Limerick (dichtvorm)
Een limerick is een dichtvorm van 5 regels met een vrij strak metrum. Twee drievoetige amfibrachen (∪—∪ ∪—∪ ∪—∪), twee regels amfibrachen en jambe (∪—∪ ∪—) en afgesloten door weer een drievoetige amfibrachys.
In de eerste regel wordt (meestal) een persoon of dier geïntroduceerd met een plaatsnaam. De regels 1, 2 en 5 rijmen met elkaar en er is een ander rijm tussen de kortere regels 3 en 4 (rijmschema: a a b b a). Voorts heeft een limerick vaak een wat dubbelzinnige inhoud, of kan zelfs zeer grof zijn. De laatste regel is een soort pointe of uitsmijter. Het is in 2011 precies honderd jaar geleden dat de limerick in Nederland werd geïntroduceerd door Ko Doncker.
[bewerken] Voorbeelden
- Er was eens een naaister uit Knokke,
- die naaide per dag twintig rokken.
- Dat ging niet meer goed,
- dus werd ze met spoed
- verplaatst naar de afdeling sokken.
Een ander voorbeeld van John O'Mill:
- A terrible infant, called Peter,
- sprinkled his bed with a gheter.
- His father got woost,
- took hold of a cnoost
- and gave him a pack on his meter.
Er wordt ook wel van de amfibrachen afgeweken:
- Een dorstige slijter uit Sneek
- Dronk wijn, elke dag van de week,
- De zondag excluis
- Want dan zat hij thuis
- En kreeg hij slechts koffie en cake.
- Een goocheme go-ster uit Goor
- die al haar partijen verloor
- zat achter een struikje
- en riep: "Waar gebruik je
- mijn steengoeie oordopjes voor!"
Een tekst van een limerick bestaat niet per se louter en alleen uit volrijmen. Klankrijm komt ook vaak voor, vanwege de vele mogelijkheden die dit biedt met betrekking tot pointes:
- Er was eens een vent uit Bohemen,
- die wilde een Zweedse gaan nemen.
- Ze nam hem de maat
- en riep over straat:
- "Zo'n kleintje, dat kun je niet menen!"