uiteindelijk afgewezen.[16]
[bewerken] Algemeen Geschreven Limburgs
Een aantal Limburgers heeft eind 20e eeuw het initiatief genomen om de Limburgse dialecten te standaardiseren. Zo heeft de werkgroep Algemeen Geschreven Limburgs een gelijknamige schrijftaal ontwikkeld (vaak afgekort tot AGL), die bedoeld is om het prestige te verhogen en daarmee de terugloop van het aantal sprekers tegen te gaan.[18] Deze schrijftaal is bewust zo ontwikkeld dat ze met geen enkel Limburgs dialect volledig overeenkomt. Het initiatief heeft tot nu toe weinig weerklank gevonden. Een voorstel om het op provinciaal niveau te gebruiken werd niet aangenomen. Werkgroeplid Paul Prikken schreef een aantal jaar lang in een Limburgse krant columns in deze taal. Ook stelde hij een AGL-woordenboek met de titel De Taal van de Maas samen.[19]
[bewerken] Franse en Duitse invloeden
Gezien de ligging tussen drie Europese culturen, de Nederlandse, Franse en Duitse, is het niet verwonderlijk dat de plaatselijke dialecten hier sporen van laten zien. In de loop van de geschiedenis werden verschillende delen van het moderne Limburg opgedeeld of behoorden toe aan vorstendommen waarvan het grootste deel zich niet in de Nederlanden bevond.
In Belgisch Limburg en Maastricht werd tot ver in de 20e eeuw Frans gesproken door de hogere burgerij. In het uiterste zuidoosten langs de Duitse grens (Heerlen en Kerkrade) kende men beter Standaardduits dan Standaardnederlands. Veel Limburgse termen hebben een Franse of Duitse oorsprong. Wel moet worden opgemerkt dat deze termen steeds vaker vervangen worden door inheemse (Nederlandse) termen, door de aanwezigheid van Standaardnederlands sind het begin van massa-onderwijs in de 18e en 19e eeuw. Enkele voorbeelden van Duitse en Franse invloeden:
- (Maastrichts) avvencere (Frans) avancer - opschieten
- (Maastrichts) versjèt, (Frans) fourchette - vork
- (Maastrichts) huie, (Frans) aujourd'hui - vandaag
- (Maastrichts) kuusj, (Frans) cochon - varken
- (Maastrichts) rappelere, (Frans) rappeler - herinneren
- (Maastrichts) sjomaasj (Frans) chômage - werkloosheid
- (Kerkraads) tsiedóng, (Duits) Zeitung - krant
- (Kerkraads) wainachte, (Duits) Weihnachten - kerstmis
In Belgisch Limburg is de Franse invloed ook na 1839 (splitsing van Limburg) blijven bestaan en zelfs versterkt. Dit hangt samen met de sociaal zwakke positie van het Nederlands als standaardtaal en de sterke positie van het Frans als belangrijkste (en lange tijd enige) officiële taal van België tot aan de Tweede Wereldoorlog. Daardoor telt het Belgisch Limburgs net als het Maastrichts een groot aantal Franse leenwoorden, vooral op het vlak van nieuwe technologieën en de administratie. Algemene voorbeelden zijn remorque voor aanhangwagen, compteur voor elektriciteitsmeter, embrayage voor koppeling, kader voor fietsframe, camion voor vrachtwagen, facteur voor postbode, madame als aanspreking voor mevrouw, maar ook samenvoegingen zoals vitessebak voor versnellingsbak.
Deze Franse invloed is het sterkst in het Zuidwestlimburgs, bijvoorbeeld in de dialecten van St. Truiden en Tongeren op de taalgrens, mede omdat veel Limburgers nog tot ruim de tweede helft van de twintigste eeuw gingen werken in het industriecentrum rond Luik. Ook kende de provinciehoofdplaats Hasselt nog lang een Franstalige bourgeoisie.
[bewerken] Taxonomie van het Limburgs
[bewerken] Linguistische Taxonomie
- Centraal Nederfrankisch (Tussen jij/gij-isoglosse en Uerdinger linie)
- Zuidnederfrankisch (Tussen Uerdinger linie en Benrather Linie)
- Ripuarisch
[bewerken] Geografische taxonomie van Nederlands Limburg
[bewerken] Zie ook
Bronnen en verwijzingenVoetnoten
Literatuur
Externe links
|
| Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Cursus Limburgs (in opbouw). |
| Zie de Limburgse uitgave van Wikipedia. |
| Streektalen in Nederland en Vlaanderen |
|---|
|
Nederfrankisch en Friso-Frankisch: Amelands · Bildts · Brabants · Hollands (Utrechts-Alblasserwaards · Zuid-Hollands) · Limburgs · Oost-Vlaams · Stadsfries · West-Fries · West-Vlaams · Zeeuws · Zuid-Gelders |
