Limnische uitbarsting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een dode koe na de uitbarsting in het Nyosmeer
Ontgassing van het Nyosmeer

Een Limnische uitbarsting is een natuurverschijnsel waarbij opeens een grote hoeveelheid koolstofdioxide (of methaangas) uit een zee of meer omhoog komt. Dit gas heeft zich in de periode ervoor opgehoopt in de diepten van het meer. Dit kan tot een natuurramp leiden waarbij mensen en dieren langs de oevers verstikt raken en soms op grote schaal overlijden.

Het verschijnsel wordt veroorzaakt doordat zich onder water lagen vormen waarin veel koolstofdioxide of methaan is opgelost, bijvoorbeeld doordat er op de bodem langzaam organisch materiaal vergaat. Dan kan het water op een bepaalde diepte verzadigd raken. Dit is vergelijkbaar met een flesje frisdrank. Wanneer het water in beweging komt, door bijvoorbeeld een aardverschuiving of een aardbeving, komt het gas in één keer vrij. Het kan zelfs tsunami's veroorzaken.

In de jaren tachtig heeft dit verschijnsel zich voorgedaan in het Monounmeer (1984) en het Nyosmeer (1986) in Kameroen. In het Kivumeer, op de grens tussen Congo-Kinshasa en Rwanda, zou zich in de toekomst hetzelfde kunnen voordoen.

Er wordt gespeculeerd dat het plotseling en zonder noodsignaal zinken van schepen in de Bermudadriehoek zou kunnen worden veroorzaakt door limnische uitbarstingen van methaangas dat zich in grote hoeveelheden op de zeebodem bevindt in de vorm van methaanhydraat. Door bijvoorbeeld een zeebeving kan de ontleding van methaanhydraat in methaangas en water worden getriggerd. Als er dan plotseling massaal gasbellen omhoog komen, verlaagt dat de dichtheid van het water zodanig dat een schip niet langer blijft drijven (wet van Archimedes).

Een mogelijke oplossing voor het probleem bij meren[bewerken]

In 1990 heeft een team van Franse wetenschappers in het het Monounmeer en in het Nyosmeer een verticale buis aangebracht, vanaf vlak boven de bodem tot net boven het wateroppervlak. Door hierdoor eenmalig water op te pompen, ontstaat een zichzelf versterkend proces. Dit komt doordat het met koolstofdioxide verzadigde water dat opstijgt, het gas als belletjes verliest tijdens het opstijgen. Die belletjes handhaven een continue opwaartse stijging, waardoor steeds meer water ontgast wordt.

Op deze manier kan het koolstofdioxide op een gecontroleerde wijze afgevoerd worden. Doordat koolstofdioxide zwaarder is dan lucht, is er nog steeds een risico dat er zich op het meer een laag van verstikkend gas vormt; daarom moet het proces langzaam gebeuren zodat het vrijkomende gas weg kan waaien. De proef in het Nyosmeer heeft aangetoond dat dit mogelijk en verantwoord is. Om hetzelfde te doen in het Kivumeer, dat 2000 maal zo groot is, zijn echter vele buizen nodig en de kosten lopen in de miljoenen. Er wonen echter ongeveer 2 miljoen mensen aan dat meer en bovendien is het risico op een uitbarsting extra groot doordat het meer bij een vulkaan in een actieve aardbevingszone ligt.